Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/11.10:11.10 Verbintenisrechtelijke rechten
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/11.10
11.10 Verbintenisrechtelijke rechten
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491144:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
138. Uitgangspunt is dat alleen een belang uit hoofde van een goederenrechtelijk recht, het rusten van een beperkt recht op een eigen zaak kan rechtvaardigen (zie §11.4). Alleen goederenrechtelijke rechten geven rechten op een goed. Verbintenisrechtelijke rechten geven rechten jegens een persoon. Daarom zijn in beginsel alleen goederenrechtelijke rechten bepalend voor de vraag of extra bevoegdheden ontleend kunnen worden aan een beperkt recht.1 Het is, behoudens uitzonderingsgevallen, ook niet nodig om een beperkt recht op een eigen zaak te laten voortbestaan vanwege een verbintenisrechtelijk recht (bijvoorbeeld als het beperkte recht aan een derde is verkocht, maar nog niet is geleverd). Het beperkte recht kan in beginsel opnieuw worden gevestigd ten gunste van een derde. Rusten op de bezwaarde zaak lager gerangschikte beperkte rechten, dan bestaat wel belang bij het beperkte recht op de eigen zaak, vanwege de rang die aan dat recht verbonden is. In dat geval gaat het beperkte recht op de eigen zaak niet door vermenging teniet (zie §9.2.4 en 10.2).
Een eigenaar kan − bij wijze van uitzondering − in bepaalde gevallen een beperkt recht hebben op zijn eigen zaak, als daarbij belang bestaat uit hoofde van een verbintenisrechtelijk recht, omdat de wet dat toestaat: art. 4:50 lid 3 en art. 5:83 BW. Die bepalingen zien respectievelijk op het geval waarin een beperkt recht of een moederrecht is gelegateerd, en de situatie waarin heersend en dienend erf van een erfdienstbaarheid in één hand komen, terwijl een van de erven bij een derde in gebruik is op grond van een persoonlijk gebruiksrecht. Uit de strekking van deze bepalingen volgt dat die gevallen als uitzonderingen moeten worden gezien.
Art. 4:50 lid 3 BW heeft een heel geringe betekenis, omdat een nalatenschap in veel gevallen een afgescheiden vermogen vormt. Dan treedt reeds op die grond geen vermenging op. Als geen sprake is van vermogensafscheiding, kan, behoudens uitzonderingsgevallen, ofwel het tenietgegane beperkte recht opnieuw worden gevestigd, ofwel blijft het beperkte recht voortbestaan, omdat op het moederrecht andere beperkte rechten rusten met een lagere of gelijke rang. Wel kan toepasselijkheid van art. 4:50 lid 3 BW aanleiding geven tot complexe problemen als een keuzelegaat is gemaakt of als het legaat wordt verworpen. Om deze redenen zou kunnen worden overwogen om de bepaling te schrappen.
Wordt een goed bij voorbaat geleverd, dan kan de eigenaar gedurende een ondeelbaar moment een beperkt recht op zijn eigen zaak hebben. A levert op 1 januari bij voorbaat aan B een recht van vruchtgebruik op een schilderij. C is op dat moment vruchtgebruiker. D is blooteigenaar. Op 1 februari verkrijgt A de blote eigendom van het schilderij van D. Op 1 maart draagt C het vruchtgebruik over aan A. Zodra A het vruchtgebruik verkrijgt, concurreren twee mogelijke rechtsgevolgen met elkaar: gaat het vruchtgebruik door vermenging teniet of heeft de levering bij voorbaat aan B effect? Voorrang dient te worden gegeven aan de levering bij voorbaat. Weliswaar heeft B op het vruchtgebruik geen echt goederenrechtelijk recht, maar gezien de zogeheten zakelijk gebonden wil van A, acht ik het toch gerechtvaardigd dat uitvoering wordt gegeven aan de levering bij voorbaat. De zakelijk gebonden wil brengt mee dat A zich gedurende het ondeelbare moment niet aan de levering kan onttrekken. Daardoor hebben partijbedoelingen geen invloed op het al dan niet voortbestaan van het beperkte recht.
Een Vormerkung (art. 7:3 BW) of bevoegdheden die aan een beperkt gerechtigde zijn toegekend in een overeenkomst of in statuten van een rechtspersoon, kunnen niet ertoe leiden dat een beperkt recht op een eigen zaak kan rusten.