Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.7
4.3.7 Huurvorderingen
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264493:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Wassenaer 1661, nr. 14.57 en 14.78; Van de Sande, Gewysder Saecken, nr. 3.12.10; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Thomas 2007, p. 61; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.11; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15; Van Lamzweerde 1776, nr. 1.8. Vgl. De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9.
Waarover §5.3.4.
Van Wassenaer 1661, nr. 14.57; Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Van Lamzweerde 1776, nr. 2.5; Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 1.36; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 2.6.2 en 2.9.3; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.8.1-4; De Groot, Inleydinge, nr. 2.38.8; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.38.5-8.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 2.9.3; De Groot, Inleydinge, nr. 2.38.4-5; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.38.1-8.
De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5.
Waarschijnlijk betrof het cijnsen die ten gunste van de Graven van Holland rustten op onroerende zaken in het stad Woerden.
Veldenaer/Van Boxhorn 1650, p. 219-220.
De Groot, Inleydinge, nr. 2.40.1-2.
De Groot, Inleydinge, nr. 2.46; De Blécourt 1939, p. 259.
De Groot, Inleydinge, nr. 3.19.16. Vgl. De Blécourt 1939, p. 263 en 275. Volgens De Blécourt konden de begrippen huur, cijns en erfpacht naar Oud-Vaderlands recht aan elkaar gelijk worden gesteld.
Het was onbestreden dat de pandgebruiker bevoegd was om het onderpand zelf te verhuren.1 Hij was bevoegd om huurvorderingen te innen als zij voortvloeiden uit een overeenkomst die hij zelf had gesloten. Mocht de pandgebruiker op grond van zijn pandrecht ook huurvorderingen innen die ontstonden uit een verhouding tussen de pandgever en een derde? Het antwoord op deze vraag was naar Rooms-Hollands recht positief. Het Zuid-Afrikaanse recht is het Rooms-Hollandse recht op dit punt gevolgd.2
Ten eerste trad de pandgebruiker in de rechten en verplichtingen van de eigenaar van het onderpand. Hij had dus recht op de inkomsten uit het onderpand. In het bijzonder had hij recht op de vruchten van het onderpand.3 Huurpenningen waren inkomsten uit het onderpand. Bovendien vielen huurvorderingen onder het Rooms-Hollandsrechtelijke vruchtbegrip. Onder vruchten vielen alle baten die betrekking hadden op de vruchtdragende zaak, dus ook huurvorderingen.4 Voorts had ook de vruchtgebruiker recht op de huurvorderingen die betrekking hadden op de zaak die hij in vruchtgebruik had. Het recht van vruchtgebruik gold als een tocht, een zakelijk genotsrecht.5 De Groot karakteriseerde het recht van pandgebruik als wedertocht.6 Aangezien de tochtenaar (vruchtgebruiker) bevoegd was om huurvorderingen te innen, is het aannemelijk dat ook de wedertochtenaar (pandgebruiker) bevoegd was om huurvorderingen te innen.
Verder bewijs is gelegen in de akte van de verpanding van Woerden. De pandakte gaf de pandhouder (zoals gezegd de Hertog van Brunswijk en Lünenburg) de bevoegdheid om Stad, Slot en Heerlijkheid Woerden te gebruiken en te genieten met al haar toebehoren en aankleven. Daaronder waren ook begrepen de rechten van erfpacht en cijnsen.7 Met andere woorden, de pandgebruiker was inningsbevoegd ten aanzien van de erfpachtcanon en cijnsen.8 Erfpacht was een zakelijk gebruiksrecht op een onroerende zaak; de canon kwam toe aan de eigenaar.9 Cijns was het recht op jaarlijkse betaling van een geldsom. Dit recht kwam toe aan een oud-eigenaar van een onroerende zaak. Deze oud-eigenaar (in casu kennelijk de Graven van Holland) had aanspraak op een cijns jegens de huidige eigenaar van de onroerende zaak.10 De betaling van een erfpachtcanon of een cijns waren dus een tegenprestatie voor het recht om een onroerende zaak te gebruiken, hetzij op grond van een beperkt recht (erfpacht), hetzij op grond van het eigendomsrecht (cijns). De verplichting tot betaling van huur was dus een prestatie die gelijkenis vertoonde met de verplichting tot betaling van cijns of erfpachtcanon. Een huurpenning was immers ook de tegenprestatie voor het recht tot gebruik van een onroerende zaak.11 Als de pandgebruiker bevoegd kon zijn om een cijns of erfpachtcanon te innen, ligt het dus voor de hand dat hij ook bevoegd was om huurvorderingen te innen.