Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.5.2
1.5.2 De grenzen van het onderzoek
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232404:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze op 10 augustus 2004 opgerichte stichting was enig erfgenaam van de op 29 juli 2004 overleden erflaatster. Uit Hof Amsterdam (notariskamer) 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6696, valt op te maken dat deze stichting in het bezit is gekomen van de nalatenschap van erflaatster. Hoe — wat te denken van artikel 4:56 BW? — wordt daarin helaas niet besproken. Dit laatste aspect is wel zijdelings aan de orde geweest in de tweede tuchtzaak in deze kwestie, Hof Amsterdam (notariskamer) 30 september 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BF3825, RN 2008/104.
De werkgroep Moltmaker (bestaande uit J.K. Moltmaker, B. de Boer, I. Brouwer, G.F. de Jong, C.M. Lambregtse, O.B. Onnes, L.S. Qua, F. Sonneveldt, J.P.M. Stubbé, A.J.M. Uijens, A.W. van der Vegt, H.B.A. Verhoeven, I.J.F.A. van Vijfeijken & S.F.M. Wortmann) werd in maart 1999 ingesteld door de staatssecretaris van Financiën. Op 13 maart 2000 werd het rapport van de werkgroep met de titel ‘De warme, de koude en de dode hand’ aangeboden aan de toenmalige staatssecretaris van Financiën, W.A. Vermeend. Zie over dit rapport F. Sonneveldt, ‘Rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving van 13 maart 2000’, NTFR 2000/442.
C.J.H. Jansen, De wetenschappelijke beoefening van het burgerlijk recht tussen 1940 en 1992 (Onderneming en Recht nr. 93), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 2.4.3. Jansen gaat hier ook in op het nut en de rol van rechtsvergelijking. Zie ook J.M. Smits, Omstreden rechtswetenschap, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 115.
Elk juridisch onderzoek kan slechts op een beperkt tijdvak zien, ook mijn onderzoek. Ik begin mijn onderzoek in de negentiende eeuw, toen het moderne denken over rechtspersoonlijkheid is ontstaan. Want zonder rechtspersoonlijkheid zoals wij die nu kennen, zou de moderne bij dode opgerichte stichting niet kunnen bestaan. Verder kies ik voor een geïntegreerde behandeling van de geschiedenis binnen het lopende verhaal. De reden hiervoor is dat veel aspecten van de bij dode opgerichte stichting hun oorsprong vinden in het verleden. Geïntegreerde behandeling van heden en verleden komt het begrip van de bij dode opgerichte stichting ten goede.
Omdat het onderzoek zowel betrekking heeft op het rechtspersonenrecht als op het erfrecht, moet ik op elk van die gebieden grenzen trekken.
Wat uitdrukkelijk binnen het kader van dit proefschrift past, zijn algemene stichtingsaspecten die nauw verbonden zijn aan de bij dode opgerichte stichting. Hierbij valt te denken aan het vraagstuk van vermogen ‘in de dode hand’.
Bij de stichting wordt doorgaans direct gewezen op de beperking die artikel 2:285 lid 3 BW met zich brengt, het zogenoemde ‘uitkeringsverbod’. Dit onderwerp verdient alle aandacht omdat het uitkeringsverbod onder omstandigheden de toepassing van de bij dode opgerichte stichting kan maken of breken. Erfrechtelijke onderwerpen als het testamentair bewind en de voorwaardelijke making worden ook behandeld. Dit zijn de onderwerpen die traditioneel in verband worden gebracht met de stichting.
Aan aspecten van de stichting die geen verband houden met de oprichting bij of krachtens uiterste wilsbeschikking, wordt geen aandacht besteed. Onbesproken blijven daarmee leerstukken zoals de vertegenwoordigingsregeling, doeloverschrijding en de rol van het openbaar ministerie bij het toezicht op stichtingen. Ook erfrechtelijke vraagstukken die als zodanig geen verband houden met de bij dode opgerichte stichting blijven buiten beschouwing. Tot de voorbeelden van onderwerpen die niet besproken worden behoren onder meer de aard van makingen en de testamentaire last. Ook de curieuze zaak van Stichting Moeder de Gans, fonds Toos Zuurveen blijft onbesproken.1 Deze stichting had voor het overlijden van de erflater moeten zijn opgericht doch feitelijk werd deze stichting pas twaalf dagen na het overlijden opgericht.
Aan enkele fiscale aspecten kan eveneens niet worden ontkomen. Ik beperk mij voornamelijk tot de bij dode opgerichte stichting in de Successiewet 1956. Een belangrijk onderdeel daarvan is het afgezonderd particulier vermogen, het APV. De Wet inkomstenbelasting 2001 komt slechts aan de orde voor zover dat van belang is voor de Successiewet 1956.
In beginsel wordt geen aandacht besteed aan de familiestichting zoals voorgesteld door de werkgroep ‘modernisering successiewetgeving’ (werkgroep Moltmaker) in haar rapport ‘De warme, de koude en de dode hand’.2 Het voorstel van deze werkgroep was een bijzondere vorm van de stichting in de Nederlandse wetgeving te introduceren met bepaalde fiscale voordelen. Het voorstel van de werkgroep Moltmaker heeft echter niet geleid tot invoering van de voorgestelde bijzondere variant op de stichting.
Het onderzoek betreft de Nederlandse bij dode opgerichte stichting. Dat wil zeggen de stichting naar Nederlands recht opgericht bij of krachtens uiterste wilsbeschikking. Dat wil niet zeggen dat in dit onderzoek geen aandacht is voor de bij dode opgerichte stichting buiten Nederland. In het moderne rechtswetenschappelijk onderzoek is rechtsvergelijking immers gemeengoed.3 Ook ik zal aandacht besteden aan rechtsvergelijking.