Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.4.1
3.4.1 Aflossingsfunctie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264565:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1413-1414 (ad D. 13,7,39); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad 20,1,11,1; Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,2 en C. 4,32,12(11); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.30 en 5.5.1; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 9.1; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 15-16 (ad C. 4,24), p. 19-22 (ad C. 4,24,1-4,24,2) en p. 395-396 (ad C. 4,32,11(12)); Heusler 1886, p. 142; Génestal 1901, p. 2; Van Werveke 1929, p. 54-55; Landwehr 1967, p. 321-322; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 348; Planitz 1982, p. 48; Heirbaut 2000, p. 193.
Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,2; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 6.1.20.
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 7.3.7; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3).
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.1; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3).
Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,3. Vgl. Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1890 (ad D. 20,1,11,1).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1890 (ad D. 20,1,11,1); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3); Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.1-5.5.7 en 7.3.7; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3).
Génestal 1901, p. 5; Planitz 1982, p. 49-50 en p. 57-60.
Génestal 1901, p. 34-36.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 348-349; Planitz 1982, p. 48.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1889-1890 (ad D. 20,1,11,1); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,11,1; Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 395-396 (ad C. 4,32,11(12)).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893 (ad C. 4,24,1); Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.3; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-22 (ad C. 4,24,1-4,24,3).
Als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had, kwam de waarde van de vruchten in mindering op de gesecureerde vordering. De pandgebruiker had recht op de vruchten. Hij diende de waarde van de vruchten echter ten goede te laten komen aan de pandgever. Hieraan voldeed de pandgebruiker door de waarde van de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.1 Voor natuurlijke vruchten betekende dit dat de pandgebruiker de vruchten moest verkopen en vervolgens in mindering moest brengen op de gesecureerde vordering.2 Burgerlijke vruchten kwamen vermoedelijk direct in mindering op de gesecureerde vordering nadat de pandgebruiker ze geïnd had. De pandgever had er dus belang bij dat de pandgebruiker in de uitoefening van zijn rechten een zo hoog mogelijke vruchtopbrengst realiseerde. De schuld van de pandgever verminderde immers met die vruchtopbrengst.3
Gebruiksplicht en exploitatierisico
Het belang van de pandgever kreeg bescherming doordat de pandgebruiker een gebruiksplicht had. De pandgebruiker was verplicht het onderpand te gebruiken en met dit gebruik een zo hoog mogelijke vruchtopbrengst te genereren. Als de pandgebruiker zijn gebruiksplicht niet nakwam, was hij in beginsel aansprakelijk met de actio pigneraticia directa.4 Van een schending van de gebruiksplicht was sprake als de gebruiksopbrengst die hij met het pandobject genereerde lager was dan gebruikelijk.5 Als de pandgebruiker bijvoorbeeld een pandrecht had op een woning, diende hij die woning te verhuren tegen een marktconforme prijs. Bartolus schreef hierover dat de pandgebruiker werd geacht zoveel vruchten te innen als de woning aan huur kon opleveren.6 Deze gebruiksplicht van de pandhouder was niet van toepassing als het recht van pandgebruik een rentefunctie had.7
De aansprakelijkheid voor schending van de gebruiksplicht bracht mee dat de gesecureerde vordering niet verminderde met het de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker in werkelijkheid had gerealiseerd, maar met de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker had moeten realiseren. De pandgebruiker kon slechts aan aansprakelijkheid ontkomen als hij bewees dat de lage gebruiksopbrengst niet was ontstaan door zijn opzet, grove schuld of normale schuld. Slaagde de pandgebruiker in dit bewijs, dan verminderde de gesecureerde vordering niet met de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker had moeten realiseren, maar met de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker in werkelijkheid had gerealiseerd.8
In de praktijk bevatte een akte van aflossingspandgebruik vaak een begroting van het bedrag dat het onderpand jaarlijks opleverde.9 Aannemelijk is dat dit bedrag richtinggevend was bij de beantwoording van de vraag of de pandgebruiker zijn gebruiksplicht was nagekomen. Als het recht van pandgebruik rustte op een groot gebied, zoals een stad, kon de pandgever toezicht laten uitoefenen op de naleving van de gebruiksplicht van de pandhouder. De pandgever en de pandhouder spraken in de pandovereenkomst af dat de pandgebruiker moest samenwerken met een rentmeester van de pandgever. Deze rentmeester behartigde de belangen van de pandgever en bracht aan hem verslag uit van de wijze waarop de pandgebruiker het onderpand had beheerd.10
Een bijzondere vorm van aflossingspandgebruik deed zich voor als de gebruiksopbrengst van het onderpand en de verschuldigde rente gelijk waren. In dit geval was de gesecureerde vordering een rentedragende lening. Partijen vestigden tot zekerheid van deze lening een recht van pandgebruik op een vruchtdragende zaak. De begrote jaarlijkse gebruiksopbrengst van deze zaak was gelijk aan de verschuldigde rente. Deze vorm van pandgebruik is in de secundaire literatuur wel gekwalificeerd als een ‘tussenvorm’: een recht van pandgebruik dat het midden hield tussen een recht van rentepandgebruik en een aflossingspandgebruik.11 Op deze vorm waren echter dezelfde regels van toepassing als op ieder ander aflossingspandgebruik. Bij een pandgebruik voor een rentedragende lening kwamen de vruchten primair in mindering op de verschuldigde rente, subsidiair op de hoofdsom. Bij een pandgebruik voor een rentevrije lening kwamen de vruchten primair in mindering op de hoofdsom. In beide gevallen werd iets afgelost met de vruchten: rente of hoofdsom. Op beide gevallen waren dan ook dezelfde regels van toepassing: de regels van het recht van pandgebruik met rentefunctie.12
Als het pandrecht teniet was gegaan, diende de pandgebruiker de waarde van overgebleven vruchten die nog niet in mindering was gekomen op de gesecureerde vordering te vergoeden aan de pandgever. Hiertoe beschikte de pandgever over de actio pigneraticia directa.13