Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/8.13.1
8.13.1 Fusieperikelen van de V.O.S. en de Voha 1965-1970
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977167:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ibid., 93, 1969, p. 7-26.
Ibid., p. 27-28.
Ibid., p. 27-30.
VOS-M 1969, 96, p. 4-6.
De raad van leraren is de koepel van de lerarenverenigingen in het voortgezet onderwijs.
Ibid., p. 7-8. Brief van 1 juli 1969. B.H. Schoonenberg, leraar MO-Staathuishoudkunde en de statistiek en MO-Staatsinrichting, is verbonden aan het St. Nicolaaslyceum Amsterdam.
P.A.O.-onderwijs is postacademisch onderwijs.
Reeds in oktober 1969 komt V.O.S.-M 97 met het correspondentie-adres van het voorlopig bestuur en adres van de waarnemend redacteur. Tien pagina's zijn gewijd aan ‘Aanvullende, wijzigende en vervangende notulen van de vergadering van 20 september 1969, opgesteld door het voorlopige bestuur’.
E.J.H. van der Vennen (1918-1983), leraar staatsinrichting, recht en economie aan het Spinoza Lyceum en leraar staatswetenschappen aan de Gem. Meisjesscholengemeenschap ´Gerrit van der Veen´ te Amsterdam, Ibid., p. B/20 en B/22; N. Cohen, E. Heins & R. Schöndorff, ´In memoriam Bert van der Vennen´, TEO 1983, 8, p. 253.
V.O.S.-M 1969, 97, p. 18-19. Van der Vennen heeft ‘op hoog niveau’ van het ministerie begrip ontmoet voor de moeilijke positie van de juristen. Daartoe zijn onderbouwende gegevens van hun (rechts)positie van belang. Van der Vennen is fervent verdediger van het juridisch onderwijs. Staatsinrichting en recht verdienen beter dan een bijwagen te zijn van geschiedenis en economische wetenschappen. Hij ontwikkelt een plan staatsinrichting, recht en maatschappijleer te verbinden, zodat een vakkencoördinatie mogelijk is; zie: het initiatiefwetsvoorstel-Schuring, Tilanus & Bos 1971, waarvan Van der Vennen – naar eigen zeggen - auctor intellectualis is en Toebes 1981, p. 56, 102.
Advertenties voor (de laatste) docenten staatsinrichting (voor het schooljaar 1969/70) verschijnen voor variërend van 5 tot 13 wekelijkse lesuren voor tien scholen in De Volkskrant. Het St. Adelberts College te Wassenaar vraagt voor het schooljaar 1968/69 een docent staatswetenschappen, hetzij recht, staatsinrichting of staathuishoudkunde (4 uur), De Volkskrant, 29 juni 1968. Voor recht zijn op vier scholen vacatures van 3 tot 7 lesuren.
Brief van het dagelijks bestuur Vecon aan de minister van O & W, dd. 18 juli 1983, TEO 1984, 3, p. 101.
Ministeriële circulaire AVO 1970-70.
W.J. Buijs was directeur van de Rotterdamse hbs en mms Charlois en later inspecteur vhmo-handelswetenschappen, Jaarboekje V.H.M.O., Groningen: Wolters 1966, p. 440.
V.O.S.-M 1969, 96, p. 25.
Ibid., p. 28.
De Voha verandert in 1965 de ‘Vereniging van Leraren in de Handelswetenschappen’ in de ‘Vereniging van leraren in economische vakken aan scholen voor VHMO en VO’ (Voha).
V.O.S.-M, Ibid., p. 29-30.
Bedoeld is het bijvak staatsrecht of staats- en bestuursrecht.
De inhoud van het keuze-examenvak recht is door een commissie van uitsluitend VOSleden op te stellen. De VOS moet ook strijden voor opname ervan in de leerplannen.
Vernomen is van plannen een Vereniging voor Maatschappijleer op te richten. Dat is niet wenselijk, volgens het trio-oud-bestuurders, gezien de voorgestane VOS-structuur.
VSW en Vemo zijn rechtsopvolger van VOS en Voha.
Uit gesprekken met Duyverman op 20 november 2001 te Leiden blijkt berusting bij de VOS in de combinatie geschiedenis en staatsinrichting. In de VSW vond het bepleiten van zelfstandige vakken staatsinrichting en recht op atheneum en havo voortgang.
Vereniging ter Bevordering van modern onderwijs in Sociale Wetenschappen (KB van 27 april (10) en 21 december 1970 (78).
Vereniging van leraren bij het economisch/maatschappelijk onderwijs (KB 16 maart 1971).
De eerste werkzaamheden zijn het organiseren van applicatiecursussen maatschappijleer.
De werkgroep-Wijte is gericht op positieverbetering van handelskennis en het pleiten voor een (bedrijfs)economisch deel en recht van het economisch leven. Daartoe is een enquête uitgezet onder 610 docenten met 153 respondenten, waarvan 77 voor en 53 tegen, waarvan 13 zich achter het Plan80 opstellen. Het nagezonden voorstel-Wijte met argumenten voor splitsing is positief ontvangen, zie: Uitslag enquête handelskennis VSW 1978 (in mijn bezit).
Voorzitters van de juridisch/maatschappelijke werkgroepen zijn Van der Vennen, Sneep en Voorhoeve (1927-2014), Jaarboekje V.H.M.O. 1966, Groningen: Wolters 1966, p. 197, 471.
Op de agenda van de eerste sectievergadering staatsinrichting en maatschappijleer op 16 mei 1970 te Utrecht staan de leerplanpositie van staatsinrichting en ontwikkeling van maatschappijleer, positie van juristen-leraren (bevoegdheden, keuzevak recht) en PAO.
Ledenlijst Vemo 1 mei 1971 (ongepubliceerd). J.P. Duyverman en W.J. Buijs zijn erelid.
De VSW-ledenlijst per 3-1-1979 is in mijn bezit. De VSW heeft 550 leden, waaronder 35 leraren mavo-handelskennis en 32 maatschappijleer.
Verslag van 24 november 1973 (in mijn bezit).
Brief van 12 mei 1976 inzake CML MSV, Didaktiek,1976, 4, p. 43-46.
E.J.H. van de Vennen, ‘Afscheidsrede’, Didactiek 1973, p. 21. Jurist-leden geven vooral maatschappijleer en economische wetenschappen I en recht/economie op vwo/havo.
Bedoeld is de VSW.
J.Th. Degenkamp, ‘Recht in het avo; waarom en in welke mate’, TEO 1991, 3/4, p. 95.
Van Didaktiek der Sociale Wetenschappen komt in oktober 1970 het eerste nummer uit.
Na VEMO-Memoriaal (april 1970) komt VEMO-Mededelingen (juni 1970); H.H. Ensing, ’75 jaar. Economisch/maatschappelijk/didactisch tijdschrift´, TEO 1975, p. 140.
J.C. Sneep, ´Staatsburgerlijke vorming´, Didaktiek 1970, 1, p. 7-9.
Samenwerking VOS en Voha
Ondertussen zitten de besturen van de V.O.S. en Voha niet stil. In de V.O.S. zijn de leraren staatswetenschappen en recht verenigd en in de Voha, vanaf 1965 vereniging van leraren in de economische vakken aan vhmo-scholen geheten, de leraren handelswetenschappen. In het schooljaar 1968/69 werken de V.O.S. en Voha aan een fusie, mede verwelkomd door het ministerie van OKW. Het is een fusie die bij de V.O.S. door een groep verontruste leden badinerend als een fusie tot de vereniging van economen en ‘veredelde boekhouders’ is afgedaan. De concept-Vemostatuten en het huishoudelijk reglement zijn in de verenigingsbladen opgenomen als draaiboek.1 De motieven voor de fusie zijn gelegen in de invoering van de Wvo met de gewijzigde curriculumposities van staatsinrichting, recht en de economische vakken. Een gezamenlijke strategie klemt des te meer nu door het ministerie herhaaldelijk is gevraagd naar de motieven voor het gescheiden optreden. Dat is niet in het voordeel van de vakken uit te leggen, zeker niet nu er zaken spelen van positionering, vaknaamgeving en lessentabellen.
V.O.S. en Voha: steven naar keuzevak recht, burgerschapskunde en sociologie
Hoe dan ook, één ding is zeker: de positie van recht als vak gaat wijzigen ten opzichte van de vhmo-tijd. Om uit de impasse te geraken, stellen de V.O.S. en Voha voor te streven naar de invoering van een keuzevak recht. Overigens is het streven van de verenigingen gericht op de invoering van burgerschapskunde met onderbrenging van enige met staatsinrichting en recht af te stemmen onderwerpen, en de invoering van sociologie. Over veel blijkt men het eens, maar niet over de positie van bedrijfseconomie. Vooral de positie van het vak boekhouden daarin, als vak van gedegen hbs-reputatie, speelt een cruciale rol.
Fusievoornemen herzien
De verklaarde tegenstanders Van Rees, De Ru en Van der Vennen zien ‘weinig gemeenschappelijks met de Voha’ en vinden ‘dat de algemene economie tot de V.O.S. behoort en de verhoudingen hersteld moeten worden’, waarbij ‘de uren recht eerder aan een jurist dan een bezitter van MO-Boekhouden toekomen’.2 De V.O.S. dient de vereniging te blijven van juristen, economen, bezitters van MO-Staatsinrichting en maatschappijleerleraren. De tegenstanders zien eerder ruimte voor samenwerking in gemengde werkgroepen, waarbij de lijn met de Voha open blijft. Als voorbeeld geldt beider advies in 1963 over een vak economische wetenschappen III-Recht (atheneum-a). Het drietal vraagt het voornemen te herzien, ‘nu er geen mogelijkheden zijn voor discussie’.3
Fusie doorzetten: positie van recht versterken
Na de bezwaren tegen de fusie komen er ook argumenten vóór van een groep van 41 leden die in Kiezen uit alternatieve mogelijkheden drie argumenten aandraagt.4 Op de eerste plaats zien ze in het ontstaan van één vereniging een sterkere positie voor de invoering van een apart keuzevak recht. Op de tweede plaats spreekt de wetgever van economische wetenschappen en recht, wat de inspectie en de Raad van Leraren toejuichen.5 De voorstanders komen in de praktijk vele vragen tegen over de eigen aard van de staats- en handelswetenschappen. Er is maar al te vaak gezegd dat er ‘zoiets als staatsinrichting, recht en staathuishoudkunde en de statistiek’ bestaat zonder het precieze ervan te weten. Op de derde plaats geeft een bundeling van krachten meer duidelijkheid over de schemergebieden van staatsinrichting. Tot slot voorzien zij problemen van persoonlijke aard over de bezetting van functies als beslist ondergeschikt aan het belang van de Vemo.
Fusie afwijzen: moratorium inroepen
Tegelijkertijd krijgt het bestuur van de oud-DB-leden rector De Ru (voorzitter), Schoonenberg (penningmeester) en vakdidacticus W.G. Jansen (secretaris) een snedige reactie op de overrompeling van de leden met het fusievoorstel en het ontbreken van het spoedeisende karakter: ‘Zij kon de indruk wekken van manipulatie’.6 De oud-gedienden geven het bestuur in overweging de plannen op te schorten, ten einde ‘de noodzakelijke ruimte te scheppen voor bezinning op de fusie en het herstellen van het vertrouwen, waardoor de V.O.S. steeds was gekenmerkt’. Jansen gaat in De motivering van het fusievoorstel in op factoren die het voortbestaan van de V.O.S. bevorderen: ‘Samenwerking met de VGN en de ontwikkeling van maatschappijleer vragen om V.O.S.-initiatieven, evenals het instellen van de coördinatiecommissie Didactiek economie (1965) en de P.A.O.-economieonderwijs'.7 Het positioneren van het vak recht in de Wvo urgeert een permanente actie’.8
Positie V.O.S.-bestuur onhoudbaar
Door de gekozen opstellingen is de positie van het V.O.S.-bestuur onhoudbaar geworden. De benoeming van een voorlopig bestuur met mw. N. van Rees als voorzitter kan niet langer uitblijven. Een buitengewone ALV is uitgeschreven op 8 november 1969 voor de bestuursverkiezingen, de installatie van een verzoeningscommissie en de bespreking van de (rechts)positie van de jurist-leraren en leraren MO-Staatsinrichting. Als kandidaat-voorzitter is Van der Vennen, één der fusietegenstanders, op het schild gehesen.9 De agendering van de (rechts)positie van de collegas staatsinrichting spreekt boekdelen. De V.O.S. blijft opkomen voor de juristen en gedraagt zich geenszins als een Bremer die zich het werk uit handen laat nemen. Ze blijft volledig haar eigen boontjes doppen. Dat blijkt uit de oproep van Van der Vennen op korte termijn gegevens te verschaffen over de ‘gans onmogelijke posities’, waarin de jurist-leraren door de inwerkingtreding van de (O)Wvo en de voorschriften verkeren.10 De uren voor de juristen zijn ‘dramatisch’ afgenomen. Staatsinrichting is niet langer een apart vak11, recht is niet vastgelegd en juristen blijken mirabile dictu bevoegd voor economie-havo, maar niet voor economische wetenschappen-vwo.12 De stevige oppositie vertoont gelijkenis met die van de VSW in 1970 tegen het algemeen bevoegd verklaren van historici voor het vak geschiedenis en staatsinrichting.13 Het voorstel in 2005 van de regering om Europese letterkunde in te voeren, door Neerlandici of romanisten te geven, is ingetrokken.14 Letterkunde zou ‘onverantwoord’ aan kwaliteit inboeten.
Fusietegenstanders
Dat de fusie geen onverdeelde steun geniet, blijkt uit voortdurende signalen na de eerdere bezwaren van Van Rees, De Ru en Van der Vennen. Deze komen van Cohen, W.G. Jansen, Schöndorff en Van der Vennen die zich over de voorstellen voor de exameneisen van economische wetenschappen en recht I en economie (havo) tot het bestuur wenden met een andere visie dan de besturen van de V.O.S. en Voha. Het besturenvoorstel gaat in tegen de voorstellen van de door de staatssecretaris ingestelde commissie-Buijs.15 Cohen c.s. pleiten voor het onverkort handhaven van dit voorstel en het intrekken van het besturenvoorstel. Het V.O.S.-kwartet acht het voorstel over de programmering van economie en economische wetenschappen I evenwichtig gedetailleerd, en de instelling van een begeleidingscommissie een goede keus.16 Het V.O.S.-bestuur schort haar reactie aan het ministerie vooralsnog op.
Schöndorff: Schets van alternatieve structuur VOS
De volgende aanwijzing komt in Schöndorffs Schets van een alternatieve V.O.S.struktuur met het voorstel de VOS te continueren met vier werkgroepen voor (a) economie, (b) recht, (c) staatsinrichting en (d) maatschappijleer. Bij de werkgroep staatsinrichting kunnen VGN-leden aansluiten. Van de werkgroep maatschappijleer kunnen leden van de V.O.S., VGN, KNAG, en de Sociologische vereniging deel uitmaken. Schöndorff benadrukt dat ‘juist bij maatschappijleer en staatsinrichting de V.O.S. een voor de buitenwereld duidelijke identiteit moet behouden, wat in een fusie met de Voha onmogelijk is. Met het vak recht heeft de V.O.S. evenveel gemeen met de Voha als voor het vak staatsinrichting met de VGN. Het handhaven van eigen identiteit en het open karakter van de werkgroepen voorkomt dat ‘de V.O.S. in de wurggreep, - recht zou bij een fusie ten dode zijn opgeschreven - van de Voha komt’. Hiervoor ziet Schöndorff alleen verbinding met recht. Het stemrecht komt toe aan bevoegde werkgroepleden. Hij sluit af ‘met deze struktuur, […], is een waarborg geschapen voor een bloeiende V.O.S. die zich onbelemmerd kan ontplooien in tal van vakken’.17
Cohen: De fusie, een perspectiefloos huwelijk
Vervolgens komt uit Cohens koker De fusie V.O.S.-VoHa, een huwelijk zonder perspectief, waarin hij zo zijn bedenkingen koestert. Het eerste bezwaar geldt het ontbreken van een nota: ‘De voorstellers hebben de gemene belangen niet aangegeven. De belangentegenstelling van de juristen-V.O.S.-leden en de Voha-leden zal in de fusie onvoldoende tot haar recht komen. De V.O.S. dient deze belangen veilig te stellen. De procedure biedt hiertoe onvoldoende waarborgen. De noodzaak van de voorstellen en het keuzevak recht komt in de overhaaste fusievoorstellen niet naar voren’.18 Verder ziet Cohen een fusie van de V.O.S. en Voha als onjuist, omdat ‘de Voha door de naamsverandering (in 1965.W) haar belangen concurrerend aan die van de V.O.S. heeft gemaakt. Dat is een teken van terreinverlies’. Cohen vindt de vrees ongegrond voor de continuering van de V.O.S.: er is een goede toekomst, omdat ‘een verplicht vak economie I en schaalvergroting een groei van uren garanderen […]. De fusie is een gedwongen huwelijk zonder perspectief met een vereniging in nood’.19
Oud-bestuurders: kanttekeningen bij Schöndorff
De laatste aanwijzing komt van Van Rees, De Ru en Van der Vennen in Fusie V.O.S./VoHa met kanttekeningen bij het voorstel-Schöndorff. Ze opteren voor werkgroepen: (a) economie met V.O.S.-leden, (b) staatsinrichting met V.O.S.leden en VGN (historici en leraren MO-Geschiedenis met staatsinrichting20), (c) recht met V.O.S.-juristen en Voha-leden21 en (d) maatschappijleer met V.O.S.- en KNAG-leden, sociologen en geschiedenisleraren.22
Fusie een feit 1970
Ondanks het hijsen van de stormbal tegen de fusie met de Voha is de Vemo in 1970 een feit.23 De tegenstanders lossen de trossen24 en zetten koers naar de oprichting van de Vereniging ter bevordering van modern onderwijs in Sociale Wetenschappen (VSW) die (bedrijfs)economie, recht, staatsinrichting, handelswetenschappen en maatschappijleer regardeert.25 De VSW en Vemo zijn de rechtsopvolgende belangenbehartigers26, waarvoor de VSW de commissies staatsinrichting en recht, economie en maatschappijleer kent.27 In 1978 is de werkgroep handelskennis-mavo ingesteld.28 Er zijn brede coördinatiegroepen gevormd voor de integratie van staatsinrichting, recht en maatschappijleer, en de didactiek.29 De Vemo kent de secties staatsinrichting en maatschappijleer, en (bedrijfs)economie en recht30 en telt in 1971 718 leden (waaronder 81 oud-V.O.S.-leden).31 De VSW kent 550 (oud-)V.O.S-leden.32 Getalsmatig leeft de V.O.S in de VSW voort.
VSW-werkgroepen staatsinrichting en recht
De VSW stelt dat staatsburgerlijke vorming ‘hard aan verbetering toe is en ondersteuning dient te krijgen van het parlement, waar politieke besluitvorming krachtig beïnvloed moet worden’. Dit streven zet de VSW tot actie aan.33 Met name Van der Vennen is er bepaald niet de persoon naar zich de kaas van het brood te laten eten. Op zijn initiatief verzoekt de VSW voor de voorbereiding van de acties minister Van Kemenade (PvdA) een Commissie modernisering leerplan maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming te installeren met het verzoek de adviezen aan het parlement door te geleiden.34 De basis hiervoor is gelegd in 1970 in een overleg met staatssecretaris De Jong Ozn (CDA) over ‘de eliminerende maatregelen tegen juristen en bezitters van MO-Staatsinrichting’. De VSW staat pal achter de positieverbetering van staatsinrichting en recht en de rechtspositionele belangen van de jurist-leden.35 Dat ontlokt Degenkamp later de uitspraak dat ‘voor of tegen’ het onderwijs in recht op vwo/havo geleid heeft tot ‘schismatieke bewegingen’: ‘Door een afgescheiden club is een initiatiefwetsvoorstel vervaardigd (11111, nr. 2. W), dat door Kamerleden is ingediend36, maar onder geruststellende woorden van opeenvolgende bewindspersonen ‘bezweken’ de actievoerders en Kamerleden’.37 Inderdaad, ‘wie staat op het rolletje, die kost het zijn bolletje’.
Vakbladen Didactiek en EMD
De VSW faciliteert vanaf 1970 Didaktiek der Sociale Wetenschappen38, terwijl de Vemo VEMO-Mededelingen uitgeeft, gevolgd door het EMD: het Economisch/maatschappelijk/didactisch tijdschrift (Bijlage XV).39 In het eerste nummer van Didaktiek valt VSW-bestuurslid Sneep met de deur in huis door in een geharnast artikel de handelwijze van de wetgever met de belangen van staatsinrichting aan de kaak te stellen.40 Hij trekt fel van leer tegen het vastleggen van bevoegdheden in de circulaire van 31 januari 1970, wat voor staatsinrichting nadelig uitpakt. De suggestie om maatschappijleer te reserveren voor de leraren staatsinrichting ziet Sneep als ‘een doekje voor het bloeden’.