Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.3
7.3 Het begrip passende arbeid in de WW
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258901:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Put & Charlens, Passende arbeid & behoorlijk ontslag 2007, p. 39.
Put & Charlens, Passende arbeid & behoorlijk ontslag 2007, p. 41, 43.
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Stb. 1997, 96). Bij wet van 26 februari 1997 is de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen geheel herzien. Als gevolg van deze wijziging is de uitvoering van de diverse werknemersverzekeringen niet langer opgedragen aan de bedrijfsverenigingen, maar aan een landelijk door het kabinet ingesteld uitvoeringsorgaan. In de parlementaire behandeling bij die wijziging (Kamerstukken II 1995/96, 25047, nr. 3) is enkel vermeld dat de taken van de bedrijfsverenigingen vervallen. De bedrijfsverenigingen zijn niet bij wet opgeheven, omdat zij ook niet bij wet waren ingesteld. De bedrijfsverenigingen waren namelijk een particulier initiatief en juridisch te kwalificeren als privaatrechtelijke rechtspersonen. De bedrijfsverenigingen waren tot 1 maart 1997 erkend als rechtspersoon, maar door de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verloren zij hun erkenning en daarmee hun publiekrechtelijke status.
Na de voor- en nadelen van de interpretatiemanieren van de vijf instanties te hebben besproken, is het de vraag voor welk systeem in de WW is gekozen. Van Langendonck meent dat het orgaan waar de bevolking van een bepaald land het meeste vertrouwen in heeft de interpretatie van passende arbeid op zich moet nemen. In de praktijk wordt echter nooit voor één manier gekozen, maar om de voor- en nadelen van de verschillende manieren te compenseren worden steeds een aantal manieren simultaan gebruikt. De vijf instanties hebben ook twee niveaus waarop ze een rol kunnen spelen, te weten het niveau van de totstandkoming van de regelgeving en het niveau van de uitvoering van de regelgeving. Het is daardoor ook onvermijdelijk dat alle instanties op den duur een rol gaan spelen bij de interpretatie van het begrip.1
In Nederland spelen vier instanties een directe rol, namelijk het kabinet door de invoering van een wettelijke bepaling, de uitvoeringsorganen door interpretatie van die bepaling, de openbare arbeidsvoorziening die beoordeelt en de rechter die interpreteert.2 De sociale partners hebben tot 1997 op het niveau van de uitvoering een rol gespeeld, omdat de bedrijfsverenigingen toen de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid waren.3 Na de parlementaire enquête in 1992 over het functioneren van de bedrijfsverenigingen werden ze per 1 maart 1997 buiten de uitvoering geplaatst.4
In Nederland zijn het de arbeidsbureaus en uitvoeringsorganen (thans opgenomen in één orgaan, het UWV) die een oordeel geven over het passend karakter van de arbeid in een individueel geval. Bij interpretatiegeschillen ligt het definitieve oordeel bij de rechter. In de jaren 90 is er discussie ontstaan over de toepassing van het begrip, waarna overleg met de uitvoeringsorganen (tevens de sociale partners) is gevoerd. Dit heeft vanaf 1992 geresulteerd in verschillende richtlijnen, die een aantal uit de jurisprudentie afgeleide geobjectiveerde normen (niveau van de baan, loonniveau, reisduur) bevatten. Ik zal allereerst ingaan over de opvatting van het begrip passende arbeid bij de invoering van de WW in 1987.