Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.6:10.6 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.6
10.6 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453381:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de keper beschouwd is de vraag met welke concrete staat wordt samengewerkt misschien wel de meest cruciale waar het gaat om het in die andere staat te stellen of gestelde vertrouwen. In expliciete zin is doorgaans echter maar weinig terug te vinden aangaande met name de concrete kenmerken van de staat waarmee een rechtshulprelatie wordt aangegaan. Die rechtshulprelatie kan in abstracte zin worden aangegaan (door het sluiten van een verdrag) of in concrete zin (in een individueel geval, al dan niet op basis van een verdrag). Met name bij het aangaan van een verdragsrelatie met een of meer andere staten bestaat er – afhankelijk van het type verdrag, in hoofdstuk 5 en de vorige paragraaf zijn hier nadrukkelijke kanttekeningen bij gezet waar het om brede (VN)verdragen gaat – ruimte om de voor de betreffende vorm van rechtshulp cruciale kenmerken van de andere staat te beoordelen. Zo kan men bij het aangaan van een WOTS-verdrag enerzijds het detentiesysteem van de andere staat toetsen (voor aan die staat over te dragen vrijheidsstraffen) en anderzijds het strafrechtelijke systeem (voor van die andere staat over te nemen veroordelingen). Zeker waar het vertrouwensbeginsel doorgaans op een met een andere staat gesloten verdrag wordt gebaseerd, is een dergelijke concrete beoordeling alleszins gerechtvaardigd. Door een dergelijke beoordeling vast onderdeel te laten zijn van bijvoorbeeld de toelichting bij het verdrag met het oog op de parlementaire goedkeuring ervan, wordt die beoordeling tot op zekere hoogte onttrokken aan de politieke krachten en gevoeligheden. De beoordeling van de verdragspartner kan later een rol spelen bij het al dan niet periodiek evalueren van de verdragsrelatie en in elk geval bij het beoordelen van een concreet verzoek tot samenwerking. De initiële stand van zaken dient dan in zekere zin als ‘nullijn’ of benchmark en kan vervolgens worden vergeleken met de stand van zaken op een later moment.
Het parlement kan zijn controlerende taak dan, op verschillende momenten, ook beter uitoefenen. Het eerste moment is natuurlijk dat van de verdragsluiting en ratificatie, maar ook bij cruciale veranderingen in de andere staat of bij het uitkomen van bijvoorbeeld rapportages van non-gouvernementele organisaties op het gebied van mensenrechten of verdragsrechtelijke toezichthouders (zoals het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing) kan de oorspronkelijke situatie een rol spelen bij de vraag of het wenselijk is dat de verdragsrelatie zonder meer blijft voortduren.
Bij de beantwoording van de vragen die in dit hoofdstuk spelen is telkens wel van belang wat het verdrag precies behelst. Hoe verplichtend is het verdrag? Welke voorwaarden en weigeringsgronden kent het? Welke ‘taakverdeling’ is inherent aan de specifieke vorm van rechtshulp? Maar ook die vragen kunnen onder ogen worden gezien bij de initiële beoordeling van de andere staat. Zo is voorstelbaar, zij het diplomatiek gevoelig, dat bij het aangaan van een WOTS-verdrag expliciet wordt gezegd dat de detentieomstandigheden in de andere staat zeer te wensen overlaten. Die gebrekkige detentieomstandigheden kunnen zonder meer de wens voeden om Nederlandse gedetineerden hun straf in Nederland uit te laten zitten. Voor gedetineerden uit de andere staat zijn de detentieomstandigheden aldaar echter wel problematisch. Als echter het verdrag overbrenging in alle gevallen afhankelijk maakt van expliciete instemming van de veroordeelde (zoals doorgaans het geval is), kan worden verdedigd dat daarmee voldoende tegemoet wordt gekomen aan het belang van de in Nederland veroordeelde vreemdeling om niet in erbarmelijke omstandigheden gedetineerd te zijn. Hij heeft dat immers in eigen hand. Een zakelijke en concrete verantwoording van het al dan niet aangaan van een verdragsrelatie met een bepaalde staat, maakt dergelijke overwegingen echter inzichtelijk en maakt een zuiverder toepassing van het vertrouwensbeginsel mogelijk. De praktijk, verdediging, bestuur en rechter, kan in concrete gevallen door een dergelijke benadering veel beter aan de orde stellen en beoordelen of de aanname van vertrouwen terecht was en nog altijd is en of dat ook geldt voor het concrete vraagstuk waar het in een concreet geval om gaat.