Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/5.2.3
5.2.3 Wanneer overmacht geen onmogelijkheid lijkt te veronderstellen
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS379998:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 263-264.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 340; Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 432; Brunner & De Jong 2004, nr. 172 en 206; en Hijma & Olthof 2008, nr. 368. Overigens marginaliseren alle bovengenoemde schrijvers het belang van deze uitzondering en gaat men uit van de hoofdregel dat overmacht een veroordeling tot nakoming in de weg staat. Naar mijn mening is echter zelfs voor een bescheiden uitzondering geen plaats.
Goedmakers 1998, p. 27 is van mening dat de erfgenaam voor deze dwaling heeft in te staan en zich derhalve niet met succes op overmacht kan beroepen, zie ook Van Opstall 1976, p. 299.
De Jong 2006a, nr. 13 meent dat deze verhindering voor het risico van de schuldenaar (erfgenaam) komt. Mocht dat echter het geval zijn, dan is de erfgenaam niet alleen gehouden tot nakoming, maar is hij ook schadevergoedingsplichtig als hij die gehoudenheid schendt.
Voorbeeld ontleend aan Zimmermann 2002, p. 15.
Voorbeeld ontleend aan Picker 2003, p. 1037.
Zo ook Stoll 2001, p. 591.
Canaris 2004, p. 221.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-l*), nr. 378 erkennen eveneens de mogelijkheid van voortgezette overmacht
Zie voor een weergave van de discussie in de oudere literatuur over een beroep op onvoorziene omstandigheden in een postovermachttoestand Asser/Hartkamp 2005 (4-I), nr. 337-339.
Vgl. Houwing 1904, p. 296, die van mening is dat een debiteur die een zaak buiten schuld door diefstal verliest, verplicht is om 'alles te doen wat in gelijke omstandigheden behoorde te worden gedaan ten einde de zaak terug te krijgen'. Vgl. Wery 1919, p. 68-69. Zie ook IIR 7 mei 1925, NJ 1925, p. 997(Kolbermoor/Blijdenstein).
Zie Kamphuisen 1940, p. 461-464 en 477-481; en Kamphuisen 1952, p. 429-431 en 441-443.
Hof Den Haag 13 januari 1919, NJ 1919, p. 408 gecasseerd in BR 2 januari 1920, NJ 1920, p. 132.
HR 2 januari 1920, NJ 1920, p. 134.
Kamphuisen 1940, p. 478.
Vgl. Houwing 1953, p. 478, 492 en 538.
In die zin Levenbach 1923, p. 94-101.
Levenbach 1923, p. 101.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 355; Levenbach 1923, p. 31-32; en Suijling 1934, p. 313314.
Zo is in het onderhavige geval ook geoordeeld. De Hoge Raad bekrachtigde het vonnis van de rechtbank waar de lasthebber tot betaling van het saldo werd veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag van de dagvaarding.
Kamphuisen 1940, p. 478.
Anders Tjong Tjin Tai 2004, p. 364, die opmerkt dat de rechtspraak Kamphuisen gelijk heeft gegeven, maar nalaat deze rechtspraak te specificeren.
Deze uitdrukking duidt overigens niet alleen op het feit dat de schuldenaar is ontslagen van de nakomings- en schadevergoedingsverplichting, maar dat hetzelfde ook geldt voor de gehoudenheid van de wederpartij om een tegenprestatie te verrichten, vgl. Treitel 2004b, nr. 15-001 en 15-010, p. 545-546 en 555-556.
Van Brakel 1948, p. 107-108.
Suijling 1934, p. 300-301.
Uiteraard behoudt de schuldeiser in geval van overmacht ook het recht op ontbinding (art. 6:265).
Zie uitgebreider par. 9.3.2.5.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 376, zie ook par. 9.3.2.2.
Op basis van een passage in de Parlementaire Geschiedenis is de indruk ontstaan dat zich (uitzonderlijke) gevallen kunnen voordoen waarin geen sprake is van onmogelijkheid maar wél van niet-toerekenbaarheid. Het voorbeeld dat in de Parlementaire Geschiedenis wordt besproken, is het geval van de erfgenaam die de op hem overgegane schuld niet tijdig nakomt, doordat het bericht van overlijden van de erflater hem niet tijdig heeft bereikt en dit hem niet kan worden toegerekend.1 In de handboeken wordt dit voorbeeld aangegrepen ter ondersteuning van de stelling dat zich in schaarse uitzonderingsgevallen overmacht zonder onmogelijkheid kan voordoen.2 Met de acceptatie van deze uitzondering zetten auteurs de deur op een kier om een vordering tot schadevergoeding af te wijzen wegens overmacht, maar een vordering tot nakoming toe te wijzen, omdat nakoming nog mogelijk is.
De stelling dat zich situaties kunnen voordoen waarin sprake is van overmacht zonder onmogelijkheid is mijns inziens onjuist. Gedurende de periode dat de schuldenaar niet op de hoogte was van de dood van de erflater en het bestaan van de schuld, was hij verhinderd na te komen.3 Pas op het moment dat de erfgenaam bekend is met de dood van de erflater, vervalt de verhindering in de nakoming en daarmee de overmacht. Er is derhalve sprake van tijdelijke overmacht. De rechter zal de vorderingen tot nakoming en schadevergoeding afwijzen voor zover die zien op de periode dat de schuldenaar redelijkerwijs niet bekend was en niet bekend hoefde te zijn met de schuld.4 Op het moment dat de schuldenaar bekend raakt met de schuld, bijvoorbeeld door een vordering van de schuldeiser, vervalt het beroep op overmacht en ontstaat de gehoudenheid tot nakoming. Bij een toerekenbare schending van de herleefde nakomingsverplichting is de schuldenaar tevens schadevergoedingsplichtig.
De situatie ligt iets gecompliceerder in het volgende geval. A sterft nadat hij zijn schilderij voor € 50.000 aan X heeft verkocht. A's erfgenaam B is niet op de hoogte van de transactie en verkoopt en levert het schilderij aan Y voor € 70.000. Y is bereid het schilderij terug te verkopen aan B voor € 75.000. Als we aannemen dat X in de tussentijd het schilderij heeft doorverkocht voor € 80.000 dan heeft X een reëel belang bij nakoming en heeft B geen geldig verweer. De kosten die B moet maken om na te komen (€ 75.000) zijn immers niet onevenredig hoog ten opzichte van het belang van X bij nakoming (€ 80.000). Als B moet nakomen, verliest hij echter wel € 5000, als gevolg van een verhindering in de nakoming waarvoor hij niet verantwoordelijk was.5
Ook in deze situatie is mijns inziens sprake van tijdelijke overmacht. Gedurende de periode dat de schuldenaar zich van het bestaan van de verbintenis niet bewust was, en dat ook niet hoefde te zijn, kan hij het overmachtsverweer tegenwerpen aan een vordering tot schadevergoeding. Op het moment dat de verhindering tot nakoming wegvalt, ontstaat weer een gehoudenheid tot nakoming. Indien nakoming uitblijft, kan de schuldeiser een beroep doen op de contracten-rechtelijke remedies waaronder nakoming en schadevergoeding. Dat de schuldenaar in beginsel het risico draagt van het tijdens een overmachtsituatie nadelig worden van de nakoming zie ik niet als problematisch. Prijsstijgingen komen doorgaans voor het risico van de schuldenaar. Indien het bezwaarlijker worden van de nakoming zijn oorzaak vindt in een periode waarin de schuldenaar zich op overmacht kan beroepen, zoals in het geval van de erfgenaam die het schilderij moet terugkopen, is dit in beginsel niet anders.
Het tijdsverloop kan de nakoming echter zo nadelig hebben gemaakt, dat met het vervallen van de overmacht een nieuwe niet-toerekenbare verhindering in de nakoming voorligt. Te denken valt aan het volgende voorbeeld.6 Een verkoper verkoopt zijn auto aan een koper voor € 10.000, maar levert nog niet. De koper verkoopt de auto door aan een derde voor € 20.000 voordat de koper de auto geleverd heeft gekregen. Vóór levering van de auto aan de eerste koper wordt de auto bij de verkoper gestolen. Die diefstal kan niet aan de verkoper worden toegerekend. Enkele dagen later duikt de auto in Rusland op. De vraag is of de verkoper gehouden is de auto terug te leveren. Volgens de Duitse auteur Picker zijn er geen goede gronden om de (eerste) verkoper in dit geval met deze extra kosten te belasten.7 Bij een niet-toerekenbare verhindering meent Picker dat de schuldenaar zich geen nadelen hoeft te getroosten om na te komen. Canaris is daarentegen van mening dat het redelijk is dat de verkoper, ook in geval van een niet-toerekenbare niet-nakoming, nakomingskosten moet maken ten minste tot de hoogte van de koopprij s8
Ook dit voorbeeld kan mijns inziens geplaatst worden in de sleutel van de tijdelijke overmacht. In de periode dat de auto is gestolen en zijn locatie onbekend is, is er sprake van overmacht. Op het moment dat de auto weer opduikt, is nakoming weer mogelijk en dient de verkoper de auto in beginsel te leveren. Indien hij daartoe niet overgaat, wordt hij, als voldaan is aan de daartoe gestelde overige vereisten, schadevergoedingsplichtig. Met het bekend worden van de locatie van de auto is de nakomingsverplichting derhalve weer afdwingbaar. Wat is nu het geval indien de verkoper om het bezit van de auto te herwinnen financiële offers moet brengen die in redelijkheid niet van hem kunnen worden gevergd? Bijvoorbeeld, omdat de auto aan de andere kant van de wereld wordt aangetroffen en het herkrijgen van het bezit de verkoper € 25.000 zou kosten?
Als nakoming redelijkerwijs niet van de verkoper kan worden gevergd wegens de hoge kosten die met de opheffing zijn gemoeid, blijft de door de diefstal veroorzaakte verhindering, zij het in een andere vorm, in stand. De verhindering in de nakoming verandert weliswaar van karakter, maar wordt niet doorbroken.9 Voordat de auto opdook, bestond de verhindering uit de onbekendheid met de locatie van de auto. Na bekendwording van de locatie bestaat de verhindering uit de kosten die gemoeid zijn met het transport van de auto (relatieve onmogelijkheid). Aangezien zowel de eerste als de tweede verhindering in de niet-toerekenbare diefstal wortelen, kan de koper schadevergoeding noch nakoming vorderen.10 De tweede verhindering zet derhalve de met de diefstal ingeluide situatie van overmacht voort.11
Kamphuisen heeft een tegengestelde opvatting verdedigd. Kamphuisen was van mening dat overmacht aan een veroordeling tot schadevergoeding in de weg kan staan, maar een veroordeling tot nakoming nog mogelijk is.12 Ter onderbouwing van zijn stelling bespreekt hij een aan de jurisprudentie ontleende casus.13 Een vermogensbeheerder beheert als lasthebber het vermogen voor een lastgever. De lasthebber draagt op een gegeven moment de effecten en het geldsaldo over aan de zoon van de opdrachtgever op grond van een opdracht van de lastgever. Later blijkt dat de zoon de opdracht heeft vervalst. De lastgever vorderde nakoming van de verplichting tot afgifte van de effecten en het geldsaldo tot het beheer waartoe de vermogensbehouder was gehouden. De lasthebber beriep zich op overmacht. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op overmacht wel opging ten aanzien van de verplichting tot afgifte van de effecten, maar niet ten aanzien van het geldsaldo, omdat:14
Een saldo niet is een bepaald voorwerp, dat wordt 'verkregen' en 'bewaard', maar is slechts de uitkomst eener vergelijking tusschen de ontvangsten eener- en de uitgaven anderzijds, waarbij het van de tusschen partijen bestaande rechtsverhouding afhangt of er bestaat, gelijk hier, bloot eene verplichting tot betaling van het bedrag van dat saldo, dan wel eene tot afgifte van overgeschoten penningen van den aanvang af toebehoorende aan hem voor wien het beheer is gevoerd.
Volgens Kamphuisen heeft de Hoge Raad de vordering tot nakoming ten aanzien van het geldsaldo terecht toegewezen, omdat bij geldzaken, anders dan bij effecten, geen sprake van onmogelijkheid kan zijn.15 Aangezien de lasthebber geen schuld had, kon hier volgens Kamphuisen evenwel geen sprake van schadevergoeding zijn. Deze opvatting is aanvechtbaar.
Gesteld kan worden dat de vermogensbeheerder in dit voorbeeld in het geheel niet tekortschoot. De lasthebber heeft zich van zijn (inspannings)verbintenis gekweten, omdat hij voldoende zorg heeft betracht,16 of omdat hij bevrijdend aan de zoon van de lastgever heeft betaald.17 De ontstane situatie zou in dit geval voor risico van de lastgever moeten komen, nu vaststond dat zijn zoon vrijelijk in het kantoor van zijn vader kon komen en hierdoor diens correspondentie kon onderscheppen en vervalsen.18 Indien de lasthebber evenwel in de overeenkomst zou hebben aangegeven in te staan voor terugbetaling, of de verplichting tot terugbetaling niet wordt gedekt door het overmachtsverweer, omdat geldelijk onvermogen voor risico van de schuldenaar behoort te blijven,19 kan een betalingsverplichting wel worden aangenomen. De lasthebber zal het saldo dan voor de tweede keer moeten uitkeren. In dat geval zal de schuldenaar echter ook schadevergoedingsplichtig zijn voor de vertragingsschade (wettelijke rente) bij de niet-nakoming van zijn betalingsverplichting.20 Schadevergoedingsplichtigheid wordt door Kamphuisen onwenselijk geacht,21 maar het is van tweeën één. Bij het aannemen van een nakomingsverplichting ontstaat tevens een verplichting tot schadevergoeding als het aan de schuldenaar is toe te rekenen dat nakoming uitblijft.22
Met het oordeel dat de tekortkoming niet in de risico sfeer van de schuldenaar valt, vervalt dus de gehoudenheid voor de schuldenaar om het gebrek in de nakoming op te heffen (nakoming) en voor het uitblijven van nakoming in te staan (schadevergoeding). Overmacht leidt, zoals de Engelsen zeggen, tot 'total discharge'.23 De schadevergoedingvordering en de nakomingsvordering delen hetzelfde lot. Van Brakel formuleerde het juist en duidelijk:24
Niet de ontheffing van den schadevergoedingsplicht, doch de opheffing van den plicht tot praesteren is het eerst en voornaamste gevolg, verbonden aan een der omstandigheden die onder het overmachtsbegrip vallen. Dat geen schadevergoeding behoeft te worden betaald, is weer het gevolg van het vervallen van den praestatieplicht. (...) een regeling, die den debiteur tot het volbrengen van de praestatie blijft verplichten, doch hem ontheft van de subsidiaire verplichting tot vergoeding der schade, door het niet-nakomen veroorzaakt, komt niet voor.
Dat overmacht zich niet alleen tegen een veroordeling tot schadevergoeding, maar ook tegen een veroordeling tot nakoming verzet, is ook krachtig verwoord door Suijling:25
Indien de waarborgverplichting (van schadevergoeding, DB) den prestatieplicht niet steeds in haren val meesleurde, zou den schuldenaar worden te kort gedaan. Waarom wordt hem vergund zich op overmachtsfeiten te beroepen? Omdat het onbillijk ware hem, ondanks het intreden van dergelijke gebeurtenissen, voor de niet-vervulling van zijn verbintenis aansprakelijk te stellen.
Maar indien de redelijkheid verbiedt van den debiteur onder die omstandigheden wegens wanprestatie schadevergoeding te vorderen, verbiedt zij niet minder de nakoming van de vervulbaar gebleven verbintenis te eischen. Om die reden doet overmacht steeds tegelijkertijd de verplichting tot prestatie ondergaan. In zoover is het lot van deze verplichting onverbrekelijk aan dat van de garantieverplichting verbonden.
De enige situatie waarin de schuldeiser niet met lege handen blijft staan, indien zijn schuldenaar niet-toerekenbaar tekortschiet,'26 is als de schuldeiser in staat is de prestatie buiten de schuldenaar om te verkrijgen (art. 6:79).27 De rechterlijke machtiging dient echter te worden onderscheiden van het recht op nakoming, dat in geval van overmacht is uitgesloten.28 In geval van overmacht kan de rechter de schuldeiser weliswaar op grond van art. 6:79 machtigen om executiemaatregelen te nemen die ertoe strekken dat hij zich de prestatie verschaft, maar heeft de schuldeiser geen recht op nakoming.