Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.9:6.6.9 De verjaarde vordering bestaat voort als natuurlijke verbintenis
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.9
6.6.9 De verjaarde vordering bestaat voort als natuurlijke verbintenis
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648789:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Hartkamp 2005, nr. 192.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De resterende natuurlijke verbintenis vloeit voort uit het feit dat de verjaring van artikel 3:306 BW en artikel 3:307 BW de zogenaamde ‘zwakke werking’ kent.1 Dit betekent dat de rechtsvordering om de nakoming van het vorderingsrecht af te dwingen, tenietgaat. Het vorderingsrecht zelf blijft echter wel bestaan. Deze voortbestaande vordering is een natuurlijke verbintenis. Een natuurlijke verbintenis kent aan de actieve zijde een vordering zonder rechtsvordering en aan de passieve zijde een schuld.
Hiervóór lag het accent op de verjaring van de 403-vordering, maar de hoofdvordering kan uiteraard ook verjaren en om worden gezet in een natuurlijke verbintenis. Wanneer de hoofdvordering is verjaard, behoudt de schuldeiser zijn hoedanigheid als schuldeiser. Hij is dan schuldeiser van een natuurlijke verbintenis. Een schuldeiser met een natuurlijke verbintenis kan nog steeds een beroep doen op de 403-verklaring. Daar vloeit dan een vorderingsrecht uit voort die wel rechtens afdwingbaar is. Is de 403-verklaring inmiddels ingetrokken (art. 2:404 lid 1 BW) dan kan de schuldeiser nog steeds een beroep doen op de 403-verklaring voor zover de overblijvende aansprakelijkheid niet is beëindigd (art. 2:404 lid 3 BW). Dit brengt met zich dat een schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon, die een vordering heeft die voortvloeit uit een natuurlijke verbintenis, in verzet kan gaan tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Voor de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd geldt dus dat wanneer er sprake is van verjaarde vorderingen op een ex-dochtermaatschappij, het nog steeds raadzaam is om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.
De afzonderlijke verjaring van de 403-vordering en de hoofdvordering laat zien dat de juridische gevolgen van de verjaring complex kunnen zijn. Wanneer de hoofdvordering is verjaard, zal niet snel worden stilgestaan bij de mogelijkheid om alsnog een beroep te doen op een 403-verklaring. De rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd zal op haar beurt mogelijk niet stilstaan bij de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid ten aanzien van reeds verjaarde vorderingen op de vrijgestelde rechtspersoon.