Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.2.6:5.7.2.6 Onwaardigheid van rechtswege
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.2.6
5.7.2.6 Onwaardigheid van rechtswege
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859230:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Boone Not.Fisc.M. 2013/4, p. 105, Casman 2013, p. 12 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 5.
Waarbij het in mijn ogen correcter zou zijn tevens op te nemen dat de bepaling ziet op de dader, mededader en medeplichtige. Zie daarover par. 5.7.2.1.
De wet spreekt thans over een veroordeling. Dit begrip is te beperkt. Het is juister te spreker over een schuldigbevinding. Zie daarover par. 5.7.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de civiele rechter oordeelt dat de dader schuldig is aan een van de strafbare feiten als genoemd in artikel 4.6 § 1, 1° BBW, dan spreekt hij de onwaardigheid uit. Dat betekent dat er geen ruimte is voor de civiele rechter om een afzonderlijke beoordeling te maken over de ernst van de gepleegde feiten. Deze beoordeling heeft de wetgever gemaakt door aan de genoemde strafbare feiten de sanctie onwaardigheid te verbinden. De onwaardigheid volgt uit de schuldigbevinding. Dat betekent dat bij deze onwaardigheidsgrond, net als bij de eerste grond, geldt dat onwaardigheid van rechtswege werkt.1
Artikel 4.6 § 1, 2° BBW spreekt over hij die onwaardig is verklaard. Deze terminologie zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat een afzonderlijke onwaardigverklaring is vereist. Dat is niet juist. De onwaardigheid volgt van rechtswege uit de schuldigbevinding. Deze vermelding is bovendien overbodig. Volstaan kan worden met de bewoording ‘hij die een in de bepaling onder 1° bedoeld feit heeft gepleegd of gepoogd heeft te plegen,2 maar die, omdat hij ondertussen overleden is, voor dat feit niet werd veroordeeld’.3