Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.4.4.2:4.4.4.2 Hoe wordt tot een gedeeltelijke teloorgang van schuldeisersrechten gekomen? Het opknippen van het tekortschietend handelen lijkt onvermijdelijk
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.4.4.2
4.4.4.2 Hoe wordt tot een gedeeltelijke teloorgang van schuldeisersrechten gekomen? Het opknippen van het tekortschietend handelen lijkt onvermijdelijk
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973569:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, NJ 2018/239 (TMG/Staat).
Zie Verheul 2020.
Idem, par. 3.1.
Idem, par. 3.2.
Idem, par. 3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe moeten we de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad precies begrijpen? De klachtplicht grijpt aan op vorderingen met betrekking tot een gebrek in de prestatie gegrond op een verbintenis. Alle schuldeisersrechten met betrekking tot dat gebrek gaan ten onder. Een voortdurende prestatie is in beginsel één prestatie, zou men denken. Op het eerste oog zou dat tot de conclusie leiden dat een ontijdige klacht over een gebrek in een voortdurende prestatie leidt tot verlies van alle rechten ten aanzien van die prestatie. Toch kiest de Hoge Raad daar niet voor.
Is de rechtsregel uit Nanada c.s./Golden Earring met betrekking tot de reikwijdte van de klachtplicht te rijmen met de constatering dat een voortdurende prestatie één prestatie is? Een parallel met de reikwijdte van de korte verjaringstermijn bij voortdurende onrechtmatige gedragingen dringt zich op. Het is nuttig om op dit punt naar het verjaringsrecht te kijken omdat, zoals ik in par. 3.4.2 hiervoor constateerde, de bepaling van het aanvangsmoment van de korte verjaringstermijn gelijkenissen vertoont met de voorwaarden voor aanvang van de klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft in het arrest TMG/Staat overwogen dat een voortdurend nalaten om een richtlijn te implementeren iedere dag een zelfstandige onrechtmatige daad van de Staat oplevert. Deze onrechtmatige daden verjaren afzonderlijk, aldus de Hoge Raad:
“3.4.1 Onderdeel 2 richt zich tegen de verwerping door het hof in rov. 4.13-4-16 van het betoog van TMG dat het hier gaat om een voortdurende onrechtmatige toestand waarbij de verjaring iedere dag weer gaat lopen. Volgens het onderdeel heeft het hof hierbij miskend dat niet alleen het invoeren, maar ook het in stand houden van onrechtmatige wetgeving een onrechtmatige daad vormt.
3.4.2 Dit onderdeel is gegrond. Op de Staat rust op grond van art. 4 lid 3 VEU en art. 288 derde volzin VWEU de plicht om Europese richtlijnen juist te implementeren. Het nalaten daarvan is onrechtmatig (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166, rov. 3.4.4). Dit omvat mede het na een onjuiste implementatie van een richtlijn niet alsnog juist implementeren daarvan. Aangenomen moet worden dat, zolang geen juiste implementatie plaatsvindt, dit iedere dag een zelfstandige onrechtmatige daad van de Staat oplevert, hetgeen meebrengt dat daarop gegronde vorderingen afzonderlijk verjaren. De vordering tot vergoeding van schade die TMG heeft geleden door de onjuiste implementatie, is dus niet verjaard voor zover het betreft de periode van vijf jaar voorafgaand aan haar hiervoor in 3.1 onder (ix) genoemde aansprakelijkstelling van 21 september 2012.”1
De Hoge Raad kiest er bij voortdurende onrechtmatige gedragingen in het kader van art. 3:310 lid 1 BW dus voor om de betreffende gedraging op te knippen in afzonderlijke onrechtmatige daden met eigen verjaringstermijnen. Hoewel dat misschien wat gekunsteld voorkomt, is in de literatuur gesuggereerd dat deze benadering wenselijk is.2
Voor deze situatie lijken drie alternatieven te bestaan. Het eerste alternatief is dat de verjaringstermijn voor alle schade, waarvan voorzienbaar is dat deze als gevolg van het voortduren van de gedraging zal ontstaan, aanvangt op het moment dat de benadeelde bekend is met de eerste schade en de aansprakelijke persoon. Het gevolg van deze benadering zou kunnen zijn dat op den duur, als de gedraging langer duurt dan de verjaringstermijn, geen schadevergoeding meer zou kunnen worden gevorderd ondanks het feit dat de desbetreffende gedraging voortduurt en tot schade leidt. Daarvoor bestaat volgens Verheul geen goede reden.3
Het tweede alternatief is dat voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn wordt aangeknoopt bij het einde van de voortdurende gedraging. Dat is op zich efficiënt en vanuit schuldeisersperspectief rechtvaardig, maar leidt er tegelijk toe dat de schuldeiser met name bij lange voortdurende gedragingen (bijvoorbeeld langer dan vijf jaar) niet wordt aangespoord om in actie te komen. Dat ondergraaft de ratio van het verjaringsleerstuk en is niet in het belang van de schuldenaar, die er voor de toekomst belang bij heeft om te weten hoe de schuldeiser over zijn prestatie denkt, zodat hij zijn gedrag eventueel kan aanpassen en zijn bewijspositie veilig kan stellen.4
Het derde alternatief is het opknippen van de gedraging. Dat voorkomt dat de benadeelde op den duur geen vergoeding meer kan vorderen voor toekomstige schade, terwijl ook voorkomen wordt dat de benadeelde schadevergoeding kan vorderen over de periode langer dan vijf jaar geleden gerekend vanaf het moment dat hij in actie komt.5 Deze benadering resulteert in de situatie dat de schuldeiser schadevergoeding kan vorderen voor schade die hij in de afgelopen vijf jaar heeft geleden, alsmede van op dat moment voorzienbare toekomstige schade.
Dit uitstapje naar het verjaringsrecht laat zien dat slechts één benadering kan resulteren in de situatie die de Hoge Raad in Nanada c.s./Golden Earring bij de klachtplicht voor ogen heeft. Dat is de situatie waarin een voortdurende prestatie wordt opgeknipt en telkens een afzonderlijke klachttermijn gaat lopen. Alleen op die manier kan een situatie ontstaan waarin de schuldeiser zijn vorderingen behoudt voor de periode die binnen de klachttermijn van art. 6:89 BW valt.