Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling
Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/6.3.4.4:6.3.4.4 Ketenregeling
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/6.3.4.4
6.3.4.4 Ketenregeling
Documentgegevens:
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943540:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In r.o. 4.8 van ECLI:NL:GHARN:2012:BW3093 wordt op basis van het ontbreken van een ontslagvergunning voor ontslag van een uitzendkracht geoordeeld dat geen sprake was van een rechtsgeldige opzegging. Dit is een pre-Wwz uitspraak, maar wordt aangehaald bij gebrek aan uitspraken post-Wwz over tussentijdse beëindiging van uitzendovereenkomsten.
Art. 7:691 lid 8 sub c BW jo. art. 7:668a BW.
Art. 10 lid 2 Uitzend-cao.
In 2020 bevond slechts 4% van de populatie uitzendkrachten zich in fase C, zie Uitzendmonitor 2021, p. 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over beëindiging van uitzendovereenkomsten is zeer weinig jurisprudentie te vinden. Reden daarvoor is vermoedelijk dat weinig uitzendkrachten in fase C belanden. Dat komt doordat de ketenregeling pas na fase A in werking treedt en bovendien ruimer is gedurende fase B.1 In fase B werkt de uitzendkracht op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd, waardoor het voor uitzendwerkgevers aantrekkelijker kan zijn het einde van rechtswege af te wachten dan te investeren in een procedure bij het UWV of de kantonrechter te vragen de overeenkomst tussentijds te beëindigen.2 De maximale duur en het maximale aantal overeenkomsten dat op basis van de wettelijke ketenregeling is toegestaan, kan bij cao worden uitgebreid. Sinds de invoering van de WAB geldt dat de afwijking een verlenging mag inhouden van de periode van 36 maanden tot 48 maanden en het aantal van drie mag worden verhoogd naar zes.3 In de uitzend-cao is daarvan gebruikgemaakt.4 In andere cao’s, zoals die van de inlener, kan deze uitbreiding van de ketenregeling ook worden opgenomen, maar dan moet uit die overeenkomst blijken dat voor bij die overeenkomst te bepalen functies of functiegroepen de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering deze verlenging of verhoging vereist.5 Dat vereiste is niet expliciet gesteld voor uitbreiding in de uitzend-cao. Kennelijk wordt ervan uitgegaan dat bij uitzendwerk standaard aan dat vereiste wordt voldaan.
In fase A eindigen uitzendovereenkomsten door middel van het uitzendbeding of, ingeval geen uitzendbeding is opgenomen, door het einde van rechtswege. In fase B achten uitzendwerkgevers het onaantrekkelijk te investeren in een procedure bij het UWV of de kantonrechter teneinde tussentijds te beëindigen. Door het uitstellen van de werking van de ketenregeling, duurt het voor een uitzendkracht langer voordat hij de zekerheid van een vast contract heeft. Weinig uitzendkrachten komen in deze fase terecht.6 De rechtvaardiging die de regering voor deze uitgestelde en verlengde ketenregeling geeft, is dezelfde als die voor het uitzendbeding. Vanwege de allocatieve functie van de uitzendwerkgever, is het gerechtvaardigd dat partijen meer flexibiliteit hebben, aldus de regering. Bij bespreking van het uitzendbeding zette ik al uiteen dat ik de allocatiefunctie een zwak argument vind voor rechtvaardiging van afwijkende ontslagbescherming in de relatie tussen uitzendwerkgever en werknemer. Daarbij kwam eveneens aan bod dat de afwijkende ontslagbescherming van uitzendkrachten beperkt moet zijn in duur. Dat vormt aanleiding kritisch te zijn op de uitgestelde en verruimde ketenregeling voor uitzendovereenkomsten. Daarom toets ik of de ‘uitzendketenregeling’ een gerechtvaardigd personeelsbeleid van het uitzendbureau is.