Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.3:10.3 Mensenrechtenverdragen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.3
10.3 Mensenrechtenverdragen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453380:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In beide eerdergenoemde gevallen, verdraggebonden en verdragloze samenwerking, is de werking van mensenrechtenverdragen, al dan niet met een toezichtmechanisme, van groot belang. Om te beginnen kan een onderscheid worden gemaakt tussen staten die bij geen enkel mensenrechtenverdrag partij zijn en staten die dat wel zijn. De eerste categorie is niet zo groot gezien de dekking van de vele meestal regionale mensenrechtenverdragen in de wereld, zoals – bepaald niet uitputtend – het IVBPR, het EVRM, het Afrikaans Handvest voor de Mensenrechten, het Amerikaans Verdrag voor de Mensenrechten en bijzondere verdragen zoals het Antifolterverdrag en het Verdrag inzake de rechten van het kind. Wanneer staten wel partij zijn bij een of meer mensenrechtenverdragen is van belang welke mate van vertrouwen dat verdrag of die verdragen opleveren. Dat zal te maken hebben met de waarborgen die het biedt. Uiteraard zijn de materiële waarborgen van belang – welke mensenrechten worden gegarandeerd? – maar ook procedurele waarborgen spelen een belangrijke rol. Een mensenrechtenverdrag krijgt tanden met een toezichtmechanisme, zeker wanneer dat bindend is en het een individueel klachtrecht kent. Ten slotte speelt nog een rol of beide staten partij zijn bij hetzelfde mensenrechtenverdrag. De verdere werking van mensenrechtenverdragen zal in het volgende hoofdstuk worden belicht.