Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.4.8
2.4.8 Het hebben van intenties of eigenschappen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715456:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Alexander & Ferzan 2009, p. 215.
Husak 2010, p. 32 en 49; Rutgers 1992, p. 257; Jakobs 1985, p. 753-754.
Zie bijvoorbeeld: Reijntjes 2003, p. 474.
Robinson 1993, p. 191.
Dworkin & Blumenfeld 1966, p. 401. Zie over deze problematiek ook: Alexander & Ferzan 2009, p. 202; Knigge 1985. Daar doet mijns inziens overigens niet aan af dat ook bij fysieke gedragingen problemen met de locus delicti en tempus delicti te bedenken zijn. Denk aan delicten die via het internet gepleegd worden, die in de grensstrook tussen twee landen gepleegd worden of die zich zo lang in de tijd uitstrekken dat de vraag rijst wanneer het feit is begonnen en wanneer het wordt beëindigd (Robinson 1993, p. 191; Loth 1992, p. 24-25). Dat is echter een fundamenteel andere problematiek dan waar het hier om gaat. In die gevallen is het probleem namelijk niet dat het lastig is om überhaupt een aanknopingspunt te vinden voor de tijd en plaats waarop het feit heeft plaatsgevonden, maar dat er juist meerdere, tegenstrijdige aanknopingspunten zijn, waartussen gekozen moet worden.
Fletcher 2000, p. 432.
Verbruggen 2004, p. 37.
Rutgers 1992, p. 294; Van Hamel 1927, p. 177.
Mols & De Roos 1992, p. 225.
Rutgers 1992, p. 294.
Verbruggen 2004, p. 37.
Ten Voorde 2012b, p. 83.
Uitgebreid over de procesrechtelijke kant van neurologische technieken: Van Toor 2017. Sommige neurowetenschappers stellen bijvoorbeeld met een flinke mate van zekerheid te kunnen vaststellen of iemand pedofiel is of niet (zie bijvoorbeeld: J. Ponseti e.a., ‘Assessment of Paedophilia Using Hemodynamic Brain Response to Sexual Stimuli’, Archives of General Psychiatry 2012, afl. 2, p. 187-194).
Denk daarbij aan telefoontaps en het doorzoeken van (ontsleutelde) chatberichten en browsegegevens. Zie ook: Van der Schors 2022, p. 293.
Net als de communitaristische en de liberale theorie, heeft ook de functionalistische theorie de grootste problemen met strafbaarstellingen van gedachten en intenties. Vanuit het oogpunt van effectiviteit en efficiëntie is het in theorie natuurlijk handig om in te kunnen grijpen voordat strafbare feiten worden gepleegd. Anders dan vanuit het liberale uitgangspunt van wilsvrijheid zou het vanuit het meer deterministische functionalistische wereldbeeld bovendien in theorie ook mogelijk moeten zijn om vooraf te voorspellen of personen strafbare feiten gaan plegen.1 Zoals hiervoor al uiteen werd gezet, is het in de praktijk echter praktisch onmogelijk om gedachten en intenties te bewijzen zonder dat enige uiterlijk waarneembare gedraging is verricht.2 Het uitgangspunt dat gedachten straffeloos moeten blijven, kan dus ook vanuit functionalistisch oogpunt worden onderbouwd. Volgens sommige auteurs is het hele daadstrafrechtbeginsel zelfs gestoeld op deze eenvoudige, praktische, bewijsrechtelijke overweging.3
Aan gedachten en intenties kunnen bovendien niet zo eenvoudig een tijd en plaats worden gekoppeld als aan gedragingen.4 Dat heeft er mede mee te maken dat ook de vorming van een gedachte of intentie veelal een langduriger, vloeiend proces zal zijn, zodat het lastig is om het exacte moment aan te wijzen waarop de fantasie overging in een intentie.5 Dat geldt nog duidelijker voor het hebben van (onveranderlijke) eigenschappen, zij het dat het bewijs van dergelijke eigenschappen wel weer eenvoudiger geleverd kan worden dan het hebben van bepaalde intenties. De hiervoor in het kader van aanwezigheid reeds aangestipte rechtsmacht- en soevereiniteitsproblemen rijzen ook bij strafbaarstellingen van intenties en eigenschappen. Als een staat bijvoorbeeld ‘dief-zijn’ strafbaar zou stellen, dan bemoeit hij zich in feite met alle diefstallen, waar dan ook ter wereld gepleegd.6
Vanuit praktisch oogpunt is het vroegste moment waarop het strafrecht realistisch gezien in kan grijpen daarmee het moment dat de kwade intentie op de een of andere wijze wordt veruiterlijkt. De lat ligt daarmee op het eerste gezicht laag: iedere uiterlijk waarneembare fenomeen kan in beginsel als bewijs dienen. De kwade intentie kan zelfs buiten gevallen waarin daadwerkelijk gevaar voor schade bestaat worden getest met de inzet van bijvoorbeeld lokfietsen en lokpubers. De vervolgvraag is vooral hoe overtuigend dat bewijs is.7 Volgens sommige auteurs kunnen de gevaarlijkheid van de dader, diens intenties en de kans op recidive slechts uit een veelvoud aan gedragingen worden afgeleid.8 Dan zullen veelal de inzet van opsporingsmiddelen als telefoontaps, het onderscheppen van communicatie, anonieme tipgevers en getuigen en infiltranten nodig zijn om voldoende informatie te verzamelen.9 Maar zelfs dan zal volgens bijvoorbeeld Rutgers in veel gevallen onvoldoende bewijs aanwezig zijn, zodat een veroordeling niet haalbaar is en de inzet van die kostbare opsporingsmiddelen in die zin dus zonder resultaat blijft.10 En zelfs als het onderzoek wel resultaten oplevert, blijft het bewijs van subjectieve zijde van het strafbare feit altijd veel speculatiever dan de objectieve zijde.11 Bovendien blijft het probleem dat strafbepalingen waarin de intentie centraal staat een zeker risico van willekeur en discriminatie met zich brengen.12 Dat is niet alleen principieel problematisch, omdat dit op de langere termijn potentieel ook de legitimiteit en daarmee het praktisch functioneren van het strafrecht aantast. Vanuit functionalistisch perspectief zijn er dan ook strikte regels nodig om ervoor te zorgen dat kostbare opsporingsmiddelen enkel worden ingezet als dat doelmatig is.
Tegelijkertijd is het van belang te bedenken dat veel van de praktische problemen die hiervoor zijn genoemd in potentie oplosbaar zijn. Met moderne technologieën zou het in de toekomst bijvoorbeeld mogelijk kunnen worden om bepaalde (potentieel gevaarlijke) eigenschappen vast te stellen zonder dat iemand een gedraging hoeft te hebben verrichten.13 Dat maakt het in theorie mogelijk om veel gerichter preventieve maatregelen te nemen. De grenzen van het strafrecht in de voorfase verschuiven vanuit functionalistisch oogpunt dus mee met de technologische ontwikkelingen. Wat dat betreft kan de opkomst van voorfasedelicten in de laatste decennia ook gerelateerd worden aan de steeds verder toenemende technische mogelijkheden om voorheen ontoegankelijke (veruiterlijkingen van) intenties te ontsluiten.14