Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.7.3
3.7.3 Wetsontwerp-Thorbecke 1862 en de MO-wet 1863
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977454:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor het negentiende eeuwse liberalisme, zie: Spoormans 1988.
De staatswetenschappen omvatten politieke geschiedenis van Europa en statistiek, met staatshuishoudkunde, statistiek en staatsinrichting van Nederland; zie: De MO-wet met de vakken staatshuishoudkunde en de statistiek en de gronden van de gemeente-, provinciale- en Staatsinrigting van Nederland. De volledige akte is Staatshuishoudkunde (artikel 74, alinea 2 lid a en b jo artikel 76 MO).
G. Hooykaas, Thorbecke. Een leven in brieven, Amsterdam: Boom 2005, p. 47 e.v.; in 1839 komt de Aanteekening op de Grondwet; zie: De Wit 1980, p. 28-37 en W. Vermeulen, p. 453-466.
Vgl. A.J. Boekestijn, ’Thorbecke, de man van de vrijheid´, Openbaar bestuur 2002-1, M. Neuteboom, ‘Thorbecke, een voorbeeld van kundig staatsmanschap’. in: Van Bijsterveld & Steenvoorde 2013, p. 405 e.v.
Thorbecke spreekt van stemrecht als politiek recht, functioneel recht en grondrecht. Deze laatste term past niet in zijn wetenschappelijk begrippenkader (Aerts 2018, p. 384).
J.R. Thorbecke, Historische schetsen, s-Gravenhage: Nijhoff 1872, 2e druk., p. 84-85; Drentje 2004, p. 9, 466 en I. de Haan, ’Burgerschap, sociale stratificatie en politieke uitsluiting in de negentiende eeuw’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 234.
Bijblad van de Nederlandse Staatscourant 1862/63, nr. 3 (mvt bij het ontwerp van Wet op de Regeling van het Middelbaar Onderwijs, p. 319).
Zie: Alings 1862.
Vgl. Nijssen & Onvlee 1992.
Thorbecke zet als minister van BiZa (1849-1853) drie wetten op zijn naam: de Kieswet (1850), de Provinciale wet (1850) en de Gemeentewet (1851).
Koninklijke boodschap van 23 oktober 1862, Stb. 1862, 1; zie: Bijlagen Handelingen II 1862/63, p. 311.
Voor economieonderwijs, zie: G. Gorter, ‘Economieonderwijs, drie vormingsidealen’, TEO 2023, 1, p. 45-47.
Artikel 13, 1e en 2e alinea jo artikel 13, 5e alinea MO.
Wet van 25 juni 1916, Stb. 1916, nr. 1254.
Zie: Kreenen 1864.
Kamerstukken II 1862/63, p. 312.
Ibid., p. 312.
Ibid., p. 313.
Bijlagen Handelingen II 1863/64, p 808 e.v.
Kamerstukken II 1862/63, nr. 3 (mvt), p. 1.
Burgerscholen zijn onderscheiden in burgerdagscholen en -avondscholen. In karakter komt het onderwijs op de Teekenscholen en andere scholen voor vakteekenen en technische wetenschappen met dat der burgeravondscholen overeen. Zie de Rijnschippersschool te Rotterdam, afdelingen electriciteitsleer en electrotechniek van het Genootschap Mathesis Scientiarum Genetrix te Leiden, de vakschool voor de kappers te Den Haag en de vakschool voor de behangers te Amsterdam (Lenting, De Schets 1914, p. 464).
Vgl. Blokker 2021, p. 10. Met name de Rijks-hbs te Hoorn is beschreven.
P.F. Hubrecht, De Onderwijswetten in Nederland en hare uitvoering, administratieve verzameling van alles wat daarop betrekking heeft, uitgegeven met magtiging van Zijne Excellentie den minister van BiZa en met aanteekeningen voorzien, B. Tweede Afdeeling. MO dl I, ’s-Gravenhage: Stemberg 1880, p. 207; Sleumer 1938, p. 18, Matthijssen 1972, p. 126-128.
Staatsinrichting is met het vak ‘De gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland’ in artikel 17g MO ingevoerd; handelsrecht behoorde tot het vak handelswetenschappen (Kamerstukken II 1862/63, nr. 3 (mvt).
Handelingen II 1862/63, p. 320; Hoogbergen 1991, p. 51. In de lijst van boekhouden, handelsrecht, aardrijkskunde, statistiek van nijverheid, handelsverkeer en warenkennis ontbreken staatsinrichting en staatshuishoudkunde en de statistiek. De auteur acht sociale wetenschappen niet tot haar recht komen, ‘waarschijnlijk ook omdat deze disciplines onvoldoende ontwikkeld zijn stof te leveren voor scholen met maatschappelijke oriëntatie’.
Kamerstukken II 1863/64, (mvt), p. 1; Wet van den 2den Mei 1863, Stb. 1863, nr. 50; vgl. Brugmans 1932, Verkade 1935, Bartels, 75 jaar middelbaar onderwijs 1863-1963, Groningen: Wolters 1947, Ph.J. Idenburg, ’Thorbeckes Middelbaar Onderwijswet 1863-1963’, in: Een eeuw middelbaar onderwijswet herdacht, Groningen: Wolters 1963 en Gorter 2013, p. 8.
Handelingen II 1862/63, 2e mvt, p. 10. Het vak de beginselen der staatshuishoudkunde is op de driejarige hbs'en verplicht. Op gemeentelijke en bijzondere hbs'en is het geleidelijk vervangen door staatsinrichting, tot bij KB van 1916 ook op de rijkshbs staatsinrichting is verplicht bij staatshuishoudkunde. In 1920 is dit laatste vak bij KB van 1920, Stb.1920, nr. 106 vervangen door staatsinrichting, door de geschiedenisleraar te geven.
Ibid., p. 11.
Ibid., p. 11, art.17p MO: beginselen der handelswetenschappen, daaronder die der warenkennis en het boekhouden.
Progressieve liberaal Thorbecke met de hand aan de ploeg
De grote man achter de MO-wet 1863 is de in hoofdstuk 7 nog te bespreken liberale minister Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872)1, sinds 1825 buitengewoon hoogleraar in de staatswetenschappen te Gent2, vanaf 1831 tot 1834 - na een juridische promotie honoris causa - buitengewoon hoogleraar en tot 1849 gewoon Leids hoogleraar.3 Hij geeft in 1844 blijk van zijn wetenschappelijke belangstelling voor staatsburgerschap, ‘in het stemregt tot uitdrukking gebracht’4, en in zijn colleges omschreven met: ‘[…] politisch [kenmerkt zich] onze eeuw, wanneer men haar de staatsburgerlijke noemt. Staatsburgerschap heeft velerlei, […], in den hoogsten zin: Burgerschap zij stemregt5 in de regering der gemeente, provincie of Rijk […]. Staatsburgerschap, een woord, dat onze Grondwet mijdde, zal dan beteekenen medewerking of stemregt, krachtens het lidmaatschap van den Staat, bij algemeene regering’.6 Thorbecke wil met middelbaar onderwijs de hogere burgers algemeen beschaven.7 Het doel van de MO-Wet is ‘nuttige vorming en de bevordering van de maatschappelijke, economische en technische vooruitgang’.8 Hij gaat, zodra de gelegenheid zich voordoet, voortvarend te werk door met de codificatie van het middelbaar onderwijs aan de slag te gaan.9
Minister Thorbecke 1862: rechten en plichten van burgers kennen
Vanaf februari 1862 is Thorbecke minister van Binnenlandse Zaken10, waaronder Onderwijs ressorteert en reeds begin juni gaat het ontwerp-wetsvoorstel Middelbaar Onderwijs per geleidende brief naar de voorzitter van de Tweede Kamer.11 Thorbecke ziet als doel van middelbaar onderwijs ‘het aankweken van algemeene beschaving, voor die burgerij, die meer vrijheid bezit, om te denken en meer kennis te ontwikkelen dan ambachtslieden en landbouwers’, wat een curriculumpositie van ‘de rechten en plichten van burgers’ rechtvaardigt. Hij besteedt aandacht aan de staatkundige vorming. Dit leidt tot de invoering van staatswetenschappen op de vijfjarige rijks-hbs.12 Op de driejarige hbs zijn de gronden van staatshuishoudkunde ingevoerd.13 In die tijd vallen de staatkundige en maatschappelijke vorming samen. Het ontbreken van staatsinrichting op de driejarige hbs wordt als een groot gemis ervaren. Niet eerder dan in 1916 is hierin op de openbare driejarige hbs voorzien bij het vak staathuishoudkunde.14 Bijzondere hbs'en geven al jaren staatsinrichting in dit vak.
Voorlopig verslag 1862
De parlementaire behandeling van het ontwerp-Thorbecke begint aanstonds.15 Het voorlopig verslag van de commissie voor Binnenlandse Zaken verschijnt op 4 september 1862.16 De aanhangige voorstellen worden bij de opening van het parlementaire jaar opnieuw ingediend. Bijgevolg is de memorie van toelichting een reactie op het voorlopig verslag, waarvan het tweede op 12 december 1862 verschijnt17, gevolgd door de memorie van antwoord met nota van wijzigingen op 5 februari 1863.18 De vaststelling van het eindverslag door de Commissie van rapporteurs is op 26 februari 1863.19
Parlementaire behandeling 1862
Op 3 maart 1863 kan de behandeling van het wetsvoorstel beginnen. In het plenaire overleg rijst de voorspelbare vraag naar de betekenis van ‘middelbaar onderwijs’. Thorbecke verwijst naar artikel 1 Ontwerp, luidende: ‘Alle vakken, welke volgens deze wet onderwezen worden aan de scholen, waarover zij zich uitstrekt’.20 Het middelbaar onderwijs omvat burgerscholen21, hoogere burgerscholen, landbouwscholen en de polytechnische school. De Latijnse school en het gymnasium voor de geleerde vorming behoren tot het pre-universitair onderwijs (artikel 12). De burgerscholen zijn bestemd voor de ambachtslieden (artikel 13). De hoogere burgerscholen zijn drie- of vijfjarig (artikel 15). Er zijn ‘vijftien Rijks-hbs'en, te vestigen in het Land, waaronder tenminste vijf met vijfjarigen cursus’ (artikel 18).22
Middelbaar onderwijs als nuttige vorming voor techniek en handel
Middelbaar onderwijs als nuttige vorming leidt op voor leidinggevende functies in het technische bedrijfsleven en de handel.23 Daarmee is op de vijfjarige hbs de keuze van Thorbecke bepaald voor wiskunde en natuurwetenschappen, staats- en handelswetenschappen, waaronder handelsrecht24, talen en letterkunde, geschiedenis en aardrijkskunde.25 Hiermee zijn ‘in ruwe trekken de voornaamste kundigheden aangewezen die ieder burger behoeft’.26 De beginselen der staatshuishoudkunde zijn niet op de drie-, maar op de vijfjarige hbs vermeld. Na Kamerbehandeling zijn de beginselen der staatshuishoudkunde op de drie- (artikel 16d)27 en staatshuishoudkunde en de statistiek op de vijfjarige hbs vastgelegd (artikel 17h).28 Het vak handelswetenschappen omvat mede handelsrecht (artikel 17p).29