Einde inhoudsopgave
De collateral richtlijn (R&P nr. FR12) 2015/2.2.3.2.1
2.2.3.2.1 Effecten aan toonder en effecten op naam
Dr. J. Diamant, datum 27-10-2014
- Datum
27-10-2014
- Auteur
Dr. J. Diamant
- JCDI
JCDI:ADS369165:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze ontwikkeling uitgebreid Haentjens 2007, p. 29 e.v. met verdere verwijzingen en Blom 1998, Schim 2006, p. 13 e.v. en Wibier 2014.
Effecten aan order komen in de praktijk niet of nauwelijks voor, zie bijvoorbeeld Rank 2001, p. 26.
Zie Haentjens 2007, p. 30.
In Nederland zijn effectenbewaarbedrijven – dat zijn aparte vennootschappen die uitsluitend de bewaring van effecten tot doel hebben en geen economisch of commercieel risico lopen – opgericht door banken om de kans op insolventie van de bewaarder zoveel mogelijk terug te dringen (dit zogenaamde intermediairy risk komt verderop in deze paragraaf aan de orde), zie Mijnssen 1975, p. 200 en Rank 1997.
HR 12 januari 1968, NJ 1968/274.
Zie over de positie van de belegger bij insolventie van de intermediair in verschillende jurisdicties Haentjens 2007, p. 75 (Belgisch recht) en p. 149 e.v. (Nederlands recht).
In Nederland is dit gebeurd met de inwerkingtreding van de Wet giraal effectenverkeer. De Duitse equivalent is het Depotgesetz. In België komen beleggers een goederenrechtelijke aanspraak toe op grond van het Gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten en de Wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium.
Het uitgangspunt naar Engels recht is dat de aanspraak van de belegger afhangt van hetgeen partijen overeengekomen zijn. Doorgaans zal de intermediair echter een trustee zijn met betrekking tot de effecten voor de belegger, zie Goode/Gullifer 2013, nr. 6.16.
Goode/Gullifer 2013, nr. 6.17.
Idem.
In de vorige paragraaf kwam aan de orde dat het girale geld het chartale geld verdrongen heeft. Bij effecten heeft zich een vergelijkbare ontwikkeling voorgedaan.1 Oorspronkelijk werden effecten rechtstreeks door de beleggers op naam of aan toonder gehouden (directly held securities).2 Bij effecten op naam staat de belegger ingeschreven in het register van de uitgevende instelling, bijvoorbeeld een aandeelhoudersregister of schuldregister, of is het recht op een vergelijkbare wijze in de administratie van de uitgevende instelling vastgelegd. Voor de overdracht van effecten op naam is in ieder geval vereist dat de verkrijger als rechthebbende wordt ingeschreven in de boeken van de uitgevende instelling. Bij effecten aan toonder is het recht van de belegger belichaamd in het papier. Effecten aan toonder worden behandeld als roerende zaken.3 Dit betekent dat effecten aan toonder kunnen worden overgedragen door bezitsverschaffing van het toonderpapier aan de verkrijger. Aangezien geen wijziging in de administratie van de uitgevende instelling vereist is, kunnen effecten aan toonder in vergelijking met effecten op naam relatief eenvoudig verhandeld én in zekerheid gegeven worden.
Om het risico op tenietgaan en diefstal te verminderen, gaven beleggers toondereffecten in bewaring aan banken.4 De aanspraak van de belegger werd in dat geval weergegeven door een tegoed op een rekening. Effecten konden daardoor verhandeld worden door middel van girale boekingen in de administratie van banken zonder dat het toonderpapier van hand tot hand ging. Dit bevorderde de handel in effecten aanzienlijk.
Bij de bewaring van toondereffecten lieten banken nummeradministratie vaak achterwege vanwege de daarmee gepaardgaande administratieve lasten en dus kosten. Het gevolg daarvan was dat de belegger zijn goederenrechtelijke aanspraak op het toonderpapier verloor omdat deze slechts kan bestaan ten opzichte van geïndividualiseerde – en dus niet slechts naar soort of hoeveelheid bepaalde – goederen. De gevolgen hiervan deden zich in het bijzonder gevoelen wanneer de bank waar de effecten werden bewaard, failliet ging. Een goede illustratie van deze problematiek biedt het Teixeira de Mattos-arrest.5 De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat
“deze certificaten, die deel uitmaken van de algemene effectenvoorraad van Teixeira [de bank, toevoeging JD], welke ook met betrekking tot de onderhavige soort stukken voortdurend aan wisseling onderhevig is geweest, en t.a.v. welke certificaten niet is kunnen worden vastgesteld dat zij dezelfde zijn als de door Mulder en Peijnenburg in bewaring gegeven stukken en evenmin dat Teixeira deze is gaan houden voor Mulder en Peijnenburg hetzij afzonderlijk hetzij tezamen, moeten gelden als eigendom van Teixeira (…)”.
Aangezien de beleggers, Mulder en Peijnenburg, niet konden bewijzen dat de effecten in de kluis van de bank de effecten waren die zij aan de bank in bewaring hadden gegeven, moest de bank als eigenaar gelden. De beleggers trokken dus aan het kortste eind: door oneigenlijke vermenging verloren zij hun goederenrechtelijke aanspraak, zodat zij concurrent crediteur waren in het faillissement van de bank.
Dit probleem speelde niet alleen in Nederland. Vele rechtsstelsels werden met dit probleem geconfronteerd en hebben naar oplossingen gezocht om te voorkomen dat de bewaargever in het geval van insolventie van de bewaarnemer met lege handen komt te staan (ook wel aangeduid als het intermediary risk).6 De meeste civil law-jurisdicties hebben gekozen voor de invoering van bijzondere wetgeving op basis waarvan degene die de effecten in bewaring geeft tezamen met degenen die soortgelijke effecten in bewaring geven, mede-eigenaar wordt van alle effecten van die soort die onder de bewaarnemer rusten.7
Naar Engels recht houdt de intermediair de effecten in beginsel onder trustverband voor de belegger.8 De intermediair is trustee en de belegger beneficiary van de trust. Laatstgenoemde komt ‘a proprietary right in the form of coownership of the pool of securities held by the intermediary from the issuer direct or through its account with a higher-tier intermediary’9 toe. Wanneer een intermediair via een andere intermediair hoger in de keten effecten houdt bij een (I)CSD voor de belegger, is de eerstgenoemde intermediair (de lower-tier intermediary) een sub-trustee. Op die manier ontstaat een keten van trustees. De positie van de belegger als beneficiary van de trust beschermt hem tegen het intermediary risk:
“The effect of the co-ownership interest is that if the intermediary becomes insolvent the securities held for its customers belong in equity to them and do not form part of the intermediary’s estate available to its creditors. The intermediary is thus a trustee for its customers who are the beneficial co-owners of the pool of securities held on their behalf (…).”10