Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.3.3.2
9.3.3.2 Bewijs van de grondslag nog wel, maar bewijs van conditio sine qua non-verband niet meer mogelijk
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365305:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Akkermans (2002), p. 115. Overigens zou ik geneigd zijn om aan de inherente onbewijsbaarheid van de vergelijkingshypothese als motief om claimanten in het bewijs van causaal verband tegemoet te komen, nog toe te voegen het normatieve argument dat wanneer iemand jegens een ander 'fout heeft gehandeld', en die fout de schade kan hebben veroorzaakt, de gedaagde dus alles heeft gedaan om de schade te veroorzaken, het eenvoudig onrechtvaardig is het risico dat het verband tussen de fout en de schade niet bewezen kan worden, voor rekening van de claimant te brengen. Zie hierover nader, met rechtsvergelijkende beschouwingen, Akkermans, diss., p. 58.
Giessen, diss., p. 116 en voetnoot 33 en Akkermans (2002), p. 115, noot 419.
BR 17 februari 2006, RvdW 2006, 204, r.o. 4.8.
Akkermans (2002), p. 121.
Voor een gemotiveerde bijval is dit boek niet de plaats. Overigens zou van die motivering onderdeel uitmaken de opmerking dat 'de normale gang van zaken' een nogal problematisch criterium is, maar zich geen beter laat verzinnen.
Wat wel reeds hier nadere behandeling behoeft is een andere aanmerking op het eenvoudige onderscheid tussen mogelijkheid en de onmogelijkheid het debat nog te voeren. Die aanmerking is dat er nog een derde, tussen de uitersten mogelijk/onmogelijk gelegen categorie is, namelijk die waarin vast staat dat de aangesprokene jegens de eiser een onrechtmatige daad of wanprestatie heeft gepleegd, het te oordelen naar de wel bekende feiten ook heel goed mogelijk is dat conditio sine qua non-verband bestaat tussen de onrechtmatige handeling en de schade, maar het de crediteur door tijdsverloop niet meer mogelijk is dat verband nog werkelijk te 'bewijzen'.
Ik zou menen dat in die situatie de vordering niet verjaard moet worden geacht, en het processuele debat nog gevoerd moet worden. Dat lijkt op het eerste gezicht een merkwaardige stelling: als men oordeelt dat ten aanzien van conditio sine qua non-verband de discussie niet goed meer mogelijk is, hoe zou dan ooit nog tot toewijzing van de vordering geconcludeerd kunnen worden? Bewijs van causaal verband is immers een vereiste voor toewijzing.
Die laatste constatering is in beginsel juist; zij vloeit voort uit de hoofdregel van art. 150 Rv die voorschrijft dat de partij die zich op het rechtsgevolg van een feit beroept, dat feit moet bewijzen. Maar die hoofdregel wordt in art. 150 Rv. gevolgd door de mededeling dat de redelijkheid en billijkheid en andere verdeling met zich mee kunnen brengen. En als de grondslag inderdaad vaststaat, verschuift de bewijslast veelal inderdaad. Akkermans schrijft hierover:
" (...) [W]armeer men de rechtspraak in zijn geheel overziet, verrijst daaruit het beeld dat de rechter eigenlijk bijna altijd wanneer het er werkelijk toe doet, de benadeelde tegemoet komt bij het bewijs van schade en conditio sine qua non-verband. Zodra vaststaat dat jegens de benadeelde een wanprestatie of onrechtmatige daad werd gepleegd, maar hij bewijsproblemen ondervindt met betrekking tot schade of conditio sine qua non-verband welke "uit de aard der zaak" voortvloeien (en dus niet in bijzondere, voor zijn risico komende omstandigheden zijn gelegen), lijkt de rechter telkens bereid te zijn om hem op een of andere wijze in zijn bewijsnood tegemoet te komen. (...)
(...) De rechter presenteert zijn beslissingen daarover weliswaar doorgaans als gebaseerd op de omstandigheden van het geval, maar welbeschouwd is er een structurele achtergrond: de inherente onbewijsbaarheid van de vergelijkingshypothese. Gaat deze bewijslastverlichting zover dat het uitgangspunt van artikel 150 Rv op dit terrein de facto zijn status als hoofdregel heeft verloren? [Ik meen] dat dit inderdaad het geval is, en dat voor het gehele terrein van het bewijs van schade en causaliteit een bepaalde uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 kan worden geformuleerd."1
Uit de observatie dat de rechter de benadeelde bewij srechtelijk tegemoet komt zodra de aansprakelijkheidsgrond vaststaat, vloeit het punt voort dat ik wil maken: als wij in het algemeen vinden dat de notoir problematische bewijsbaarheid van conditio sine qua non-verband niet a priori voor rekening van de benadeelde moet komen, dan is er geen reden om, nadat die moeilijkheid door tijdsverloop nog verder is toegenomen, ineens anders te concluderen. Dat laatste is echter wel waar de verjaring van de vordering wegens teloorgang van bewijsmiddelen op neer zou komen.
Eerder in deze paragraaf suggereerde ik als regel te aanvaarden dat na twintig jaar de vordering verjaard is, tenzij de bewijsmiddelen de tand des tijds zozeer hebben weerstaan dat waarheidsvinding toch nog mogelijk is. Naar aanleiding van de voorgaande alinea's zou daar aan moeten worden toegevoegd dat aan het oordeel dat waarheidsvinding nog mogelijk is, niet in de weg staat dat de middelen ten bewijze van conditio sine qua non-verband tussen onrechtmatigheid en schade teloor zijn gegaan.
Maar dan? Als de vordering niet verjaard is, maar het conditio sine qua non-verband niet meer kan worden vastgesteld, hoe moet de rechter de vordering dan beoordelen?
Ten eerste: Cruciaal bij beantwoording van die vraag is het besef dat (hoge mate van) onzekerheid over conditio sine qua non-verband in de praktijk zeer veel voorkomend is. Indien de rechter daartoe aanleiding ziet, en dat doet hij zoals blijkt uit het bovenstaande citaat in heel veel gevallen waarin de aansprakelijkheid vaststaat, dan kan hij door middel van concepten als de verzwaarde stelplicht, voorshandse aannemelijkheid, bewijslastverlichting en zelfs omkering van de bewijslast de eiser tegemoet komen. Dat hij die instrumenten buiten substantieel tijdsverloop nodig heeft, vloeide voort uit de intrinsiek problematische bewijsbaarheid van het causaal verband. Als die op zichzelf problematische bewijsbaarheid nog verder wordt bemoeilijkt door substantieel tijdsverloop, kan dat reden te meer vormen om die middelen aan te wenden.
Ten tweede: bepleitbaar is dat het tijdsverloop op zichzelf reden vormt om aan bewijs minder hoge eisen te stellen dan gebruikelijk is. De rechter moet een "redelijke mate van zekerheid" hebben. Dat is een rekbaar begrip. Men ziet dat het in de rechtspraak onder verschillende omstandigheden een verschillende invulling krijgt. Zo wordt, om bij ons onderwerp te blijven, uit de rechtspraak duidelijk dat aan het vereiste van een "redelijke mate van zekerheid" ten aanzien van causaal verband veel eerder is voldaan dan ten aanzien van feiten die de grondslag van de aansprakelijkheid moeten vormen.2Ik zou ervoor pleiten om die "redelijke mate van zekerheid" ook eerder aan te nemen als het bereiken van de "gewoonlijk" vereiste mate van zekerheid door tijdsverloop onmogelijk is geworden. Die opvatting lijkt ook steun te vinden in rechtspraak van de Hoge Raad. Oordelend over de grondslag van aansprakelijkheid van de werkgever overweegt hij:
"Ingevolge art. 7:658 lid 2 BW rust op [de werkgever] de bewijslast en daarmee het bewijsrisico ter zake van de juistheid van haar verweer. Met het oog op de omstandigheid dat het hier gaat om een situatie van thans veertig jaar geleden, mogen aan het bewijs geen hoge eisen worden gesteld."3
Wat moet dus de rechter met de niet-verjaarde vordering waarin de tijd het bewijs omtrent conitio sine qua non-verband danig heeft bemoeilijkt? Akkermans stelt dat de hoofdregel van art. 150 RV de rechtswerkelijkheid op het punt van bewijs van causaal verband niet goed weergeeft, en suggereert de volgende alternatieve regel:
"De vraag of door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een bepaalde schade is veroorzaakt, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke situatie na deze gedraging met de hypothetische situatie bij wegdenken van die gedraging. Met betrekking tot de feitelijke situatie rust het bewijs in beginsel op degene die stelt door die gedraging schade te hebben geleden; met betrekking tot de hypothetische situatie rust het bewijs op degene die zich beroept op een afwijking van de normale gang van zaken. Aan dit laatste bewijs worden geen strenge eisen gesteld."4
Ik onderschrijf die regel5 en meen dat hij ook bruikbaar is in gevallen waarin de vordering is gebaseerd op een zeer oud feitencomplex, met dien verstande dat wegens het bijkomende aspect van teloorgang van bewijs wegens tijdsverloop aan het bewijs nog minder strenge eisen kunnen worden gesteld dan toch al het geval is bij conditio sine qua non-verband.