Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.8:6.6.8 Afzonderlijke vorderingen, afzonderlijke stuiting
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.8
6.6.8 Afzonderlijke vorderingen, afzonderlijke stuiting
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648957:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van een 403-vordering geldt de reguliere regeling ten aanzien van stuiting. Deze regeling is opgenomen in artikel 3:319 BW en luidt als volgt:
Artikel 3:319 BW
Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. Is een bindend advies gevraagd en verkregen, dan begint de nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het bindend advies is uitgebracht.
De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.
Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering op grond van artikel 316, lid 4, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met aanvang van de dag volgende op de dag van de uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn, doch niet langer dan vijf jaren. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.
De hoofdelijkheid brengt met zich dat er afzonderlijke vorderingsrechten zijn en daarom dient de verjaring van beide vorderingsrechten afzonderlijk te worden gestuit. Stuiting van de verjaring van de hoofdvordering leidt niet tot stuiting van de verjaring van de 403-vordering. Vice versa geldt natuurlijk hetzelfde. Ervan uitgaande dat er geen overgang of overdracht van de vorderingsrechten heeft plaatsgevonden, dient stuiting van de hoofdvordering te worden gericht aan de vrijgestelde rechtspersoon en de stuiting van de 403-vordering dient te worden gericht aan de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd.
Wanneer wordt vergeten om de 403-vordering te stuiten en de 403-vordering blijkt te zijn verjaard, dan is de vraag wat daarvan het effect is. De schuldeiser die nog wel de hoofdvordering heeft, zou in principe nog steeds of opnieuw een beroep kunnen doen op de 403-verklaring, zolang die niet is ingetrokken. De schuldeiser is nog steeds schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon en de generieke ongerichte verklaring van de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd ligt er nog steeds.
De vraag is of dit juist is. De 403-vordering die is verjaard, is niet tenietgegaan. Maar omgezet in een natuurlijke verbintenis. Wanneer een schuldeiser opnieuw een beroep op de 403-verklaring zou kunnen doen dan zou hij een tweede vorderingsrecht op de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd verkrijgen. Dat kan niet de bedoeling zijn. De schuldeiser kan afstand doen van zijn vordering die een natuurlijke verbintenis is, maar dit moet dan wel door de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd worden aanvaard.