De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.7.7:2.6.7.7 Medezeggenschap is onderdeel van het geschil
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.7.7
2.6.7.7 Medezeggenschap is onderdeel van het geschil
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS387323:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ondernemingskamer 21 juni 1979, NJ 1980/71 (Batco).
Ondernemingskamer 10 december 1981, NJ 1983/24 (Ford).
Ondernemingskamer 10 januari 2008, ARO 2008, 20JOR 2008/39, RO 2008/18 (PCM I).
Ondernemingskamer 29 april 2010, JOR 2010/187, RO 2010/49 (Zorgcentrum Betuwe).
Ondernemingskamer 20 mei 2010, ARO 2010/90, JOR 2010/188, RO 2010/59 (Sherpa). Zie over het enquêterecht voor cliëntenraden ook: I. Zaal, ‘De cliëntenraad en het enquêterecht’, TRA 2010,103.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Medezeggenschapsrechtelijke geschillen kunnen aan de orde komen in een enquêteprocedure, blijkt uit jurisprudentie van de Ondernemingskamer. Zo droeg schending van de medezeggenschapsregelingen bij aan de conclusie dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid dan wel wanbeleid in de zaken Batco1, Ford2 en PCM.3 De schending van medezeggenschap vertolkte echter een bijrol in een groter geheel van gedragingen die de toets der kritiek niet konden doorstaan. Dit was anders in twee door (centrale) cliëntenraden geëntameerde zaken uit 2010. In beide zaken ging het om een impasse tussen het bestuur en de raad van toezicht enerzijds en de cliëntenraad en andere medezeggenschapsorganen anderzijds. In de zaak over Zorgcentrum Betuwe was het inhoudelijke overleg tussen bestuur en centrale cliëntenraad (CCR) opgeschort, waardoor bepaalde belangrijke besluiten, zoals de vaststelling van de begroting, niet meer aan de cliëntenraad werden voorgelegd. In de enquêteprocedure voerde de CCR aan dat sprake was van een onjuiste taakuitoefening van het bestuur, omdat het de medezeggenschap van de werknemers frustreerde.4 In de zaak-Sherpa hadden de CCR en de centrale vertegenwoordigingsraad (CVR) het vertrouwen opgezegd in de raad van toezicht, die twee interim-bestuurders had benoemd, ondanks bezwaren van de medezeggenschapsorganen. Ook hier waren de adviesrechten van de medezeggenschapsorganen geschonden. De or voegde zich in deze zaak als belanghebbende (zie paragraaf 2.6.7.5).5 In beide gevallen kwam de Ondernemingskamer tot de conclusie dat sprake was van gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid en gelastte zij een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de zorginstelling. Deze zaken laten zien dat de curatieve werking van het enquêterecht niet alleen van pas kan komen bij een patstelling tussen bestuur en raad van toezicht of bestuur en AV(A), maar ook bij een patstelling tussen deze (vennootschaps)organen enerzijds en de medezeggenschapsorganen anderzijds. Wanneer een medezeggenschapsrechtelijk geschil aan de orde komt in een enquêteprocedure is er in zekere zin sprake van samenloop. De cliëntenraden van de zorginstellingen staan immers ook andere, medezeggenschapsrechtelijke, mogelijkheden ter beschikking, zoals bijvoorbeeld een procedure bij de Inspectie van de Gezondheidszorg. Bij de zaak van Zorgcentrum Betuwe gaat de Ondernemingskamer in op deze samenloop. Naar haar oordeel is de toets in het enquêterecht een duidelijk andere dan de toets die bijvoorbeeld de Inspectie van de gezondheidszorg verricht. Interessant is de vraag of de Ondernemingskamer tot eenzelfde conclusie zal komen indien ook beroep ex art. 26 WOR openstaat ten aanzien van een bepaalde gedraging. Hoewel beide toetsen sterke gelijkenis vertonen – het gaat om een redelijkheidstoets waarbij de beleidsvrijheid van de ondernemer in beginsel voorop staat – sluit ik niet uit dat de Ondernemingskamer ook in dat geval oordeelt dat beide procedures naast elkaar kunnen bestaan. Het moet mijns inziens dan wel gaan om een structurele schending van medezeggenschap en niet om een incidenteel geval.