Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.2:10.2 Samenwerkingsverbanden en supranationale organisaties
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.2
10.2 Samenwerkingsverbanden en supranationale organisaties
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456974:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Naast Canada en de Verenigde Staten zijn dat Australië, de Bahamas, Bolivia, Chili, Costa Rica, Ecuador, Honduras, Israël, Japan, Zuid-Korea, Mauritius, Mexico, Panama, Tonga, Trinidad en Tobago en Venezuela.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor klassieke rechtshulp op het Europese continent is in dit verband de Raad van Europa een drijvende kracht geweest. De meeste ‘hoofdverdragen’ op basis waarvan het rechtshulpverkeer van en naar Nederland plaatsvond totdat de Europese Unie die positie overnam, zijn binnen de Raad van Europa tot stand gekomen. Het EUV met aanvullende protocollen is daarvan misschien wel het belangrijkste voorbeeld, maar ook het ERV en het VOGP dienen zeker te worden genoemd. Voor dit hoofdstuk is echter interessant dat niet alleen lidstaten van de Raad van Europa partij zijn bij deze verdragen. Waar tot het EUV en het ERV op bescheiden schaal niet-lidstaten tot het verdrag zijn toegetreden (voor het EUV zijn dat Israël, Zuid-Korea en Zuid-Afrika, voor het ERV Chili, Israël en Zuid-Korea), daar is het VOGP van meet af aan breder opgezet, getuige ook de naam en vooral het feit dat Canada en de Verenigde Staten reeds bij de totstandkoming het verdrag ondertekenden. Thans is een vrij groot aantal staten van buiten de Raad van Europa partij bij dit verdrag.1 Dat juist dit verdrag een veel groter toepassingsbereik heeft gekregen wekt geen verbazing. Eerder bleek al dat het betrekkelijk vrijblijvend van karakter is, in die zin dat de samenwerking telkens op overeenstemming tussen de twee landen berust, en daarnaast op toestemming van de veroordeelde.