Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.6.5.3
5.6.5.3 Jurisprudentie EHRM
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411318:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
O.g.v. art. 46, par. 2, EVRM ziet het Comité van Ministers toe op de tenuitvoerlegging van de uitspraak.
Zie o.a. EHRM 13 juni 1979, nr. 6833/74 (Marckx/België), NJ 1980, 462 en EHRM 16 juli 2002, nr. 27602/95 (Ulku Ekinci/Turkije), www.echr.coe.int.
Vande Lanotte en Haeck 2004, p. 715.
Zie o.a. EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic/Italië), RJ&D 2006-II, ro. 125.
Zie bijv. HR 12 september 1997, nr. 16 309, NJ 1998, 687.
In zijn commentaar bij EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00 (Asmundsson), FED 2005/65 stelt Thomas bijvoorbeeld dat de Wet aanpassing fiscale behandeling van VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, Stb. 2005, 115 op onderdelen in strijd kan zijn met het EVRM.
Wetswijzigingen ten gevolge van rechtspraak van het EHRM kunnen zich binnen de sfeer van de directe belastingen voordoen indien het gaat om schendingen van art. 1 EP EVRM, art. 14 EVRM en het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen zaken waarbij de Nederlandse staat rechtstreeks betrokken is, en zaken waarin de Nederlandse Staat geen partij is. In het eerste geval is Nederland op grond van art. 46par. 1 EVRM verplicht zich te houden aan de einduitspraak van het EHRM.1 Dit betekent dat hij het eindarrest van het EHRM uit moet voeren. Onder de voorwaarde dat de einduitkomst in overeenstemming is met de uitspraak van het EHRM is de verdragstaat vrij de middelen te kiezen die hij noodzakelijk acht om te voldoen aan de verplichting van het EHRM.2 Afhankelijk van de aard van de schending van het EVRM zal de verdragstaat individuele maatregelen nemen ten aanzien van de betrokken belastingplichtige en/of algemene of structurele maatregelen treffen die de individuele zaak overstijgen. De algemene maatregelen kunnen inhouden dat interne rechtspraak wordt gewijzigd, maar kan ook een wijziging van de nationale regelgeving inhouden. Voor zover mij bekend, heeft een uitspraak van het EHRM binnen het fiscale recht nimmer ertoe geleid dat de wetgever tot wijziging van de in geding zijnde Nederlandse regel moest overgaan. Vande Lanotte en Haeck merken evenwel op:3
‘Bovenstaande verplichting is door de meerderheid van de verdragstaten erkend en heeft dan ook met zich meegebracht dat in een groot aantal gevallen een veroordeling door het Hof een wetswijziging tot gevolg heeft gehad, zelfs in staten die niet betrokken waren bij het oorspronkelijke conflict.’
Uit het voorgaande leid ik af dat ingeval uit een uitspraak van het EHRM in een zaak waarbij de Nederlandse overheid betrokken is, blijkt dat de oorzaak van een schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is gelegen in de reikwijdte van een wettelijke regel, kan worden verwacht dat die regel wordt aangepast. De vraag is evenwel of, en zo ja, op welke wijze de wetgever de budgettaire gevolgen van deze wetswijziging ongedaan zal maken. Gelet op deze onzekerheid, stel ik de voorzienbaarheidsfactor voor zowel particulieren als ondernemers/rechtspersonen op 0.
Vanwege het feit dat alleen verdragstaten die in het geding betrokken zijn, gehouden zijn tot naleving van de einduitspraak, behoeft de wetgever in beginsel geen rekening te houden met uitspraken die betrekking hebben op andere verdragstaten.4 De verdragstaten zijn evenwel verplicht om het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden na te leven zoals dat door het EHRM wordt geïnterpreteerd.5 In Nederland (zie hfdst. 6) – houdt de rechterlijke macht dan ook terecht rekening met de Straatsburgse jurisprudentie waarin Nederland zelf geen partij is.6 Indien een wettelijke regel onverenigbaar is met het EVRM, gelet op de interpretatie van het EVRM door het EHRM met betrekking tot een procedure van een andere lidstaat, zou de wetgever moeten overgaan tot een wetswijziging teneinde een beroep op schending van het verdrag in de toekomst te voorkomen.7 Doordat het EHRM evenwel niet in abstracto de gewraakte wetgeving toetst, maar alleen de wijze waarop deze in het voorgelegde geval wordt toegepast, wordt het een verdragstaat bemoeilijkt om einduitspraken in zaken waarin hij geen partij is te vertalen naar zijn nationale wetgeving. Voor burgers is het daarom in het algemeen moeilijk om de kans op een wetswijziging en haar inhoud vooraf in te schatten. Om die reden stel ik de voorzienbaarheidsfactor voor die gevallen op 0.