Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.6
6.6 De beperking van de verwijtbare-werkloosheidstoets met de Wet wijziging WW-stelsel in 2006 (a-grond)
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258872:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de wijziging van het WW-stelsel (Wet wijziging WW-stelsel), Stb. 2006, 303.
Kamerstukken II 2005/06, 30370, nr. 3, p. 25-27. Nog een bezwaar van het kabinet was dat door het SER-voorstel om de ontslagroute bepalend te laten zijn bij de a-grond, het overheidspersoneel niet onder deze toets viel. Het overheidspersoneel kon namelijk niet ontslagen worden op staande voet en ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst was geen mogelijkheid.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 152.
Kamerstukken II 2005/06, 30370, nr. 20. Het artikel werd ook van toepassing verklaard op het overheidspersoneel door een aanpassing in de formulering. Er moet sprake zijn van een dringende reden in de zin vanartikel 7:678 BW en niet op grond vanartikel 7:678 BW.
Per 1 oktober 2006 zijn de voorstellen van de SER overgenomen met de Wet wijziging WW-stelsel.1
In de MvT stelde het kabinet zich in eerste instantie op het standpunt dat het voorstel van de SER om de a-grond te beperken tot gevallen van beëindiging van het dienstverband om een ‘dringende reden’ niet zou worden overgenomen, omdat er enkele belangrijke bezwaren aan kleefden.
Een van de bezwaren was dat in het SER-voorstel het aangrijpingspunt voor de toets op verwijtbare werkloosheid de ontslagroute was (ontslag op staande voet, ontbinding wegens dringende reden) en niet de reden van het ontslag of de verwijtbare gedraging van de werknemer. Alhoewel een dergelijke afbakening van de a-grond partijen rechtszekerheid zou bieden en bij zou dragen aan het terugdringen van pro-formaprocedures, zou er geen toets op de verwijtbare werkloosheid kunnen plaatsvinden in de gevallen waarin de werknemer zich wel heeft misdragen, maar het ontslag niet door de twee genoemde ontslagroutes was geëffectueerd. Daarnaast zou deze wijze van afbakening leiden tot ongelijke behandeling van materieel gelijke gevallen, omdat de gevolgde ontslagroute bepalend was voor de vraag of de WW-uitkering werd geweigerd.2 Het kabinet wilde daarom vasthouden aan de ontslagreden als aangrijpingspunt voor de toets op verwijtbare werkloosheid en niet de ontslagroute.3
Zoals al eerder door de SER opgemerkt week het nieuwe criterium van het kabinet nauwelijks af van het toenmalige criterium dat voor de pro-formaproblematiek zorgde en was het voor meerdere uitleg vatbaar. De tekst leek zo zeer op de oude tekst dat betwijfeld kon worden of het aantal pro-formaprocedures zou worden verminderd. Tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel is het kabinet overstag gegaan. Middels een amendement van Kamerlid Noorman-Den Uyl4 werd de door de SER voorgestelde verwijtbaarheidstoets overgenomen. Een werknemer was als gevolg hiervan verwijtbaar werkloos wanneer hij op staande voet was ontslagen wegens een dringende reden, of de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever door de rechter was ontbonden op grond van een dringende reden. Het doel van het amendement was om de verwijtbaarheidstoets objectief toetsbaar te maken, zodat voorkomen werd dat werkgevers en werknemers onnodig werden betrokken bij een onderzoek naar de aard van de werkloosheid. De a-grond werd als volgt geformuleerd:
“De werknemer is verwijtbaar werkloos indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.”
De zinsnede “en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt” werd aan de toets toegevoegd, omdat de Hoge Raad in een arrest uit 1989 (NJ 1989, 549) had bepaald dat voor de aanwezigheid van een dringende reden in de zin van 7:678 BW het geen vereiste was dat de gedraging aan de werknemer kan worden verweten. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarbij het gedrag van de werknemer op zich niet fout is (provocerend kleden), maar voor de functie niet gepast (zoals uit richtlijnen van de werkgever blijkt) en voorzienbaar kan leiden tot ontslag (de werknemer is door de werkgever gewaarschuwd voor ontslag). Voor werkloosheid in de zin van de WW is verwijtbaarheid wel een vereiste, zodat de toevoeging van de zinsnede noodzakelijk was.5
6.6.1 Wet wijziging WW-stelsel in 2006 (a-grond): verwijtbare werkloosheid en ‘dringende reden’6.6.2 Jurisprudentie omtrent invulling van het begrip verwijtbare werkloosheid (a-grond): toetsingskader 2009-20186.6.3 Jurisprudentie omtrent invulling van het begrip verwijtbare werkloosheid (a-grond): toetsingskader vanaf 7 november 2018