Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/2.2.1
2.2.1 Negatieve vrijheid
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390983:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Berlin 1969, p. 121 en 122. Opgemerkt zij dat de tweedeling van Berlin is bekritiseerd. Zo zijn MacCallum, Rawls en Feinberg van oordeel dat er slechts één basisconcept van vrijheid is. Vrijheid betreft een triadische relatie tussen drie elementen: de subjecten die vrij zijn, de restricties of beperkingen waar ze vrij van zijn, en wat hen vrij staat al dan niet te doen. Vrijheid kan dan als volgt worden geformuleerd: [Persoon X] is vrij van [beperking of dwang Y] tot het doen (of nalaten, of zijn, of hebben) van [actie/omissie/toestand/bezit Z]. Zie MacCallum 1967, p. 314, Feinberg 1973, p. 11, Rawls 1999, p. 177, zie ook vertaling door Bestebreurtje 2006, p. 229. Deze kritiek doet evenwel geen afbreuk aan de analyse en argumenten in dit onderzoek ten aanzien van het concept uitbuiting.
Berlin 1969, p. 122 en 123.
Berlin 1969, p. xlii, zie ook Blokland 1995, p. 50.
Berlin 1969, p. liv, zie ook Blokland 1995, p. 50.
Berlin 1969, p. 130 (zie ook vertaling van Ausma 1996, p. 105).
Berlin 1969, p. 125, Blokland 1995, p. 60.
In zijn bekende opstel ‘Two concepts of Liberty’ beschrijft Isaiah Berlin twee concepten van vrijheid. Vrijheid is volgens Berlin een poreus begrip dat verschillend kan worden geïnterpreteerd. Berlin wil niet de grote diversiteit aan interpretaties van historici beschrijven en bediscussiëren. In plaats daarvan bespreekt hij slechts twee centrale politieke betekenissen: de positieve vrijheid en de negatieve vrijheid.1 Negatieve vrijheid behelst de omstandigheid waarin het individu vrij is te handelen zonder belemmeringen van andere personen. Het ontbreekt iemand aan negatieve politieke vrijheid als andere personen hem weerhouden van het bereiken van zijn doel. Andere omstandigheden dan menselijke interacties kunnen iemands vrijheid niet beperken. Het onvermogen van een invalide persoon om te rennen, betreft dus geen gebrek aan politieke vrijheid.2 De negatieve vrijheid bestaat volgens Berlin uit de mogelijkheid tot het verrichten van actie, niet uit de activiteit zelf. Iemand die ervoor kiest om stil te blijven zitten en te vegeteren, ook al heeft hij het recht om door open deuren te lopen, is niet minder vrij dan iemand die wel door open deuren loopt.3 Berlin erkent dat een persoon die te arm, te zwak of te slecht opgeleid is om van zijn wettelijke vrijheden gebruik te kunnen maken, of zelfs niet op de hoogte is van de wegen die hij zou kunnen inslaan weinig aan dit soort vrijheden heeft. Maar deze vrijheden zijn hiermee niet vernietigd. Hij benadrukt het onderscheid tussen vrijheid als zodanig en de condities waaronder deze vrijheid zinvol wordt. Dit onderscheid voorkomt dat in de strijd voor het vervullen van de voorwaarden die vrijheid effectief maken, de vrijheid zelf wordt vergeten.4 De negatieve vrijheid van een individu is in de visie van Berlin afhankelijk van de aan- of afwezigheid van hindernissen op wegen die het eventueel zou willen inslaan. Berlin noemt als bepalende factoren: a) het aantal mogelijkheden dat voor iemand open staat; b) het gemak of de moeite waarmee deze mogelijkheden stuk voor stuk kunnen worden gerealiseerd; c) het relatieve belang van deze mogelijkheden in het levensplan, gezien het karakter van de persoon en omstandigheden; d) de mate waarin ze door doelbewuste menselijke handelingen voor iemand zijn afgesloten of openstaan; e) de waarde die niet alleen de handelende persoon, maar ook het algemeen gevoelen van de samenleving waarin deze leeft, aan de verschillende mogelijkheden hecht. Al deze grootheden moeten worden ‘geïntegreerd’ en vervolgens moet een conclusie worden getrokken, hoe weinig accuraat en hoe aanvechtbaar die noodzakelijkerwijs ook zal zijn.5
Berlin geeft aan dat negatieve vrijheden waarvan men door een gebrek aan inkomen, kennis of gezondheid geen gebruik kan maken, door politieke interventie moeten worden geëffectueerd. Maar de condities voor vrijheid mogen hierbij niet worden verward met de vrijheid zelf. Het opofferen van een deel van de negatieve vrijheid ten behoeve van andere waarden, behelst te allen tijde, hoe moreel hoogstaand of urgent de redenen hiervoor ook mogen zijn, een beperking van de vrijheid.6