Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/1.3.2.1
1.3.2.1 Belang van een exequatur
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS378226:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze keuze bestaat in het internationale procesrecht ten aanzien van de onderwerpen die ter vrije beschikking van de partijen staan, zoals het vermogensrecht. Een verkapte vorm van rechterskeuze bestaat echter ook op het terrein van het personen- en familierecht, bijvoorbeeld op het terrein van het echtscheidingsrecht. De partijen kunnen dan meestal tussen meerdere rechters kiezen. Zie bijvoorbeeld art. 3 Vo-BlIbis. Ook art. 12 Vo-BlIbis staat een forumkeuze ten aanzien van verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid onder bepaalde voorwaarden toe. Zie paragraaf 2.5.3.
Ingevolge art. 431 lid 2 Rv kunnen de partijen weliswaar in geval van tenuitvoerlegging van een vreemd vonnis in Nederland bij gebreke van verdrag, verordening of wet de zaak opnieuw aanhangig maken bij de Nederlandse rechter, maar de jurisprudentie en de literatuur hebben de toepasselijkheid van deze bepaling enigszins genuanceerd. Zie paragraaf 3.2.2.
Verschuur (1995), p. 88. Verschuur meent tevens dat met de erkenning van elkaars vonnissen de internationale rechtsorde is gebaat.
Met name in verband met de uitbreiding van de Europese Unie wordt op het behouden van deze controle gewezen (A. Stadler, 'Das Europäische Zivilprozessrecht - Wie viel Beschleunigung verträgt Europa?', IPRax 2004, p. 2-11 (i.h.b. p. 7). De praktijk van de bestaande exequaturprocedure heeft aangetoond dat er reeds binnen de oude vijftien landen van de Europese Unie verschillen in het procesrecht bestaan (HvJ EG 28 maart 2000, C-7/98, Jur. 2000, p. I-1935, NJ 2003, 626, Krombach/Bamberski).
Het soevereiniteitsbeginsel beperkt de macht van de overheid, de soeverein, tot het gebied waarover deze de macht mag uitoefenen. Dit betekent dat een soeverein in beginsel niet bevoegd is om aan iemand die zich buiten zijn 'machtsgebied' bevindt, iets te gebieden. Dit leidt ertoe dat er aan de besluiten en de macht van een andere soeverein in principe geen gevolg behoeft te worden gegeven. Wel moet worden opgemerkt dat het soevereiniteitsbeginsel in het privaatrecht nooit in zijn strikte vorm werd toegepast. Er werd getracht aan de besluiten van een andere soeverein enig gevolg toe te kennen.
Wanneer een rechter een beslissing uitspreekt die in een ander dan zijn rechtsgebied geëffectueerd moet worden, kan door de effectuering inbreuk worden gemaakt op het soevereiniteitsbeginsel. De effectuering van deze beslissing behoeft immers goedkeuring van een rechter of andere autoriteit in het rechtsgebied alwaar de effectuering moet geschieden. Door de goedkeuring wordt aldus een inbreuk op het soevereiniteitsbeginsel gelegitimeerd.
De taak van de overheid in het civiele recht beperkt zich tot het bieden van rechtsbescherming indien er om gevraagd wordt. Deze rechtsbescherming oefent de civiele rechter ook uit wanneer hij aangezocht wordt om toe te staan dat een beslissing van een vreemde rechter binnen zijn rechtsgebied ten uitvoer mag worden gelegd. De partijen zijn in het privaatrecht in beginsel vrij om te kiezen aan welke rechter zij hun geschil willen voorleggen.1 Hiermee is moeilijk te rijmen dat een der partijen die de rechterlijke beslissing ten uitvoer wil leggen, opnieuw een procedure moet instellen.2 De rechter moet de toetsing van de ten uitvoer te leggen beslissing van de vreemde rechter wel verrichten teneinde te voorkomen dat er beroep kan worden gedaan op beslissingen die in strijd zijn met de fundamentele beginselen, zoals deze in zijn rechtsgebied gelden. Hij biedt derhalve niet alleen bescherming aan de partijen maar tevens aan zijn eigen rechtssysteem. De door de rechter te verrichten controle is echter vaak een beperkte. Dit is een gevolg van de afweging van, enerzijds, de te beschermen belangen van het rechtssysteem van de rechter van de staat van tenuitvoerlegging en van de belangen van de betrokken partijen en, anderzijds, het belang van de proceseconomie. Indien de betrokken partijen reeds in een andere staat een behoorlijke rechtsgang is geboden, is het niet meer nodig om de partijen te dwingen de zaak opnieuw aanhangig te maken.3 Dit zou ook in strijd zijn met de in het privaatrecht geldende partijautonomie. De te verrichten controle is derhalve slechts beperkt tot het onderzoek of aan de partijen een behoorlijke rechtsgang is geboden. Een onderzoek van de zaak ten gronde kan dan derhalve in het stadium van de erkenning en tenuitvoerlegging achterwege blijven.
Het belang van de genoemde toetsing is in het kader van de interne markt binnen de Europese Unie enigszins beperkt. Er bestaan regelingen die aangeven in welk geval en op welke wijze een beslissing van een vreemde rechter getoetst moet worden. Door het steeds belangrijker worden van de interne markt zou men echter kunnen denken dat binnen de grenzen van de Europese Unie de exequaturverlening achterhaald is. Men zou zonder enige tussenkomst van een andere autoriteit elkaars beslissingen moeten erkennen en ten uitvoer moeten kunnen leggen. Dit lijkt wel een aantrekkelijke gedachte, maar met het afschaffen van de exequaturverlening dient voorzichtig te worden omgegaan. Uit de jurisprudentie is gebleken dat in verband met de verschillen in de rechtssystemen van de landen binnen de Europese Unie enige controle op het procesrecht soms wel op zijn plaats iS.4