Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/19.4.2.1
19.4.2.1 "Misleidendheid" in de zin van art. 6:194 BW
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS576682:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kamerstukken II, 1975/1976, 13 611, nr. 3, p. 10, eveneens geciteerd door Jansen/ SchreuderNerhagen (2003), p. 22-23 en Pijls (2008), p. 346. Zie ook de verwijzing van Pijls (2008), p. 346 naar een passage in de MvA dat de grens van het toelaatbare in ieder geval wordt overschreden 'wanneer zodanig nadelige eigenschappen of aspecten worden verwegen dat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat een gemiddelde consument in de categorie tot welke de reclame is gericht, niet tot de transactie betreffende het aangeprezen goed of de aangeprezen dienst zou zijn overgegaan, als hij daarvan wel weet zou hebben gehad.' (Kamerstukken 1978/1979, 13611, nr. 6, p. 24).
Hierover Pijls (2008), p. 346, die opmerkt dat de Hoge Raad zich sinds 1980 tot 2007 slechts tien keer heeft moeten buigen over zaken die zagen op de regeling over misleidende reclame (hetgeen derhalve mede omvat zaken over 'misleidende' prospectussen). In 2008 en 2009 zijn daar 2 zaken over prospectusaansprakelijkheid bijgekomen, zoals hierna zal worden besproken.
Hoge Raad 30 mei 2008, JOR 2008/209 m.nt. B.J. de Jong. Hierover ook: Pijls/Vletter-van Dort (2008).
Hoge Raad 27 november 2009, LJN: BH2162.
R.o. 4.2. Zoals door verschillende auteurs is opgemerkt legde de Hoge Raad in dit arrest voor het eerste dit criterium aan. Vgl. B.J. De Jong in onderdeel 4 van zijn annotatie (JOR 2008/209) en Pij1sNletter-van Dort (2008), p. 366. Zie over dit criterium: Hirdes/Lunsingh Scheurleer (2008).
R.o. 4.10.3.
Bijvb. in de uitspraak van 16 juli 1998, zaak C-210/96, NJ 200, 374 (Gut Springenheide). Zie voor andere verwijzingen naar Europese uitspraken Pijls/Vletter-van Dort (2008), p. 366. Aan deze maatstaf werd ook reeds gerefereerd door de A-G in zijn conclusie vóór het VEB/World Online-arrest (onderdeel 4.7.2) en door de Hoge Raad in de arresten over effectenlease producten (de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 tegen Dexia Bank Nederland N.V. en Aegon Bank N.V., JOR 2009/199 en 2009/200, beiden m.nt. C.W.M. Lieverse, in resp. r.o. 4.5.3 en r.o. 4.3.5). Over deze laatste arresten: Pijls (2009d).
Vgl. de voorheen in art. 1i, lid 2, Bte 1995 — thans in art. 5:13 lid2 Wft — opgenomen passage dat de gegevens in het prospectus 'worden gepresenteerd in een vorm die voor een redelijk geïnformeerd en zorgvuldig handelend persoon begrijpelijk zijn.'
In de vorm van 'de gemiddelde consument' in art. 6:193b lid 2 BW en 6:193a lid 2 BW. Hierover: Verkade (2009), p. 30-33.
Pijls (2008), p. 246, met een verwijzing naar A-G Verkade in zijn conclusie vóór Hoge Raad 23 november 2007, LIN: BB5073. Zie voor een overzicht van factoren die mee kunnen brengen dat — meer in het algemeen — een reclame-uiting misleidend is: Geerts/Vollebregt (2009), p. 61 e.v.
Resp. Rechtbank Amsterdam 17 december 2003, JOR 2004/79, Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154, beiden m.nt. M.W. Den Boogert. Deze verwevenheid met de feiten blijkt bijvb. uit onderdelen 5.2-5.14.2 van de conclusie A-G Timmerman vóór VEB/World Onlinearrest. Zie ook onderdeel D van het VEB/World Online-arrest (bestaande uit de r.o. 4.13-4.23).
Aldus de Hoge Raad in r.o. 4.10.4 van het VEB/World Online-arrest In deze zin ook: A-G Timmerman, in overweging 4.7.2.5 van zijn conclusie vóór het VEB/World Online-arrest): 'Een mededeling kan misleidend zijn, omdat zij onjuist of onvolledig is.' Ook de Rechtbank en het Hof Amsterdam redeneren — terecht — langs deze lijn, vgl. bijvb. r.o. 2.24 van het Hof Amsterdam. Anders Den Boogert in onderdelen 2 en 3 van zijn annotatie onder Rechtbank Amsterdam 17 december 2003 (JOR 2004/79). Hij stelt, ten onrechte, dat 'onjuistheid maar ook onvolledigheid met betrekking tot in de mededeling gestelde of gesuggereerde feiten (...) tot gevolg [heeft] dat de mededeling als misleidend heeft te gelden (onderdeel 2) en dat 'als de mededeling onjuist is, (...) zij misleidend en onrechtmatig [is]' (onderdeel 3).
Vgl. onderdeel 4.7.2.7 van de conclusie van A-G Timmerman vóór het VEB/World Onlinearrest. Hij voegt daaraan toe dat dergelijke oordelen in cassatie slechts beperkt toetsbaar zijn.
Vgl. onderdeel 4.7.2.7 van de conclusie van A-G Timmerman vóór het VEB/World Onlinearrest, met weglating van de door hem geciteerde literatuur en rechtspraak.
Vgl. onderdeel 4.7.2.7 van de conclusie van A-G Timmerman vóór het VEB/World Onlinearrest.
A-G Timmerman wijst nog op de mogelijkheid dat in bijzondere gevallen denkbaar is dat een mededeling misleidend is, hoewel zij niet onjuist of onvolledig is (vgl. onderdeel 4.7.2.5 van de conclusie van A-G Timmerman vóór het VEB/World Online-arrest). Gedacht kan worden aan suggestieve mededelingen die een onjuiste indruk wekken, vgl. Geerts/ Vollebregt (2009), met enkele voorbeelden op p. 70 e.v. Ik laat deze (buiten)categorie verder buiten beschouwing.
Vgl. Franx (2007), p. 354-355, daarbij verwijzend naar het vonnis van de Rechtbank Amsterdam 17 december 2003 (JOR 2004/79 m.nt. M.W. Den Boogert).
R.o. 4.10.4.
In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:194 BW werd opgemerkt dat een prospectus misleidend kan worden wanneer het "zodanige onwaarheden of halve waarheden bevat dat het publiek in goed vertrouwen afgaat op de juistheid van de gedane mededeling en als gevolg daarvan bijvoorbeeld tot aankoop van de aangeprezen goederen overgaat."1 Of en wanneer van publicatie van een misleidend prospectus sprake is, moet aan de hand van de concrete, met feiten verweven, omstandigheden van het geval door de rechter worden bepaald. Over die vraag heeft Hoge Raad zich tot op heden slechts enkele keren hoeven uitlaten.2 Relevant hierbij zijn de arresten inzake De Boer/ TMF uit 20083 en VEB c.s./World Online e.a. — het VEB/World Onlinearrest — uit 2009.4 De Hoge Raad overwoog in het eerstgenoemde arrest dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van misleidendheid in de zin van art. 6:194 BW moet worden uitgegaan "van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument tot wie de brochure zich richt of die zij bereikt."5 Dit werd bevestigd in het VEB/ World Online-arrest.6 Dat voor beantwoording van de vraag naar misleidendheid — ook — voor prospectussen de maatman van de "gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument" het uitgangspunt vormt, is in lijn met uitspraken van het HvJ EG.7 Ook in wetgeving kunnen, in licht afwijkende varianten, verwijzingen naar deze maatman worden gevonden, bijvoorbeeld in de regelgeving ter implementatie van de Prospectusrichtlijn8 en in de Wet 01-1P.9
Met het voorgaande is de kernvraag of een bepaalde mededeling, waaronder een prospectus, voor de toepassing van art. 6:194 BW als misleidend kan worden aangemerkt overigens nog niet beantwoord. Deze vraag zal echter "zo met de feiten verweven zijn en zo afhankelijk zijn van de bijzondere omstandigheden van het geval, dat deze zich slecht leent voor toetsing in cassatie", aldus Pijls.10 Ook uit het VEB/World Online-arrest en de daaraan voorafgaande uitspraken komt naar voren dat voor de vraag of sprake is van "misleidendheid" de feiten een belangrijke rol spelen.11 Van belang hierbij is de verhouding tussen de mogelijke misleidendheid van het prospectus en het daarin ontbreken van gegevens of daarin opgenomen zijn van onjuiste gegevens. Een prospectus kan misleidend zijn omdat het onjuist of onvolledig is. Een onjuistheid of onvolledigheid in het prospectus behoeft echter niet per definitie te leiden tot misleidendheid in de zin van art. 6:194 BW.12 De vraag of sprake is van onjuistheden of onvolledigheden is — eveneens — een vraag van feitelijke aard.13 Of een mededeling al dan niet volledig is, zal verband houden met de aard van de mededeling, aldus A-G Timmerman. Hij laat daar op volgen dat "[a]an een prospectus (...) ten aanzien van de volledigheid hogere eisen [kunnen] worden gesteld dan aan een reclameboodschap op de radio. Dat neemt niet weg dat, ook in een prospectus, telkens een balans moet worden gevonden tussen het verschaffen van te weinig en te veel informatie."14 Bij het oordeel of deze balans is gevonden, acht A-G Timmerman — mijns inziens terecht — van belang "(i) de mate van detail in de overige passages in het prospectus, (ii) de relevantie van de weggelaten informatie en (iii) de vraag of de betreffende passage, ondanks het weglaten van informatie, een afgewogen en met de werkelijkheid overeenstemmend beeld schept dan wel of selectief bepaalde informatie is weggelaten als gevolg waarvan een ongerechtvaardigd eenzijdig positief beeld in het prospectus wordt gecreëerd."15
Tegen deze achtergrond en uitgaande van een "gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone investeerder" zal aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of sprake is van een prospectus dat, door onjuist of onvolledig te zijn in de zin van art. 6:194 BW16, misleidend is. Dat betekent naar mijn mening dat de door Franx terecht bepleitte opname in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht van een verband tussen "materialiteit" en "misleidend karakter" van een prospectus thans reeds bestaat.17 Dit is ook de zienswijze van de Hoge Raad in het VEB/World Onlinearrest: "[d]e rechter zal een onjuiste of onvolledige mededeling dan ook pas als misleidend kunnen kwalificeren, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de 'maatman-belegger'. In dat geval is immers aannemelijk dat de onjuistheid of onvolledigheid redelijkerwijs het economische gedrag van de 'maatman-belegger' kan beïnvloeden (cursv. J.B.S.H.)."18 Hieruit kan overigens ook worden afgeleid dat het materialiteitsbegrip niet vastomlijnd is. Of een onjuiste of onvolledige mededeling is afhankelijk van de uitkomst van de toets of het prospectus (nog) die informatie verschaft dat een juiste balans bestaat in het licht van hetgeen de maatman-investeerder mag verwachten. Het resultaat is dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid in een prospectus er zonder meer toe leidt dat sprake is van een misleidend prospectus.