Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.6.2
3.6.2 Latijnse scholen 1815 en tweede afdelingen 1838
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977451:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
KB van 2 augustus 1815, nr. 14 (art. 4). Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staats-Courant van 12 oktober 1815, 242 en 13 oktober 1815, nr. 243. Hierin zijn de graden van doctor in het hedendaagse en Romeins recht, en ‘een eenvoudig doctoraal’ in de artikelen 119-121 vastgelegd. Voor toelating tot de advocatuur is het eerste doctoraat vereist (artikel 121); vgl. C.T. Geerligs, Zicht op het Nederlandse schoolwezen. Bespreking van de begrippen school, schoolsysteem en onderwijsvernieuwing, Meppel: Ten Brink 1978, p. 57.
W. Sleumer Tzn, Het economische onderwijs maatschappelijk beschouwd, Groningen: Wolters1938, p. 12, 132 en Idenburg 1964, p. 28.
Voorbereiding op den geleerden stand: klassieken en bijvakken
Op advies van de commissie-Van der Duijn van Maasdam is de Latijnse of Dietse school, als voorloper van het in 1876 in de Wet op het Hoger Onderwijs geregelde gymnasium, in het Organiek Besluit (2 augustus 1815) vastgelegd.1 Het in artikel 1 bepaalde ‘zoodanig onderwijs, als ten doel heeft, den leerling […] tot eenen geleerden stand in de maatschappij voor te bereiden’ laat aan het programma van de klassieke talen en de antieke geschiedenis en culturen slechts een geleidelijke toevoeging toe op het rooster in de middaguren van bijvakken als geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde en fabelkunde.2