Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.5.3
7.5.3 Zeggenschap leidend bij andere kanaliseringsconstructies dan art. 6:181
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302823:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook reeds par. 3.5.1.
Zo ook de beheerder van spoorweginfrastructuur (art. 8:1661 lid 2). Meest modern in dit verband is de wetgeving over de aansprakelijkheid van de beheerder van een waterstaatswerk, zie Kamerstukken II 34 436, 2015/16, 3, p. 13 en 62; Kamerstukken I 34 436, 2016/17, B, p. 1-2. Illustratief is ook Parl. gesch. Boek 6, p. 759-760 over leidingen: kwalitatief aansprakelijk is degene die met onderhoud is belast en zorg heeft te dragen voor reparatie en vervanging van de leiding. Lid 3 van art. 6:175 betreffende gevaarlijke stoffen in een leiding, dat op de aansprakelijkheid van de leidingbeheerder in art. 6:174 lid 2 is afgestemd, berust op dezelfde gedachte. Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 44.
Zie ook reeds par. 3.5.1.
Kamerstukken II 1998-1999, 26219, 3, p. 103-104.
Zo ook de bedrijfmatige gebruiker van spoorvoertuigen (art. 8:1661 lid 1).
Zie voor openbare wegen Parl. gesch. Boek 6, p. 756-757 en 761; Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1393. Zie voor leidingen Parl. gesch. Boek 6, p. 759-760 en voor kabels Kamerstukken II 2005/06, 30475, 3, p. 42. Zie voor waterstaatswerken Kamerstukken II 2015/16, 34436, 3, p. 13 en 62.
Vgl. de tenzij clausule in het slot van lid 1 van art. 6:181 voor (bovengrondse) opstallen. In deze zin ook Hekster 2003, p. 351-354. Zie ook par. 7.6.5.2.
Eenzelfde geldt voor bovengrondse opstallen: hangt het be- of ontstaan van het gebrek niet samen met de bedrijfsvoering, dan dient de benadeelde zich toch te verdiepen in interne/achterliggende verhoudingen. Zie par. 7.6.5.1 e.v.
Lid 2 van art. 6:174 spreekt van: ‘behalve voor zover de kabel of leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk.’ Lid 3 van art. 6:175 is hierop afgestemd en kent eenzelfde zinsnede.
Parl. gesch. Boek 6, p. 759-760.
Zie ook reeds par. 3.5.2.
Klaassen 1991, p. 92-93 onderschrijft de keuze van de wetgever voor een aansprakelijkheid van de ouders in plaats van het jonge kind, maar de motivering die naar het aspect zorg verwijst niet. Daarmee wordt volgens haar ten onrechte gesuggereerd dat de aansprakelijkheid is gebaseerd op een door hen geschonden zorgplicht. Ik deel deze kritiek niet, omdat het genoemde aspect van zorg ziet op het aanwijzen van de aansprakelijke persoon, niet op het karakteriseren van diens gedrag. Zo berust blijkens Parl. gesch. Boek 6, p. 678 de ‘risicoaansprakelijkheid’ van art. 6:169 lid 1 ook op zorg voor het kind: de ouder/voogd is de kwalitatief aansprakelijke, omdat deze wordt geacht het beste in staat te zijn invloed uit te oefenen op aan een jong (‘onberekenbaar’) kind verbonden risico’s.
Parl. gesch. Boek 6, p. 768; Klaassen, p. 91-93.
Parl. gesch. Boek 6, p. 752, 756 en 766.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/213. Zie ook art. 6:189, dat een hoofdelijke aansprakelijk met zich brengt indien meerdere personen tegelijkertijd als ‘producent’ (art. 6:187 lid 2-4) hebben te gelden. De producent van een grondstof en fabrikant van een onderdeel gaan echter vrijuit indien zij kunnen aantonen dat hun onderdeel niet gebrekkig was. Alsdan draagt toch enkel de ‘hoofdproducent’ de kwalitatieve aansprakelijkheid (art. 6:185 lid 1 sub f) omdat ook alleen hij als ‘(eind)verantwoordelijk’ voor de schade heeft te gelden. Zie in deze zin ook Jansen 2007, p. 173.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 9, 24; Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 21.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 10, 24; Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 21.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 43. Vgl. Parl. gesch. Boek 6, p. 747 over de onvoldoende sprekende band die een bewaarder van zaken en dieren volgens de toelichting met deze gevaarsobjecten heeft om een kwalitatieve aansprakelijkheid te rechtvaardigen. Of de bewaarder van zaken en dieren in verhouding tot de bezitter werkelijk niet in een betere positie verkeert invloed op de daaraan verbonden risico’s uit te oefenen en schade te voorkomen, komt in par. 7.6 aan de orde.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 9-10, 24-25; Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 21.
Dat bij de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen op voet van art. 6:175 zeggenschap het voornaamste aanknopingspunt ter aanwijzing van de aansprakelijke vormt, lijkt van directe betekenis voor art. 6:181. Lid 3 van art. 6:181 is immers een uitwerking van art. 6:175 voor gevallen waarin sprake is van terbeschikkingstelling van gevaarlijke stoffen. Nu art. 6:181 lid 3 nadrukkelijk is geïnspireerd op lid 2 van art. 6:181 terwijl deze laatste bepaling weer een uitwerking van lid 1 van art. 6:181 is, lijkt het ook hierom in de rede te liggen dat binnen het gehele art. 6:181 zeggenschap de richtingwijzer is bij het aanwijzen van de aansprakelijke persoon.
Ontleend aan Bauw, p. 50.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 45. Spier en Sterk 1995, p. 55. Art. 6:174 lid 3 en art. 6:177 lid 4, die aanknopen bij het moment van het bekend worden van de schade, maken het wel mogelijk dat een exploitant aansprakelijk is voor schade die niet hij, maar een van zijn voorgangers heeft veroorzaakt. Kamerstukken II, 1998/99, 26219, 3, p. 103.
De benadeelde kan kiezen of hij zijn vordering baseert op art. 6:173/174 dan wel art. 6:175-177, zolang deze maar wordt gericht tot de persoon die ingevolge art. 6:175-177 aansprakelijk is.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 50-51.
Het gaat om de in art. 6:176 bedoelde exploitant ten opzichte van de in art. 6:173 bedoelde bezitter van de zaak en de in art. 6:175 lid 1-2 bedoelde gebruiker of bewaarder van de gevaarlijke stof.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 54.
De stelling dat ‘zeggenschap’ richtinggevend is voor de toepassing van art. 6:181, vindt nadere adstructie in een analyse van de diverse andere kanaliseringsconstructies binnen afd. 6.3.2 en 6.3.3 BW dan art. 6:181. De essentie van deze constructies blijkt namelijk steeds hetzelfde te zijn: beoogd wordt de aansprakelijkheid te leggen bij degene die wordt geacht het beste in staat te zijn invloed uit te oefenen op de aan de verschillende ‘gevaarsobjecten’ verbonden risico’s. Zo wordt op grond van art. 6:174 lid 2, tweede zin, de aansprakelijkheid voor openbare wegen, waterstaatswerken, leidingen en kabels gekanaliseerd naar de beheerder van deze zaken.1 Het wordt namelijk ‘redelijker’ geacht niet de (toevallige) eigenaar van de grond als eigenaar/bezitter van deze objecten – door natrekking – met de kwalitatieve aansprakelijkheid te belasten, maar degene die ervoor moet zorgdragen dat zij in goede staat verkeren en die ook bevoegd is (voorzorgs)maatregelen te treffen.2 De kanaliseringsconstructie betreffende ondergrondse werken van art. 6:174 lid 3 past in eenzelfde gedachtegang.3 Degene die een ondergronds werk exploiteert, draagt volgens de toelichting ‘een grotere mate van verantwoordelijkheid’ voor het ontstaan van door dit werk aangerichte schade dan de (toevallige) eigenaar/bezitter van de bovengrond.4 De exploitant van een ondergronds werk wordt geacht de daaraan verbonden risico’s met zijn activiteiten ‘op te wekken’.5 Achter zeggenschap als dominante factor gaan andere aspecten als ondersteunend schuil, zoals het (praktische) aspect van het ten behoeve van benadeelden vergemakkelijken van de opspoorbaarheid van de aansprakelijke persoon. De toelichting geeft aan dat moet worden voorkomen dat voordat een aanspraak geldend gemaakt kan worden, de benadeelde te rade moet gaan bij de regels van natrekking ten opzichte van de onder- of bovengrond.6 Leidend is dit aspect echter niet, aangezien in geval van schade gedurende bedrijfsmatig gebruik van een ondergronds werk (art. 6:174 lid 3) door een gebrek dat niet (voldoende) samenhangt met de bedrijfsvoering, de aansprakelijkheid op de bezitter ex art. 6:174 lid 1 rust.7 Alsdan is de exploitant namelijk niet ‘verantwoordelijk’ te achten voor het ontstaan van de schade en dient de benadeelde zich toch in de regels van natrekking te verdiepen.8 Eenzelfde geldt ingeval een in art. 6:174 lid 2 bedoelde leiding een functionele eenheid vormt met een gebouw of werk; alsdan ligt de aansprakelijk voor de leiding niet bij de leidingbeheerder maar bij de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker van de opstal (art. 6:174 lid 1 en 181).9 De invloedssfeer van de leidingbeheerder strekt zich namelijk niet uit tot leidingen die met een gebouw een functionele eenheid vormen: in geval van schade door dergelijke leidingen wordt de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker geacht daarop de meeste invloed te hebben gehad.10
De kanaliseringsconstructies die de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 als kwalitatief aansprakelijke ‘inwisselen’ voor bepaalde ‘bijzondere’ personen, berusten evenzeer op aspecten van zorg en zeggenschap.11Is geen sprake van bedrijfsmatig gebruik in de zin van art. 6:181, dan wordt het in bepaalde gevallen toch niet ‘billijk’ geacht de bezitter van de zaak met de aansprakelijkheid te belasten, omdat een ander – de ‘bijzondere’ persoon – geacht wordt daarmee een meer ‘sprekende band’ te hebben en uit dien hoofde – in vergelijking met de eigenaar/bezitter – in de beste positie te verkeren invloed op de aan de zaak verbonden risico’s uit te oefenen. Geeft de eigenaar een opstal in erfpacht uit, dan is het de erfpachter (art. 6:174 lid 2, eerste zin) en niet langer de eigenaar die de meest ‘sprekende band’ met de opstal heeft. Wordt een in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde zaak onder eigendomsvoorbehoud geleverd, dan heeft vanaf de overdracht de verkrijger en niet langer de eigenaar/vervreemder de ‘meest sprekende band’ met deze zaak. In plaats van het jonge kind is voor de in art. 6:173 en 179 bedoelde zaken diens ouder/voogd aansprakelijk, aangezien deze op een behoorlijke zorg voor de zaak door het kind heeft toe te zien dan wel zelf de benodigde zorg moet uitoefenen.12
De in art. 6:174 bedoelde opstallen zijn hier buiten gehouden om in geval van daardoor veroorzaakte schade verhaal op het gebouw of werk niet te frustreren.13 Tot slot breidt lid 1 van art. 6:180 de aansprakelijkheid voor de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken uit naar medebezitters, aangezien iedere medebezitter wordt geacht in dezelfde (zorg)relatie tot de schadeveroorzakende zaak te staan. Dat met een dergelijke hoofdelijke aansprakelijkheid tevens wordt voorkomen dat de benadeelde onderzoek moet doen naar het aantal medebezitters en ieders aandeel in de zaak,14 betreft een (praktisch) aspect dat als ondersteunend achter de dominante factor van zorg en zeggenschap schuil gaat.
De kanalisering van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken naar de producent (afd. 6.3.3. BW) berust eveneens op aspecten van zorg en zeggenschap. De aansprakelijkheid wordt namelijk alleen naar de producent gedirigeerd in geval van schade door productiegebreken, niet in geval van schade wegens gebreken die zijn ontstaan nadat het product in het verkeer is gebracht (art. 6:173 lid 2 jo. 6:185 lid 1 sub b). Deze ‘klevende’ aansprakelijkheid van de producent – hij blijft dé aansprakelijke voor een zaak met een productiegebrek ongeacht de verdere lotgevallen daarvan –15staat op gespannen voet met de gedachte van de gemakkelijke achterhaalbaarheid van de aansprakelijke persoon.16 Toch is voor dit systeem gekozen, omdat de producent beslissende invloed heeft op tijdens het productieproces ontstane gebreken, terwijl voor het nadien ontstaan van gebreken de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173 en 181 – door het gebruik dat deze van de zaak maakt – wordt geacht ‘de grootste mate van verantwoordelijkheid’ te dragen.17
Aspecten van zorg en zeggenschap zijn ook richtinggevend bij het aanwijzen van de aansprakelijke persoon voor gevaarlijke stoffen (art. 6:175). De aansprakelijkheid wordt namelijk telkens gelegd op degene ‘in wiens handen’ de stof zich bevindt op het moment van de schadeveroorzaking (beroeps- of bedrijfmatige gebruiker, bewaarder, vervoerder of andere ‘ondernemer’ die de stof onder zich houdt).18 Daarmee ligt de aansprakelijkheid steeds bij degene die op een ‘verantwoorde behandeling’ van de stof, de zaak of het vervoermiddel waarin deze zich bevindt ‘rechtstreeks invloed’ heeft, aldus de toelichting.19 De aansprake lijkheid rust steeds op degene die de meest ‘sprekende band’ met de stof heeft.20 Ook hier rust de aansprakelijk dus steeds op degene die, gebaseerd op nabijheid of betrokkenheid, wordt geacht in de beste positie te verkeren invloed op de risico’s uit te oefenen en schade te voorkomen. Hierachter gaan als ondersteunend schuil de wel in de wetsgeschiedenis genoemde (praktische en economische) aspecten van achterhaalbaarheid van de aansprakelijke persoon en verzekering.21 Zo is gedurende de parlementaire totstandkoming de ‘verlegging’ van aansprakelijkheid van de gebruiker (art. 6:175 lid 1) naar de bewaarder (art. 6:175 lid 2) wel verdedigd met de stelling dat gebreken in opslagtanks waarin de gevaarlijke stoffen worden bewaard ingevolge art. 6:174 jo. 181 ook voor rekening van de bewaarder zullen komen. Dit is echter maar zeer de vraag, omdat gezien de tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen regelmatig niet op de bewaarder als ‘toevallige’ gebruiker maar op de bezitter zal rusten.22
Dat een (praktisch) aspect als opspoorbaarheid het onderspit delft ten opzichte van de dominante factor van ‘verantwoordelijkheid’/zeggenschap, blijkt treffend uit de kanaliseringsregel van lid 4 van art. 6:175. Wanneer iemand gevaarlijke stoffen in verpakte toestand in water of bodem dumpt, kan de milieuschade zich pas lange tijd nadat deze persoon zich van de stoffen heeft ontdaan verwezenlijken (bijv. een bezwijkende verpakking). Ondanks dat voorzienbaar is dat de persoon die de stoffen heeft achtergelaten – deze zal naar alle waarschijnlijkheid in ieder geval zelf trachten onvindbaar te blijven – moeilijk te achterhalen zal zijn, doet lid 4 van art. 6:175 de aansprakelijkheid toch op deze persoon rusten. De toelichting geeft er blijk van te beseffen dat het opsporen van de aansprakelijke persoon nogal problematisch kan zijn,23 maar toch is ervoor gekozen ‘de echte boosdoener’24 – en bijvoorbeeld niet de (toevallige) grondeigenaar – aansprakelijk te achten.25
Kenmerk van de kanaliseringsconstructie in lid 5 van de art. 6:175-177 is evenzeer dat de aansprakelijkheid wordt geleid naar de persoon die als ‘eind- of hoofdverantwoordelijke’ voor het ontstaan van de schade heeft te gelden. Met de regeling wordt beoogd samenloop van deze ‘milieuaansprakelijkheden’ zoveel mogelijk te voorkomen, zowel onderling als in relatie tot art. 6:173 en 174.26 Lid 5 van de art. 6:175-177 kanaliseert de aansprakelijkheid steeds naar kort gezegd de ‘oerlaedens’. Wanneer een gevaarlijke stof schade veroorzaakt, zal het niet zelden zo zijn dat deze schade mede een gevolg is van een gebrek in een roerende zaak of opstal, dan wel dat dit mogelijk is, maar niet precies kan worden vastgesteld.27 De aansprakelijkheid uit art. 6:173 en 174 ‘behoort’ volgens de toelichting dan te rusten op degene die ex art. 6:175 aansprakelijk is voor de gevaarlijke stof, omdat ondanks een mogelijk gebrek in een roerende zaak of opstal het de stof is (háár schadelijke eigenschappen) die de schade uiteindelijk heeft aanricht. Is een roerende zaak of gevaarlijke stof gestort op een legale stortplaats (art. 6:176 lid 5), dan rust de kwalitatieve aansprakelijkheid exclusief op de exploitant van de stortplaats.28 Het is immers laatstgenoemde die vanaf het moment van de storting in de beste positie verkeert invloed op de aan de zaak of stof verbonden risico’s uit te oefenen.29 Ontstaat door bodembeweging een schadeveroorzakend gebrek in een roerende zaak of opstal dan wel komt daardoor een gevaarlijke stof vrij, dan rusten de aansprakelijkheden van art. 6:173, 174 en 175 exclusief op de exploitant van het mijnbouwwerk (art. 6:177 lid 5).30 Ook zodoende rust de aansprakelijk op degene die wordt geacht ‘de grootste mate van verantwoordelijkheid’ voor de aangerichte schade te dragen.