Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.4.1:6.3.4.1 De relatieve bevoegdheid van de rechter (art. 262-270 Rv)
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.4.1
6.3.4.1 De relatieve bevoegdheid van de rechter (art. 262-270 Rv)
Documentgegevens:
mr. B.J. Engberts, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. B.J. Engberts
- JCDI
JCDI:ADS615493:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 januari 1983, NJ 1983/465, m.nt. BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Titel 3 bevat tamelijk veel bepalingen betreffende de (relatieve) bevoegdheid van de rechter. Dit betreft de art. 262-269 Rv. De Faillissementswet kent een eigen regeling. De insolventierechter moet zijn relatieve bevoegdheid ambtshalve toetsen aan de hand van art. 2 j° 284 lid 2 lid 1.1 Er is daarom geen noodzaak deze bepalingen van toepassing te verklaren.
Het ontbreken van absolute bevoegdheid is niet aan de orde. De onderzochte drie verzoeken worden steeds aan de insolventierechter bij de rechtbank gericht of geacht aan deze te zijn gericht.
Indien de insolventierechter constateert dat hij relatief onbevoegd is dan dient hij de zaak te verwijzen naar een andere rechter van gelijke rang. Art. 270 Rv kent daarvoor een goede regeling.