Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.4.4.3:9.4.4.3 Het overleggen van de individuele transactieoverzichten
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.4.4.3
9.4.4.3 Het overleggen van de individuele transactieoverzichten
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655775:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover reeds De Jong 2010, p. 291-292.
Zie in dit verband ook Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022 (Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a.), r.o. 2.51. De volgende zin uit deze rechtsoverweging acht ik overigens onjuist: ‘Eerst indien deze schade van DDM niet voor vergoeding in aanmerking komt (…), zal de aan Van Gelderen te vergoeden schade moeten worden verminderd met het bedrag waarvoor hij als aandeelhouder van DDM mogelijk heeft geprofiteerd van de te hoge koopprijs.’ (curs. ACWP)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Behoudens het modelleren van de hypothetische koerslijn, is voor het begroten van de schade tevens vereist dat de eisende beleggers inzicht geven in de verschillende aan- en verkooptransacties die zij over het tijdvak van de misleiding in het litigieuze aandeel hebben verricht.1 In concreto houdt dit in dat iedere belegger individueel moet aantonen hoeveel effecten hij op welk moment in het tijdvak van de misleiding heeft gekocht en ook moet iedere belegger individueel aantonen dat hij deze effecten tot ten minste na de bekendwording van de misleiding heeft aangehouden. Voor zover de eisende belegger in het tijdvak van de misleiding tevens effecten heeft verkocht, moet hij daarnaast laten zien wanneer deze verkooptransacties precies hebben plaatsgevonden. En voor zover de eisende belegger wel kan aantonen op welk moment hij in het tijdvak van de misleiding effecten heeft gekocht, maar hij niet kan (of wil) aantonen dat hij deze effecten tot na de bekendwording van de misleiding heeft aangehouden, mag in het processuele debat mijns inziens in beginsel tot uitgangspunt worden genomen dat deze effecten vrijwel meteen na aankoop weer van de hand zijn gedaan. Voor de laatstgenoemde effecten heeft dan dus in beginsel te gelden dat daarop geen schade is geleden.
Wanneer de individuele transactiegegevens eenmaal bekend zijn, is het begroten van de schade per individuele belegger vervolgens eigenlijk een kwestie van ‘simpel boekhouden’. De totale schade die feitelijk is geleden op effecten die de eisende belegger tot ten minste na de bekendwording van de misleiding heeft aangehouden, is gelijk aan de door de belegger betaalde koersinflatie op het moment van aankoop vermenigvuldigd met het aantal gekochte effecten. En de totale schade die feitelijk is geleden op effecten die de eisende belegger vóór de bekendwording van de misleiding weer heeft verkocht, is gelijk aan de koersinflatie op het moment van aankoop minus de koersinflatie op het moment van verkoop, en dat bedrag vermenigvuldigd met het desbetreffende aantal effecten.2 Ik wijs erop dat het uiteraard niet zo hoeft te zijn dat het aldus vastgestelde schadebedrag ook daadwerkelijk (volledig) voor vergoeding in aanmerking komt. De gedaagde staan namelijk nog verschillende verweren uit hoofde van afdeling 6.1.10 BW ten dienste om zijn schadevergoedingsverplichting te (laten) verminderen. Voor een bespreking van de processuele mogelijkheden die de gedaagde in dit verband heeft, verwijs ik naar § 9.4.5.