Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.3
6.6.3 Het moment waarop een 403-vordering ontstaat
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648958:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Biemans 2011, nr. 312.
De vraag is of een inbreuk op een fundamenteel beginsel als de partijautonomie toelaatbaar moet worden geacht. De aanname dat een schuldeiser wordt bevoordeeld door een toevoeging van een vorderingsrecht is betrekkelijk. Verrekeningsmogelijkheden kunnen bijvoorbeeld vervelend voor de schuldeiser uitpakken. Bij schenking wordt ook gemakkelijk aangenomen dat dit per definitie leidt tot voordeel bij de begunstigde. Aanvankelijk was schenking dan ook een eenzijdige rechtshandeling. Maar daar is de wetgever van teruggekomen. In de praktijk bleek het toch (soms) ongewenst te zijn wanneer ‘zomaar’ een vermogensbestanddeel aan een andermans vermogen kon worden toegevoegd, zonder dat die partij daar zelf mee had ingestemd (impliciet dan wel expliciet).
Wibier 2008; Niels 2010, p. 27; Van der Kraan 2013, p. 156-159 en Van der Schee 2014, p. 22-24, par. 3.1.
Daaruit volgt dat een 403-verklaring niet kan worden gezien als een aanbod, aangezien een aanbod een tot een partij gerichte rechtshandeling is, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2014, nr. 99.
Zie Rb. Rotterdam 24 december 2013, Ondernemingsrecht 2014/31 en JIN 2014/44; Beckman 1995, p. 293 en Van Solinge 2006, p. 251.
Bijvoorbeeld wegens bepaalde kwaliteiten of een bepaalde reputatie van een specifieke partij. Binnen een concern kan een premiumtak en een budgettak bestaan, gepositioneerd onder dezelfde moedervennootschap. Nakoming door een andere partij, in dit geval de moedervennootschap, is niet gewenst. Een vervolgvraag daarbij is of de moedervennootschap zich bijvoorbeeld van haar verplichting kan bevrijden door één van haar andere dochters de verbintenis te laten nakomen of kan volstaan de verbintenis af te kopen met een vervangende schadevergoeding.
Een schuldeiser kan afzonderlijk afstand doen van één van zijn vorderingen op hoofdelijk verbonden schuldenaren, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I*, nr. 100.
Om te kunnen bepalen op welk moment een vordering verjaart, dient uiteraard eerst te worden vastgesteld wanneer een vordering ontstaat. Veelal wordt aangenomen dat een 403-vordering ontstaat zo gauw een schuldeiser een door een 403-verklaring gedekte vordering op de vrijgestelde rechtspersoon verkrijgt.1
Wordt van vorenstaande aanname uitgegaan, dan kan een 403-vordering ontstaan zonder dat de schuldeiser daarmee instemt. Zonder dat sprake is van een wil, laat staan een geopenbaarde wil, wordt aan zijn vermogen een vermogensrecht toegevoegd.2 Dit doet zich voor wanneer de vordering op de vrijgestelde rechtspersoon al bestaat en op een later tijdstip een 403-verklaring wordt afgegeven.
Zonder daarmee te willen pretenderen dat dit geldend recht is, kan om verschillende redenen worden betoogd dat het voor het ontstaan van een vorderingsrecht nodig is dat de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd eerst door de schuldeiser wordt aangesproken. Er zijn verschillende auteurs die betogen dat een schuldeiser de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd eerst tot nakoming dient aan te spreken alvorens een vorderingsrecht ontstaat.3 De 403-verklaring is een ongerichte rechtshandeling.4 Om haar werking te hebben, is niet vereist dat een ongerichte rechtshandeling een ontvanger heeft bereikt. Wanneer ervan uit wordt gegaan dat direct bij het aangaan van een overeenkomst met een vrijgestelde rechtspersoon een 403-vordering op de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd ontstaat, dan mag de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd ervoor kiezen om de uit de 403-vordering voortvloeiende verbintenis na te komen. Gezien de regels van hoofdelijkheid mag een schuldeiser die nakoming niet weigeren. Dit leidt ertoe dat een schuldeiser ongewenst met nakoming door de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd kan worden geconfronteerd. Daarbij is van belang dat wordt gerealiseerd dat het begrip ‘schulden’ van art. 2:403 BW niet louter ziet op geldvorderingen.5
Er zijn genoeg situaties te bedenken waarin een contractant bewust met een bepaalde partij contracteert en dat nakoming door een andere partij, in dit geval de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd, niet gewenst is.6 Dient een schuldeiser hiertegen actief op te treden en afstand te doen van zijn vorderingsrecht op de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd?7 Daarmee zal een schuldeiser zijn rechten prijsgeven, hetgeen de schuldeiser in een later stadium wellicht duur kan komen te staan, als de vrijgestelde rechtspersoon uiteindelijk toch niet in staat blijkt om haar schulden na te komen. Daarbij geldt bovendien dat de enkele wil van de schuldeiser niet voldoende is om van een vorderingsrecht af te komen. Wanneer een schuldeiser afstand wenst te doen van een vorderingsrecht, dient dit door de schuldenaar te worden aanvaard.
De compensatie die een 403-vordering biedt, is in het leven geroepen om schuldeisers tegemoet te komen. De faciliteit mag zich niet tegen de schuldeiser keren. De mogelijkheid dat een rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd een schuldeiser eenzijdig een vorderingsrecht en de daarop volgende prestatie kan opdringen, is een vrij ongelukkige bijkomstigheid. Wederom een die verband houdt met de regels van de hoofdelijkheid.
In deze paragraaf zal hierna aangesloten worden bij de heersende opvatting dat een 403-vordering automatisch ontstaat wanneer er een 403-verklaring is en een uit een rechtshandeling voortvloeiende schuld van de vrijgestelde rechtspersoon.