Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.4.10:6.3.4.10 Bewijsrecht (art. 284Rv)
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.4.10
6.3.4.10 Bewijsrecht (art. 284Rv)
Documentgegevens:
mr. B.J. Engberts, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. B.J. Engberts
- JCDI
JCDI:ADS618985:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Mierlo 2014, (T&C Rv), art. 284 Rv, aant. 5.
HR 1 juni 2007, LJN BA3525, NJ 2007/309.
Zie par. 3.9.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het volledige bewijsrecht zoals neergelegd in de negende afdeling van titel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing op de verzoekschriftprocedure (art. 284 lid 1 en 4 Rv). Dit geldt echter niet indien de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Hieronder mag tevens de aard van de procedure worden verstaan.1 Het gaat daarbij om zaken zonder tegenpartij of procedures die zich, gelet op hun spoedeisendheid, niet lenen voor toepassing van het bewijsrecht. Hierbij heeft de wetgever vooral gedacht aan verzoeken die strekken tot het nemen van conservatoire maatregelen alsmede aan voorlopige voorzieningen.
Het bewijsrecht speelt bij de beoordeling van de 287 lid 4- en 287b-verzoeken geen (grote) rol. Het gaat immers om spoedshalve te geven voorlopige voorzieningen waarbij de rechter zijn beslissing in hoge mate kan baseren op de aannemelijkheid van bepaalde stellingen.2 Hij moet immers op basis van de beschikbare informatie beslissen. Want er is geen ruimte (tijd) voor het gelasten van getuigenverhoren of deskundigenonderzoeken.
Dit ligt anders bij de beoordeling van het 287a-verzoek. Hoewel deze verzoeken in de praktijk met spoed worden behandeld en de gedachte wellicht vreemd voorkomt, staat niets eraan in de weg om art. 284 lid 1 en 4 Rv van toepassing te achten. Dit kan betekenen dat bij betwisting van relevante (aan het verzoek ten grondslag gelegde) feiten en omstandigheden de schuldenaar/verzoeker tot bewijslevering terzake zou moeten worden toegelaten. Ook zou dit meebrengen dat de weigerende schuldeiser (eventueel) tot het leveren van tegenbewijs wordt toegelaten. Gelet op de aard van de verzoeken zal dit veelal om het leveren van (nader) schriftelijk bewijs gaan, maar het horen van getuigen kan niet worden uitgesloten. Het van toepassing verklaren van art. 284 Rv zal de kwaliteit van de beslissing per saldo ten goede komen. Dit betekent uiteraard dat 287a-procedures langer kunnen gaan duren. Voorzover de schuldenaar daardoor in financiële nood komt, bijvoorbeeld door dreigende uithuiszetting of beslaglegging, kan een 287 lid 4-verzoek soelaas bieden.3