Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PbEG 2001, L 311/67, zoals nadien veelvuldig gewijzigd. Er is een geconsolideerde tekst van de geneesmiddelenrichtlijn per 1 januari 2022.
HR, 06-09-2024, nr. 23/00104
ECLI:NL:HR:2024:1139
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-09-2024
- Zaaknummer
23/00104
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1139, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑09‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1212
ECLI:NL:HR:2024:931, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1212
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:9768
ECLI:NL:PHR:2023:1212, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1139
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:931
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑02‑2023
- Vindplaatsen
SEW 2024/152, p. 507
JGR 2024/30 met annotatie van C. van der Beek
AB 2024/211 met annotatie van A.C. Hendriks
JGR 2024/30 met annotatie van C. van der Beek
Uitspraak 06‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Gezondheidsrecht. Geneesmiddelenrichtlijn (Richtlijn 2001/83/EG). Toepassingsgebied richtlijn. Art. 3 lid 2 richtlijn. Vergunningsplichten. Richtlijnconforme uitleg Geneesmiddelenwet. Volledige harmonisatie? Kwalitatieve voorwaarden. Kwantitatief criterium in vorm van getalscriterium? Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan HvJEU over uitleg van art. 3 lid 2 Geneesmiddelenrichtlijn.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00104
Datum 6 september 2024
ARREST
In de zaak van
1. ALMIRALL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. ALMIRALL S.A.,
gevestigd te Barcelona, Spanje,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna in enkelvoud: Almirall,
advocaat: I.L.N. Timp,
tegen
1. INFINITY PHARMA B.V.,
gevestigd te Helmond,
2. PHARMALINE B.V.,
gevestigd te Oldenzaal,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: Infinity, Pharmaline en gezamenlijk Pharmaline c.s.,
advocaat: T. van Malssen.
1. Procesverloop
1.1
De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 21 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:931). In dat arrest heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) en over de beoogde vragen van uitleg als in die uitspraak vermeld. De advocaten van partijen hebben zich schriftelijk uitgelaten over het hiervoor bedoelde voornemen en de beoogde vragen van uitleg. Almirall heeft de Hoge Raad verzocht af te zien van het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU en een aantal aanpassingen en aanvullingen van de beoogde vragen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen voorgesteld.
1.2
De Hoge Raad ziet geen aanleiding af te zien van het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU en evenmin tot wijziging of aanvulling van de te stellen vragen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak vordert een farmaceutisch bedrijf dat het twee apotheken wordt verboden zonder vergunning aan patiënten een door de apotheken bereid medicijn te leveren. In cassatie gaat het om de vraag of op grond van de Geneesmiddelenwet (hierna: Gnw), toegepast conform Richtlijn 2001/83/EG1.(hierna: geneesmiddelenrichtlijn), een kwantitatieve beperking geldt voor verstrekking door een apotheek aan patiënten van door die apotheek zelf vervaardigde medicijnen waarvoor de apotheek niet beschikt over een handels- en fabrikantenvergunning.
Omdat de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag samenhangt met de uitleg van bepalingen van de geneesmiddelenrichtlijn en over deze uitleg redelijkerwijs twijfel kan bestaan, ziet de Hoge Raad aanleiding hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Almirall is een internationaal farmaceutisch bedrijf, dat zich onder meer richt op de productie en verkoop van het geneesmiddel Skilarence. Skilarence wordt gebruikt voor de behandeling van psoriasis. Skilarence bevat dimethylfumaraat als werkzame stof en is sinds 1 juli 2018 commercieel in Nederland verkrijgbaar.
(ii) Infinity heeft tot en met december 2021 in haar apotheek het geneesmiddel Psorinovo bereid. Psorinovo is net als Skilarence bestemd voor de behandeling van psoriasis. Het bevat eveneens dimethylfumaraat als werkzame stof. Pharmaline is een zustervennootschap van Infinity en drijft eveneens een apotheek. Pharmaline bereidt sinds 1 januari 2021 Psorinovo in haar apotheek.
(iii) Almirall beschikt voor Skilarence over een handelsvergunning en een fabrikantenvergunning in de zin van art. 18 onderscheidenlijk art. 40 Gnw. Pharmaline c.s. beschikken voor Psorinovo niet over die vergunningen.
(iv) In augustus 2018 is tussen Almirall c.s. en Infinity discussie ontstaan over de vraag in hoeverre het Infinity is toegestaan om Psorinovo te bereiden en te verkopen. Almirall en Infinity zijn in november 2018 overeengekomen dat Infinity met onmiddellijke ingang de magistrale bereiding van Psorinovo in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving slechts ter hand stelt aan ‘eigen’ patiënten van haar apotheek.
(v) Vervolgens is discussie ontstaan over de rechtmatigheid van de omvang waarmee Infinity Psorinovo verstrekte in haar apotheek na de totstandkoming van de hiervoor onder (iv) bedoelde afspraak.
(vi) Op 8 april 2019 heeft de minister van Medische Zorg en Sport (hierna: de minister) een brief2.aan de Tweede Kamer gestuurd waarin is opgenomen dat apotheekbereidingen van de vergunningplicht zijn uitgezonderd als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden is dat de bereiding dient voor “verstrekking in het klein”. Verstrekking in het klein wordt in deze brief geduid als verstrekking aan enkele tot circa vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel (hierna ook: het getalscriterium).
(vii) Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van Almirall heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) aan Infinity een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de vergunningplichten uit art. 18 lid 1 en art. 40 lid 2 Gnw. Het bezwaar van Infinity tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Ook het beroep van Infinity bij de bestuursrechter is ongegrond verklaard3.. Infinity heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
(viii) Op 12 januari 2021 heeft Infinity aan Almirall meegedeeld dat zij de exploitatie van haar apotheek heeft beëindigd en de bedrijfsactiva aan Pharmaline heeft verkocht.
(ix) Naar aanleiding van een door Almirall ingediend handhavingsverzoek heeft de IGJ aan Pharmaline een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de vergunningplichten uit art. 18 lid 1 en art. 40 lid 2 Gnw.
(x) In een civielrechtelijke bodemprocedure heeft de rechtbank4.Infinity, uitvoerbaar bij voorraad, geboden om nog uitsluitend geneesmiddelen ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden, voor zover die aflevering en/of ter-handstelling binnen de door de minister gegeven norm van vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik blijft. Tegen deze beslissing heeft Infinity hoger beroep ingesteld.
2.3
Almirall heeft in dit kort geding gevorderd Pharmaline c.s. te gebieden om nog uitsluitend Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of ter hand te stellen aan vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn, en/of te verbieden om Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of af te leveren aan meer dan vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn.
2.4
De voorzieningenrechter5.heeft Pharmaline c.s. verboden met ingang van 1 januari 2022 Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of af te leveren nadat de door de minister gestelde norm van vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn is bereikt.
Voor zover in cassatie van belang, heeft de voorzieningenrechter aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat indien moet worden aangenomen dat apotheekbereidingen zoals die van Psorinovo buiten de toepassing van de geneesmiddelenrichtlijn vallen, de Nederlandse wetgever in beginsel de vrijheid heeft om de toelaatbaarheid van apotheekbereidingen te reguleren. Met de toevoeging van de woorden “op kleine schaal” in art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3 Gnw heeft de wetgever bedoeld een beperking te stellen aan de omvang waarop apotheekbereidingen zijn toegestaan. Deze kwantitatieve limitering, en de getalsmatige invulling daarvan volgens het beleid van de IGJ, zijn niet in strijd met de richtlijn of met andere Europese regelgeving, aldus de voorzieningenrechter.
2.5
Het hof6.heeft aan Infinity hetzelfde verbod opgelegd als in eerste aanleg door de voorzieningenrechter was opgelegd. Het hof heeft daaraan kort gezegd ten grondslag gelegd dat het hof, in hoger beroep oordelend als voorzieningenrechter, zich waar het de positie van Infinity betreft dient te richten naar het hiervoor in 2.3 onder (x) genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant in de bodemprocedure. Het aan Infinity opgelegde verbod is in cassatie niet meer aan de orde.
Het hof heeft aan Pharmaline, die geen partij was in die bodemprocedure, een minder vergaand verbod opgelegd. Het heeft Pharmaline verboden met onmiddellijke ingang Psorinovo of een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele officinale aflevering te bereiden en/of af te leveren, nadat de door de minister gegeven norm van meer dan vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn is bereikt, als de officinale bereiding niet volgens de farmacopee is en/of de aflevering niet rechtstreeks aan klanten van haar apotheek is.
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende aan dit oordeel ten grondslag gelegd.
Wat betreft de verhouding tussen de Gnw en de geneesmiddelenrichtlijn dient het volgende tot uitgangspunt. De Gnw dient mede ter implementatie van de geneesmiddelenrichtlijn. De bepalingen van de Gnw die ten grondslag liggen aan de beoordeling van dit geschil moeten dus conform de bepalingen van deze richtlijn worden uitgelegd. (rov. 3.5)
Tussen partijen staat vast dat het in dit geschil gaat over (de uitleg van) de onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn bedoelde Formula officinalis, te weten “geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd”. (rov. 3.7)
Of de geneesmiddelenrichtlijn volledige harmonisatie beoogt, laat het hof in het midden. Wel is het bij de (richtlijnconforme) beoordeling van art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3, onder a, Gnw van belang of Pharmaline waar het de bereiding en verstrekking van Psorinovo betreft, voldoet aan de voorwaarden die art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn daaraan stelt. (rov. 3.8)
Naar het voorlopig oordeel van het hof is dat het geval. Art. 3 geneesmiddelenrichtlijn stelt geen kwantitatieve, maar slechts materiële voorwaarden aan de apotheekbereidingen. Pharmaline heeft onbetwist gesteld dat zij bij de in geding zijnde bereiding van Psorinovo de aanwijzingen van het algemene gedeelte van de farmacopee volgt en dat is voldoende, nu de geneesmiddelenrichtlijn geen onderscheid maakt tussen het algemene en het bijzondere deel van de farmacopee. (rov. 3.9)
Het hof kan niet beoordelen of het in dit geval gaat om de bereiding van geneesmiddelen in de apotheek van Pharmaline die rechtstreeks aan de klanten van die apotheek worden verstrekt. Het door Almirall gevorderde verbod kan dus niet worden opgelegd. Wel gaat het hof er vooralsnog vanuit dat Pharmaline voldoet aan die eisen, nu Pharmaline (onweersproken) heeft gesteld dat zij Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten verstrekt en Almirall onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is.
Dat de vordering van Almirall in overeenstemming is met de Gnw en de wijze waarop de minister daaraan in zijn brief van 8 april 2019 uitvoering heeft gegeven, maakt dat niet anders. In de brief wordt uitgegaan van een kwantitatief criterium, terwijl de geneesmiddelenrichtlijn, wat betreft de vraag of een apotheekbereiding onder haar toepassingsgebied valt, een kwalitatief criterium voorschrijft. Gezien de richtlijnconforme uitleg van de Gnw en daarop gebaseerde regelgeving, voor zover de brief van de minister al als zodanig kan worden beschouwd, kan daarom niet van dat kwantitatieve criterium worden uitgegaan. Dat betekent dat als de bereiding en aflevering door Pharmaline in een concreet geval voldoet aan de voorwaarden die de Gnw, gelezen in het licht van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, daaraan stelt, zij gerechtigd is tot die aflevering over te gaan. (rov. 3.10)
Naar het voorlopig oordeel van het hof dient een verbod jegens Pharmaline zijn begrenzing te vinden in de voorwaarden die de Gnw, gelezen in het licht van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, stelt aan een officinale bereiding en verstrekking. Indien Pharmaline Psorinovo volgens de aanwijzingen van de farmacopee bereidt en rechtstreeks aan haar klanten verstrekt, kan daar geen verbod voor worden opgelegd. Daarbij komt dat het verbod evenmin betrekking kan hebben op (de eerste) vijftig patiënten per maand, omdat de vordering van Almirall daarop geen betrekking heeft en de voorzieningenrechter die beperking in zijn verbod heeft opgenomen. (rov. 3.11)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.10-3.11, in samenhang met rov. 3.5-3.9, dat, samengevat, bij richtlijnconforme uitleg van art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw niet van het getalscriterium kan worden uitgegaan.
Onderdeel 1a acht dit oordeel onjuist op de grond dat art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn enkel het toepassingsgebied van de richtlijn (nader) omlijnt en niet (tevens) (uitputtende) voorwaarden bevat die meebrengen dat, als aan de voorwaarden van de richtlijnbepaling is voldaan, de lidstaten geen (nadere) voorwaarden mogen stellen dan wel invulling mogen geven aan de regel dat een vergunning voor verstrekkingen van geneesmiddelen op kleine schaal niet benodigd is. Indien aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 van de richtlijn is voldaan, is de richtlijn niet van toepassing, zodat de soevereiniteit van de lidstaten niet wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van de nationale bepaling in het licht van de richtlijn niet aan de orde is, aldus het onderdeel.
Onderdeel 1c betoogt, onder meer, dat het hof niet in het midden had mogen laten of de richtlijn volledige harmonisatie beoogt omdat in geval van minimumharmonisatie het de nationale lidstaten in beginsel is toegestaan verdergaande regelingen te treffen.
Onderdeel 1e klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat is voldaan aan de voorwaarden uit art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn onjuist is, omdat de voorwaarde dat geneesmiddelen voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, een kwantitatief element in zich heeft waarbij ook de schaal van de apothekersactiviteit van belang is.
3.2.1
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dit geschil betrekking heeft op de in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn bedoelde Formula officinalis, te weten “geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd”. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende tot uitgangspunt.
De geneesmiddelenrichtlijn: vergunningplichten, toepassingsgebied, uitzonderingen
3.2.2
Art. 6 en art. 40 geneesmiddelenrichtlijn stellen, kort gezegd, voor het in de handel brengen respectievelijk vervaardigen van geneesmiddelen een zogenoemde handelsvergunning onderscheidenlijk fabrikantenvergunning verplicht. Deze vergunningplichten strekken ertoe controle uit te oefenen op de gehele distributieketen van geneesmiddelen door de verschillen tussen nationale voorschriften op te heffen ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid.7.
Deze bepalingen luiden, voor zover in dit geding van belang:
“Artikel 6
Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn (…).”
“Artikel 40
1. De lidstaten treffen de dienstige maatregelen om te bewerkstelligen dat voor de vervaardiging, op hun grondgebied, van geneesmiddelen een vergunning is vereist. (…)
2. De in lid 1 bedoelde vergunning is vereist zowel voor de gedeeltelijke of volledige vervaardiging als voor de uit verdeling, verpakking of presentatie bestaande verrichtingen.
Deze vergunning is evenwel niet vereist voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren.”
3.2.3
Het toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn wordt bepaald door onder meer8.:
“Artikel 2
1. Deze richtlijn is van toepassing op geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht, die industrieel of door middel van een industrieel procedé worden vervaardigd.
2. (…).
Artikel 3
Deze richtlijn is niet van toepassing op:
1. geneesmiddelen die in de apotheek volgens medisch recept voor een bepaalde patiënt worden bereid, algemeen Formula magistralis geheten;
2. geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, algemeen Formula officinalis geheten; (…).”
3.2.4
Onder het toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn vallen volgens art. 2 van die richtlijn industrieel vervaardigde en door middel van een industrieel procedé vervaardigde geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht. Het HvJEU9.heeft geoordeeld dat de termen ‘industrieel bereid’ en ‘door middel van een industrieel procedé vervaardigd’ niet beperkend uitgelegd mogen worden en dat deze termen dus minstens betrekking moeten hebben op elk preparaat of elke vervaardiging waarbij een industrieel procedé wordt toegepast. Een industrieel procedé wordt in de regel gekenmerkt door een opeenvolging van handelingen, die onder meer mechanisch of chemisch kunnen zijn, waarmee wordt beoogd aanzienlijke hoeveelheden van een gestandaardiseerd product te verkrijgen. Aangenomen moet worden dat de gestandaardiseerde productie van aanzienlijke hoeveelheden van een geneesmiddel met het oog op opslag of groothandelsverkoop, alsook de productie op grote schaal of in serie van formulae magistrales in partijen kenmerkend zijn voor een industriële bereiding of voor productie door middel van een industrieel procedé.
Van de industriële vervaardiging van geneesmiddelen moet worden onderscheiden de wijze van bereiding van een geneesmiddel via een ambachtelijk procedé.10.
3.2.5
Art. 3 geneesmiddelenrichtlijn beperkt het toepassingsgebied van de richtlijn waardoor voor de daar genoemde bereidingen en verstrekkingen van geneesmiddelen de in art. 6 en art. 40 geneesmiddelenrichtlijn geregelde vergunningplichten niet gelden. In deze procedure gaat het om de in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn bedoelde Formula officinalis (zie hiervoor in 3.2.1). Art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn moet strikt worden uitgelegd en de voorwaarden voor toepassing daarvan gelden cumulatief.11.
De ratio van het uitzonderen van de in art. 3 geneesmiddelenrichtlijn genoemde geneesmiddelen wordt door Advocaat-Generaal Sharpston geduid als volgt:
“Het doel van deze uitzonderingen is evident. Zij willen de verstrekking van geneesmiddelen aan het publiek in omstandigheden die zich, zo niet op dagelijkse basis, dan toch met enige regelmaat voordoen in de lidstaten, uitsluiten van het ingewikkelde, en bovendien dure, stelsel van vergunningen voor het in de handel brengen. Zij gaan ervan uit dat het betrokken geneesmiddel wordt bereid in een apotheek – dus door of onder toezicht van een apotheker. De burger wordt derhalve beschermd, in zoverre de bereiding onder de verantwoordelijkheid valt van een gekwalificeerd medisch beroepsbeoefenaar met vakkennis op het gebied van de verstrekking van de betrokken geneesmiddelen. De bij die bepalingen voorziene aanvullende beperkingen zorgen ervoor dat de apotheker de geneesmiddelen op individuele basis verstrekt. Anders zou het gevaar bestaan dat de bereiding niet onder het vereiste toezicht plaatsvindt.”12.
3.2.6
Art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn, voorziet in een uitzondering op de plicht om over een fabrikantenvergunning te beschikken. Voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm is volgens deze bepaling geen vergunning vereist wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren. Aan de Engelse, Franse en Italiaanse taalversies van de richtlijn kan worden ontleend dat de bepaling ertoe strekt aldus een aantal handelingen verricht door de apotheker in het kader van de detailhandel uit te zonderen van de voorgeschreven vergunningplicht; zie de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak onder 4.15.13.
De Geneesmiddelenwet: vergunningplichten, uitzondering
3.3.1
De geneesmiddelenrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Gnw. Art. 18 lid 1 en art. 40 lid 1 en 2 Gnw verbieden, kort gezegd, een geneesmiddel te bereiden of in het handelsverkeer te brengen zonder fabrikantenvergunning onderscheidenlijk handelsvergunning. De Nederlandse wetgever heeft art. 3 geneesmiddelenrichtlijn niet omgezet in een aan art. 3 geneesmiddelenrichtlijn vergelijkbare, afzonderlijke bepaling. De wetgever heeft art. 3 geneesmiddelenrichtlijn geïmplementeerd door in de bepalingen over de fabrikantenvergunning en de handelsvergunning een uitzondering op de vergunningplicht op te nemen voor bereidingen op kleine schaal. De relevante bepalingen luiden als volgt:
“Artikel 18
(…)
5. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op het op kleine schaal bereiden van geneesmiddelen ten behoeve van terhandstelling in een apotheek door of in opdracht van een apotheker of van een in artikel 61, eerste lid, onder b, bedoelde huisarts en op het door hen in voorraad hebben of te koop aanbieden van geneesmiddelen.
Artikel 40
(…)
3. Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid is niet van toepassing:
a. op geneesmiddelen die door of in opdracht van een apotheker of een huisarts als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder b, in diens apotheek op kleine schaal zijn bereid en ter hand worden gesteld; (…).”
3.3.2
Over deze uitzonderingen is in de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke voorstel van wet, waarin de uitzonderingen op de vergunningplicht nog niet de precisering bevatten dat het moet gaan om een bereiding ‘op kleine schaal’, opgemerkt:
“Hoofdregel is dat het verboden is geneesmiddelen te vervaardigen en in de handel te brengen zonder de vereiste vergunningen. Deze verboden zullen niet van toepassing zijn met betrekking tot geneesmiddelen die door een apotheker in een apotheek zijn bereid en bestemd zijn om rechtstreeks aan klanten van de desbetreffende apotheek te worden verstrekt. Deze uitzondering vloeit voort uit artikel 3 van richtlijn 2001/83/EG.”14.
Bij de beoordeling of geneesmiddelen onder deze uitzondering vallen, moet volgens de memorie van toelichting aansluiting worden gezocht bij de voorwaarden uit art. 3 geneesmiddelenrichtlijn:
“De begrippen klein- en grootschalig zijn echter tamelijk onbepaald en kunnen louter op zichzelf genomen geen harde maatstaf bieden voor het wel of niet bestaan van vergunningplicht (fabrikanten- en handelsvergunning). (…) De belangrijkste maatstaf komt evenwel uit de eerdergenoemde bepaling in richtlijn 2001/83/EG [art. 3 geneesmiddelenrichtlijn, HR]: de geneesmiddelen moeten bestemd zijn voor rechtstreekse verstrekking aan de klanten van de apotheek (hetgeen automatisch beperkingen inhoudt voor de productieschaal). Is daarvan geen sprake, dan geldt de vergunningplicht voluit. De productieschaal en andere omstandigheden kunnen ondersteuning bieden bij de vaststelling of feitelijk sprake is van fabrieksmatig vervaardigen van geneesmiddelen, dan wel van eigen bereidingen van een apotheek. De beoordeling of sprake is van apotheekbereidingen of van industriële vervaardiging is, zo blijkt uit het voorgaande, telkens een weging van een specifiek feitencomplex.”15.
3.3.3
Over de toevoeging van de woorden ‘op kleine schaal’ is in de nota van wijziging bij art. 40 lid 3, onder a, Gnw opgemerkt dat zij dient om “de uitzondering voor in de apotheek bereide geneesmiddelen, die artikel 3 van richtlijn 2001/83 maakt op het verbod om in de handel te brengen zonder handelsvergunning, meer in overeenstemming te brengen met de terminologie die artikel 40, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn voor apotheekbereidingen hanteert”.16.
Richtlijnconforme uitleg Geneesmiddelenwet
3.4
Uit het voorgaande volgt dat de in art. 6 en art. 40 geneesmiddelenrichtlijn geregelde vergunningplichten niet gelden als een geneesmiddel valt onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn (geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd). Art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn stelt geen aanvullende, kwantitatieve eisen. Ingevolge art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn is geen fabrikantenvergunning vereist voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren.
3.5.1
Het hof heeft – kort samengevat – geoordeeld dat de in art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw geregelde uitzonderingen op de vergunningplichten richtlijnconform moeten worden uitgelegd. Het gaat volgens het hof erom of is voldaan aan de voorwaarden die art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn stelt. Art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn stelt geen kwantitatieve voorwaarden. Daarom mag bij de uitleg en toepassing van art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw niet van het getalscriterium van enkele tot circa vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel worden uitgegaan. Voor dit oordeel is niet van belang of de geneesmiddelenrichtlijn volledige harmonisatie beoogt.
3.5.2
Deze oordelen van het hof worden door Almirall in cassatie bestreden. Voor de beoordeling van de klachten van het middel over de uitleg die het hof aan art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw heeft gegeven en over de wijze waarop het die bepalingen op de feiten in deze zaak heeft toegepast, dient te worden vastgesteld welke betekenis de geneesmiddelenrichtlijn in dit verband heeft.
3.6.1
Het bepaalde in art. 2 en 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn roept de vraag op of, indien een geneesmiddel voldoet aan de omschrijving van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, die richtlijn daarop niet van toepassing is, zodat de soevereiniteit van de lidstaten niet door de richtlijn wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van de nationale bepaling in het licht van de richtlijn niet aan de orde is en de lidstaten naar eigen inzicht kunnen regelen of een zodanig geneesmiddel vergunningplichtig is, dan wel dat art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn ertoe strekt dat voor een geneesmiddel dat voldoet aan de omschrijving van deze bepaling geen vergunningplicht geldt.
3.6.2
De beantwoording van deze vraag is van belang voor het geval een geneesmiddel voldoet aan de omschrijving van zowel art. 2 als art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn. In dat geval zou kunnen worden geredeneerd dat het geneesmiddel dus niet buiten het toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn valt, met als gevolg dat de soevereiniteit van de lidstaten ten aanzien van die geneesmiddelen wel wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van de nationale bepaling in het licht van de richtlijn wel aan de orde is.
Voor de beantwoording van de hiervoor in 3.6.1 vermelde vraag is mogelijk relevant in hoeverre de geneesmiddelenrichtlijn, althans art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, voorziet in volledige harmonisatie.
Voor de kwestie of bij de beantwoording van de vraag of een geneesmiddel onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn valt, het getalscriterium mag worden betrokken, is van belang of de kwalitatieve voorwaarden van deze richtlijnbepaling zich verdragen met een kwantitatief criterium. Hoewel art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn zelf niet een kwantitatieve voorwaarde bevat, zou uit het in de Nederlandse taalversie gebruikte “voor verstrekking in het klein” bij de in art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn geregelde uitzondering kunnen worden afgeleid dat bij het maken van de door de geneesmiddelenrichtlijn geregelde uitzondering een kwantitatieve voorwaarde mag worden betrokken. Anderzijds zou aan de Engelse (“solely for retail supply”), Franse (“uniquement en vue de la déliverance au détail”) en Italiaanse (“soltanto per la fornitura al dettaglio”) taalversies van de richtlijn kunnen worden ontleend dat de bepaling ertoe strekt een aantal handelingen verricht door de apotheker in het kader van de detailhandel uit te zonderen van de voorgeschreven vergunningplicht en daarmee uitgaat van een kwalitatieve voorwaarde.17.
3.6.3
Het getalscriterium dat in dit geding aan de orde is, houdt in dat het in de nationale wet gebruikte begrip ‘op kleine schaal bereiden’, tegen de achtergrond van art. 40 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn wordt geduid als de verstrekking aan enkele tot circa vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel. Hoewel dit criterium niet één precies getal aanwijst, behelst het onmiskenbaar een kwantitatieve maximering. Het getalscriterium vult aldus de in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn gegeven omschrijving ter beoordeling van een specifiek feitencomplex aan. In voorkomend geval heeft dit het effect dat voor geneesmiddelen die voldoen aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn naar nationaal recht een vergunningplicht geldt.
3.6.4
Het HvJEU heeft niet eerder beslist of bij de uitleg van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn een kwantitatieve maatstaf mag worden betrokken en evenmin of, indien een geneesmiddel valt onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, het de lidstaten vrijstaat aan de hand van een kwantitatieve maatstaf zoals het hiervoor in 2.3 onder (vi) genoemde getalscriterium te bepalen dat boven een bepaald aantal verstrekkingen een vergunningplicht geldt. Over het antwoord op deze vragen is, mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.6.2-3.6.3 is overwogen, redelijkerwijs twijfel mogelijk. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding om die vragen aan het HvJEU voor te leggen.
3.7
De behandeling van de overige klachten van het middel zal worden aangehouden.
4. Omschrijving van de uitgangspunten en feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor onder 2 vermelde uitgangspunten en feiten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
5. Vragen van uitleg
1. Verdraagt een richtlijnconforme uitleg van art. 18 lid 5 en 40 lid 3 Gnw gelet op het bepaalde in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn zich ermee dat de beoordeling van een in de nationale wet opgenomen uitzondering op de vergunningplicht mede berust op een kwantitatieve maatstaf die met een getalscriterium is geconcretiseerd?
2. Staat het de nationale instanties vrij om een geneesmiddel dat valt onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn waardoor de in art. 6 en 40 geneesmiddelenrichtlijn geregelde vergunningplichten niet gelden, op grond van een in de nationale wet geregelde kwantitatieve voorwaarde die met een getalscriterium is geconcretiseerd onder een nationale vergunningplicht te brengen?
3. Is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang of de geneesmiddelenrichtlijn voor de in deze zaak relevante onderdelen in volledige harmonisatie voorziet en zo ja, voorziet deze in volledige harmonisatie?
4. In hoeverre is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang dat de in art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn geregelde uitzondering volgens de Nederlandse taalversie geldt “voor verstrekking in het klein” onderscheidenlijk volgens de Engelse, Franse en Italiaanse taalversies van de richtlijn betrekking lijkt te hebben op een aantal handelingen verricht door de apotheker in het kader van de detailhandel?
6. Beslissing
- de Hoge Raad verzoekt het HvJEU over de hiervoor onder 5 geformuleerde vragen uitspraak te doen;
- houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het HvJEU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 september 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑09‑2024
Rechtbank Oost-Brabant 10 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2356.
Rechtbank Oost-Brabant 8 september 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4957.
Rechtbank Overijssel 15 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4798.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9768.
Overwegingen 2-6 en 35 geneesmiddelenrichtlijn.
Deze tekst geldt sinds de wijziging van de geneesmiddelenrichtlijn bij Richtlijn 2004/27/EG van het Europese Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PbEG 2004, L 136/34.
HvJEU 16 juli 2015, zaken C-544/13 en C-545/13, ECLI:EU:C:2015:481 (Abcur), punt 50-51.
HvJEU 26 oktober 2016, zaak C-276/15, ECLI:EU:C:2016:801 (Hecht Pharma II), punt 32 en 34.
HvJEU 16 juli 2015, zaken C-544/13 en C-545/13, ECLI:EU:C:2015:481 (Abcur), punt 54 en 66.
Conclusie voor HvJEU 11 april 2013, zaak C-535/11, ECLI:EU:C:2013:226 (Novartis/Apozyt), punt 64.
Vgl. ook de Engelse taalversies van HvJEU 28 juni 2012, zaak C-7/11, ECLI:EU:C:2012:396 (Caronna), punt 35 en HvJEU 21 november 2018, zaak C-29/17, ECLI:EU:C:2018:931 (Novartis Farma), punt 62.
Kamerstukken II, 2003/04, 29359, nr. 3, p. 18-19.
Vgl. ook de Engelse taalversies van HvJEU 28 juni 2012, zaak C-7/11, ECLI:EU:C:2012:396 (Caronna), punt 35 en HvJEU 21 november 2018, zaak C-29/17, ECLI:EU:C:2018:931 (Novartis Farma), punt 62.
Uitspraak 21‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Geneesmiddelenrichtlijn (richtlijn 2001/83/EG). Toepassingsgebied richtlijn. Art. 3 lid 2 richtlijn. Vergunningsplichten. Richtlijnconforme uitleg Geneesmiddelenwet. Volledige harmonisatie? Kwalitatieve voorwaarden. Kwantitatief criterium in vorm van getalscriterium? Voornemen tot stellen van prejudiciële vragen aan HvJEU over uitleg van art. 3 lid 2 Geneesmiddelenrichtlijn.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00104
Datum 21 juni 2024
TUSSENARREST
In de zaak van
1. ALMIRALL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. ALMIRALL S.A.,
gevestigd te Barcelona, Spanje,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna in enkelvoud: Almirall,
advocaat: I.L.N. Timp,
tegen
1. INFINITY PHARMA B.V.,
gevestigd te Helmond,
2. PHARMALINE B.V.,
gevestigd te Oldenzaal,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: Infinity, Pharmaline en gezamenlijk Pharmaline c.s.,
advocaat: T. van Malssen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/08/272867 / KG ZA 21-238 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 15 december 2021;
b. de arresten in de zaak 200.306.109 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2022 en 15 november 2022.
Almirall heeft tegen het arrest van 15 november 2022 van het hof beroep in cassatie ingesteld.Pharmaline c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak vordert een farmaceutisch bedrijf dat het twee apotheken wordt verboden zonder vergunning aan patiënten een door de apotheken bereid medicijn te leveren. In cassatie gaat het om de vraag of op grond van de Geneesmiddelenwet (hierna: Gnw), toegepast conform Richtlijn 2001/83/EG1.(hierna: geneesmiddelenrichtlijn), een kwantitatieve beperking geldt voor verstrekking door een apotheek aan patiënten van door die apotheek zelf vervaardigde medicijnen waarvoor de apotheek niet beschikt over een handels- en fabrikantenvergunning.
Omdat de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag samenhangt met de uitleg van bepalingen van de geneesmiddelenrichtlijn en over deze uitleg redelijkerwijs twijfel kan bestaan, heeft de Hoge Raad het voornemen hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU).
2.2
Dit tussenarrest dient ertoe partijen gelegenheid te bieden zich uit te laten over het stellen van prejudiciële vragen en over de te stellen prejudiciële vragen.
2.3
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Almirall is een internationaal farmaceutisch bedrijf, dat zich onder meer richt op de productie en verkoop van het geneesmiddel Skilarence. Skilarence wordt gebruikt voor de behandeling van psoriasis. Skilarence bevat dimethylfumaraat als werkzame stof en is sinds 1 juli 2018 commercieel in Nederland verkrijgbaar.
(ii) Infinity heeft tot en met december 2021 in haar apotheek het geneesmiddel Psorinovo bereid. Psorinovo is net als Skilarence bestemd voor de behandeling van psoriasis. Het bevat eveneens dimethylfumaraat als werkzame stof. Pharmaline is een zustervennootschap van Infinity en drijft eveneens een apotheek. Pharmaline bereidt sinds 1 januari 2021 Psorinovo in haar apotheek.
(iii) Almirall beschikt voor Skilarence over een handelsvergunning en een fabrikantenvergunning in de zin van art. 18 onderscheidenlijk art. 40 Gnw. Pharmaline c.s. beschikken voor Psorinovo niet over die vergunningen.
(iv) In augustus 2018 is tussen Almirall c.s. en Infinity discussie ontstaan over de vraag in hoeverre het Infinity is toegestaan om Psorinovo te bereiden en te verkopen. Almirall en Infinity zijn in november 2018 overeengekomen dat Infinity met onmiddellijke ingang de magistrale bereiding van Psorinovo in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving slechts ter hand stelt aan ‘eigen’ patiënten van haar apotheek.
(v) Vervolgens is discussie ontstaan over de rechtmatigheid van de omvang waarmee Infinity Psorinovo verstrekte in haar apotheek na de totstandkoming van de hiervoor onder (iv) bedoelde afspraak.
(vi) Op 8 april 2019 heeft de minister van Medische Zorg en Sport (hierna: de minister) een brief2.aan de Tweede Kamer gestuurd waarin is opgenomen dat apotheekbereidingen van de vergunningplicht zijn uitgezonderd als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden is dat de bereiding dient voor “verstrekking in het klein”. Verstrekking in het klein wordt in deze brief geduid als verstrekking aan enkele tot circa vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel (hierna ook: het getalscriterium).
(vii) Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van Almirall heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) aan Infinity een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de vergunningplichten uit art. 18 lid 1 en art. 40 lid 2 Gnw. Het bezwaar van Infinity tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Ook het beroep van Infinity bij de bestuursrechter is ongegrond verklaard3.. Infinity heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
(viii) Op 12 januari 2021 heeft Infinity aan Almirall meegedeeld dat zij de exploitatie van haar apotheek heeft beëindigd en de bedrijfsactiva aan Pharmaline heeft verkocht.
(ix) Naar aanleiding van een door Almirall ingediend handhavingsverzoek heeft de IGJ aan Pharmaline een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de vergunningplichten uit art. 18 lid 1 en art. 40 lid 2 Gnw.
(x) In een civielrechtelijke bodemprocedure heeft de rechtbank4.Infinity, uitvoerbaar bij voorraad, geboden om nog uitsluitend geneesmiddelen ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden, voor zover die aflevering en/of ter-handstelling binnen de door de minister gegeven norm van vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik blijft. Tegen deze beslissing heeft Infinity hoger beroep ingesteld.
2.4
Almirall heeft in dit kort geding gevorderd Pharmaline c.s. te gebieden om nog uitsluitend Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of ter hand te stellen aan vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn, en/of te verbieden om Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of af te leveren aan meer dan vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn.
2.5
De voorzieningenrechter5.heeft Pharmaline c.s. verboden met ingang van 1 januari 2022 Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of af te leveren nadat de door de minister gestelde norm van vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn is bereikt.
Voor zover in cassatie van belang, heeft de voorzieningenrechter aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat indien moet worden aangenomen dat apotheekbereidingen zoals die van Psorinovo buiten de toepassing van de geneesmiddelenrichtlijn vallen, de Nederlandse wetgever in beginsel de vrijheid heeft om de toelaatbaarheid van apotheekbereidingen te reguleren. Met de toevoeging van de woorden “op kleine schaal” in art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3 Gnw heeft de wetgever bedoeld een beperking te stellen aan de omvang waarop apotheekbereidingen zijn toegestaan. Deze kwantitatieve limitering, en de getalsmatige invulling daarvan volgens het beleid van de IGJ, zijn niet in strijd met de richtlijn of met andere Europese regelgeving, aldus de voorzieningenrechter.
2.6
Het hof6.heeft aan Infinity hetzelfde verbod opgelegd als in eerste aanleg door de voorzieningenrechter was opgelegd. Het hof heeft daaraan kort gezegd ten grondslag gelegd dat het hof, in hoger beroep oordelend als voorzieningenrechter, zich waar het de positie van Infinity betreft dient te richten naar het hiervoor in 2.3 onder (x) genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant in de bodemprocedure. Het aan Infinity opgelegde verbod is in cassatie niet meer aan de orde.
Het hof heeft aan Pharmaline, die geen partij was in die bodemprocedure, een minder vergaand verbod opgelegd. Het heeft Pharmaline verboden met onmiddellijke ingang Psorinovo of een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele officinale aflevering te bereiden en/of af te leveren, nadat de door de minister gegeven norm van meer dan vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het medicijn is bereikt, als de officinale bereiding niet volgens de farmacopee is en/of de aflevering niet rechtstreeks aan klanten van haar apotheek is.
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende aan dit oordeel ten grondslag gelegd.
Wat betreft de verhouding tussen de Gnw en de geneesmiddelenrichtlijn dient het volgende tot uitgangspunt. De Gnw dient mede ter implementatie van de geneesmiddelenrichtlijn. De bepalingen van de Gnw die ten grondslag liggen aan de beoordeling van dit geschil moeten dus conform de bepalingen van deze richtlijn worden uitgelegd. (rov. 3.5)
Tussen partijen staat vast dat het in dit geschil gaat over (de uitleg van) de onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn bedoelde Formula officinalis, te weten “geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd”. (rov. 3.7)
Of de geneesmiddelenrichtlijn volledige harmonisatie beoogt, laat het hof in het midden. Wel is het bij de (richtlijnconforme) beoordeling van art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3, onder a, Gnw van belang of Pharmaline waar het de bereiding en verstrekking van Psorinovo betreft, voldoet aan de voorwaarden die art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn daaraan stelt. (rov. 3.8)
Naar het voorlopig oordeel van het hof is dat het geval. Art. 3 geneesmiddelenrichtlijn stelt geen kwantitatieve, maar slechts materiële voorwaarden aan de apotheekbereidingen. Pharmaline heeft onbetwist gesteld dat zij bij de in geding zijnde bereiding van Psorinovo de aanwijzingen van het algemene gedeelte van de farmacopee volgt en dat is voldoende, nu de geneesmiddelenrichtlijn geen onderscheid maakt tussen het algemene en het bijzondere deel van de farmacopee. (rov. 3.9)
Het hof kan niet beoordelen of het in dit geval gaat om de bereiding van geneesmiddelen in de apotheek van Pharmaline die rechtstreeks aan de klanten van die apotheek worden verstrekt. Het door Almirall gevorderde verbod kan dus niet worden opgelegd. Wel gaat het hof er vooralsnog vanuit dat Pharmaline voldoet aan die eisen, nu Pharmaline (onweersproken) heeft gesteld dat zij Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten verstrekt en Almirall onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is.
Dat de vordering van Almirall in overeenstemming is met de Gnw en de wijze waarop de minister daaraan in zijn brief van 8 april 2019 uitvoering heeft gegeven, maakt dat niet anders. In de brief wordt uitgegaan van een kwantitatief criterium, terwijl de geneesmiddelenrichtlijn, wat betreft de vraag of een apotheekbereiding onder haar toepassingsgebied valt, een kwalitatief criterium voorschrijft. Gezien de richtlijnconforme uitleg van de Gnw en daarop gebaseerde regelgeving, voor zover de brief van de minister al als zodanig kan worden beschouwd, kan daarom niet van dat kwantitatieve criterium worden uitgegaan. Dat betekent dat als de bereiding en aflevering door Pharmaline in een concreet geval voldoet aan de voorwaarden die de Gnw, gelezen in het licht van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, daaraan stelt, zij gerechtigd is tot die aflevering over te gaan. (rov. 3.10)
Naar het voorlopig oordeel van het hof dient een verbod jegens Pharmaline zijn begrenzing te vinden in de voorwaarden die de Gnw, gelezen in het licht van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, stelt aan een officinale bereiding en verstrekking. Indien Pharmaline Psorinovo volgens de aanwijzingen van de farmacopee bereidt en rechtstreeks aan haar klanten verstrekt, kan daar geen verbod voor worden opgelegd. Daarbij komt dat het verbod evenmin betrekking kan hebben op (de eerste) vijftig patiënten per maand, omdat de vordering van Almirall daarop geen betrekking heeft en de voorzieningenrechter die beperking in zijn verbod heeft opgenomen. (rov. 3.11)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.10-3.11, in samenhang met rov. 3.5-3.9, dat, samengevat, bij richtlijnconforme uitleg van art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw niet van het getalscriterium kan worden uitgegaan.
Onderdeel 1a acht dit oordeel onjuist op de grond dat art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn enkel het toepassingsgebied van de richtlijn (nader) omlijnt en niet (tevens) (uitputtende) voorwaarden bevat die meebrengen dat, als aan de voorwaarden van de richtlijnbepaling is voldaan, de lidstaten geen (nadere) voorwaarden mogen stellen dan wel invulling mogen geven aan de regel dat een vergunning voor verstrekkingen van geneesmiddelen op kleine schaal niet benodigd is. Indien aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 van de richtlijn is voldaan, is de richtlijn niet van toepassing, zodat de soevereiniteit van de lidstaten niet wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van de nationale bepaling in het licht van de richtlijn niet aan de orde is, aldus het onderdeel.
Onderdeel 1c betoogt, onder meer, dat het hof niet in het midden had mogen laten of de richtlijn volledige harmonisatie beoogt omdat in geval van minimumharmonisatie het de nationale lidstaten in beginsel is toegestaan verdergaande regelingen te treffen.
Onderdeel 1e klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat is voldaan aan de voorwaarden uit art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn onjuist is, omdat de voorwaarde dat geneesmiddelen voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, een kwantitatief element in zich heeft waarbij ook de schaal van de apothekersactiviteit van belang is.
3.2.1
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dit geschil betrekking heeft op de in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn bedoelde Formula officinalis, te weten “geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd”. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende tot uitgangspunt.
De geneesmiddelenrichtlijn: vergunningplichten, toepassingsgebied, uitzonderingen
3.2.2
Art. 6 en art. 40 geneesmiddelenrichtlijn stellen, kort gezegd, voor het in de handel brengen respectievelijk vervaardigen van geneesmiddelen een zogenoemde handelsvergunning onderscheidenlijk fabrikantenvergunning verplicht. Deze vergunningplichten strekken ertoe controle uit te oefenen op de gehele distributieketen van geneesmiddelen door de verschillen tussen nationale voorschriften op te heffen ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid.7.
Deze bepalingen luiden, voor zover in dit geding van belang:
“Artikel 6
Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn (…).”
“Artikel 40
1. De lidstaten treffen de dienstige maatregelen om te bewerkstelligen dat voor de vervaardiging, op hun grondgebied, van geneesmiddelen een vergunning is vereist. (…)
2. De in lid 1 bedoelde vergunning is vereist zowel voor de gedeeltelijke of volledige vervaardiging als voor de uit verdeling, verpakking of presentatie bestaande verrichtingen.
Deze vergunning is evenwel niet vereist voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren.”
3.2.3
Het toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn wordt bepaald door onder meer8.:
“Artikel 2
1. Deze richtlijn is van toepassing op geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht, die industrieel of door middel van een industrieel procedé worden vervaardigd.
2. (…).
Artikel 3
Deze richtlijn is niet van toepassing op:
1. geneesmiddelen die in de apotheek volgens medisch recept voor een bepaalde patiënt worden bereid, algemeen Formula magistralis geheten;
2. geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, algemeen Formula officinalis geheten; (…).”
3.2.4
Onder het toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn vallen volgens art. 2 van die richtlijn industrieel vervaardigde en door middel van een industrieel procedé vervaardigde geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht. Het HvJEU9.heeft geoordeeld dat de termen ‘industrieel bereid’ en ‘door middel van een industrieel procedé vervaardigd’ niet beperkend uitgelegd mogen worden en dat deze termen dus minstens betrekking moeten hebben op elk preparaat of elke vervaardiging waarbij een industrieel procedé wordt toegepast. Een industrieel procedé wordt in de regel gekenmerkt door een opeenvolging van handelingen, die onder meer mechanisch of chemisch kunnen zijn, waarmee wordt beoogd aanzienlijke hoeveelheden van een gestandaardiseerd product te verkrijgen. Aangenomen moet worden dat de gestandaardiseerde productie van aanzienlijke hoeveelheden van een geneesmiddel met het oog op opslag of groothandelsverkoop, alsook de productie op grote schaal of in serie van formulae magistrales in partijen kenmerkend zijn voor een industriële bereiding of voor productie door middel van een industrieel procedé.
Van de industriële vervaardiging van geneesmiddelen moet worden onderscheiden de wijze van bereiding van een geneesmiddel via een ambachtelijk procedé.10.
3.2.5
Art. 3 geneesmiddelenrichtlijn beperkt het toepassingsgebied van de richtlijn waardoor voor de daar genoemde bereidingen en verstrekkingen van geneesmiddelen de in art. 6 en art. 40 geneesmiddelenrichtlijn geregelde vergunningplichten niet gelden. In deze procedure gaat het om de in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn bedoelde Formula officinalis (zie hiervoor in 3.2.1). Art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn moet strikt worden uitgelegd en de voorwaarden voor toepassing daarvan gelden cumulatief.11.
De ratio van het uitzonderen van de in art. 3 geneesmiddelenrichtlijn genoemde geneesmiddelen wordt door Advocaat-Generaal Sharpston geduid als volgt:
“Het doel van deze uitzonderingen is evident. Zij willen de verstrekking van geneesmiddelen aan het publiek in omstandigheden die zich, zo niet op dagelijkse basis, dan toch met enige regelmaat voordoen in de lidstaten, uitsluiten van het ingewikkelde, en bovendien dure, stelsel van vergunningen voor het in de handel brengen. Zij gaan ervan uit dat het betrokken geneesmiddel wordt bereid in een apotheek – dus door of onder toezicht van een apotheker. De burger wordt derhalve beschermd, in zoverre de bereiding onder de verantwoordelijkheid valt van een gekwalificeerd medisch beroepsbeoefenaar met vakkennis op het gebied van de verstrekking van de betrokken geneesmiddelen. De bij die bepalingen voorziene aanvullende beperkingen zorgen ervoor dat de apotheker de geneesmiddelen op individuele basis verstrekt. Anders zou het gevaar bestaan dat de bereiding niet onder het vereiste toezicht plaatsvindt.”12.
3.2.6
Art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn, voorziet in een uitzondering op de plicht om over een fabrikantenvergunning te beschikken. Voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm is volgens deze bepaling geen vergunning vereist wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren. Aan de Engelse, Franse en Italiaanse taalversies van de richtlijn kan worden ontleend dat de bepaling ertoe strekt aldus een aantal handelingen verricht door de apotheker in het kader van de detailhandel uit te zonderen van de voorgeschreven vergunningplicht; zie de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak onder 4.15.13.
De Geneesmiddelenwet: vergunningplichten, uitzondering
3.3.1
De geneesmiddelenrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Gnw. Art. 18 lid 1 en art. 40 lid 1 en 2 Gnw verbieden, kort gezegd, een geneesmiddel te bereiden of in het handelsverkeer te brengen zonder fabrikantenvergunning onderscheidenlijk handelsvergunning. De Nederlandse wetgever heeft art. 3 geneesmiddelenrichtlijn niet omgezet in een aan art. 3 geneesmiddelenrichtlijn vergelijkbare, afzonderlijke bepaling. De wetgever heeft art. 3 geneesmiddelenrichtlijn geïmplementeerd door in de bepalingen over de fabrikantenvergunning en de handelsvergunning een uitzondering op de vergunningplicht op te nemen voor bereidingen op kleine schaal. De relevante bepalingen luiden als volgt:
“Artikel 18
(…)
5. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op het op kleine schaal bereiden van geneesmiddelen ten behoeve van terhandstelling in een apotheek door of in opdracht van een apotheker of van een in artikel 61, eerste lid, onder b, bedoelde huisarts en op het door hen in voorraad hebben of te koop aanbieden van geneesmiddelen.
Artikel 40
(…)
3. Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid is niet van toepassing:
a. op geneesmiddelen die door of in opdracht van een apotheker of een huisarts als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder b, in diens apotheek op kleine schaal zijn bereid en ter hand worden gesteld; (…).”
3.3.2
Over deze uitzonderingen is in de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke voorstel van wet, waarin de uitzonderingen op de vergunningplicht nog niet de precisering bevatten dat het moet gaan om een bereiding ‘op kleine schaal’, opgemerkt:
“Hoofdregel is dat het verboden is geneesmiddelen te vervaardigen en in de handel te brengen zonder de vereiste vergunningen. Deze verboden zullen niet van toepassing zijn met betrekking tot geneesmiddelen die door een apotheker in een apotheek zijn bereid en bestemd zijn om rechtstreeks aan klanten van de desbetreffende apotheek te worden verstrekt. Deze uitzondering vloeit voort uit artikel 3 van richtlijn 2001/83/EG.”14.
Bij de beoordeling of geneesmiddelen onder deze uitzondering vallen, moet volgens de memorie van toelichting aansluiting worden gezocht bij de voorwaarden uit art. 3 geneesmiddelenrichtlijn:
“De begrippen klein- en grootschalig zijn echter tamelijk onbepaald en kunnen louter op zichzelf genomen geen harde maatstaf bieden voor het wel of niet bestaan van vergunningplicht (fabrikanten- en handelsvergunning). (…) De belangrijkste maatstaf komt evenwel uit de eerdergenoemde bepaling in richtlijn 2001/83/EG [art. 3 geneesmiddelenrichtlijn, HR]: de geneesmiddelen moeten bestemd zijn voor rechtstreekse verstrekking aan de klanten van de apotheek (hetgeen automatisch beperkingen inhoudt voor de productieschaal). Is daarvan geen sprake, dan geldt de vergunningplicht voluit. De productieschaal en andere omstandigheden kunnen ondersteuning bieden bij de vaststelling of feitelijk sprake is van fabrieksmatig vervaardigen van geneesmiddelen, dan wel van eigen bereidingen van een apotheek. De beoordeling of sprake is van apotheekbereidingen of van industriële vervaardiging is, zo blijkt uit het voorgaande, telkens een weging van een specifiek feitencomplex.”15.
3.3.3
Over de toevoeging van de woorden ‘op kleine schaal’ is in de nota van wijziging bij art. 40 lid 3, onder a, Gnw opgemerkt dat zij dient om “de uitzondering voor in de apotheek bereide geneesmiddelen, die artikel 3 van richtlijn 2001/83 maakt op het verbod om in de handel te brengen zonder handelsvergunning, meer in overeenstemming te brengen met de terminologie die artikel 40, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn voor apotheekbereidingen hanteert”.16.
Richtlijnconforme uitleg Geneesmiddelenwet
3.4
Uit het voorgaande volgt dat de in art. 6 en art. 40 geneesmiddelenrichtlijn geregelde vergunningplichten niet gelden als een geneesmiddel valt onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn (geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd). Art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn stelt geen aanvullende, kwantitatieve eisen. Ingevolge art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn is geen fabrikantenvergunning vereist voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren.
3.5.1
Het hof heeft – kort samengevat – geoordeeld dat de in art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw geregelde uitzonderingen op de vergunningplichten richtlijnconform moeten worden uitgelegd. Het gaat volgens het hof erom of is voldaan aan de voorwaarden die art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn stelt. Art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn stelt geen kwantitatieve voorwaarden. Daarom mag bij de uitleg en toepassing van art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw niet van het getalscriterium van enkele tot circa vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel worden uitgegaan. Voor dit oordeel is niet van belang of de geneesmiddelenrichtlijn volledige harmonisatie beoogt.
3.5.2
Deze oordelen van het hof worden door Almirall in cassatie bestreden. Voor de beoordeling van de klachten van het middel over de uitleg die het hof aan art. 18 lid 5 en 40 lid 3, onder a, Gnw heeft gegeven en over de wijze waarop het die bepalingen op de feiten in deze zaak heeft toegepast, dient te worden vastgesteld welke betekenis de geneesmiddelenrichtlijn in dit verband heeft.
3.6.1
Het bepaalde in art. 2 en 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn roept de vraag op of, indien een geneesmiddel voldoet aan de omschrijving van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, die richtlijn daarop niet van toepassing is, zodat de soevereiniteit van de lidstaten niet door de richtlijn wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van de nationale bepaling in het licht van de richtlijn niet aan de orde is en de lidstaten naar eigen inzicht kunnen regelen of een zodanig geneesmiddel vergunningplichtig is, dan wel dat art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn ertoe strekt dat voor een geneesmiddel dat voldoet aan de omschrijving van deze bepaling geen vergunningplicht geldt.
3.6.2
De beantwoording van deze vraag is van belang voor het geval een geneesmiddel voldoet aan de omschrijving van zowel art. 2 als art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn. In dat geval zou kunnen worden geredeneerd dat het geneesmiddel dus niet buiten het toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn valt, met als gevolg dat de soevereiniteit van de lidstaten ten aanzien van die geneesmiddelen wel wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van de nationale bepaling in het licht van de richtlijn wel aan de orde is.
Voor de beantwoording van de hiervoor in 3.6.1 vermelde vraag is mogelijk relevant in hoeverre de geneesmiddelenrichtlijn, althans art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, voorziet in volledige harmonisatie.
Voor de kwestie of bij de beantwoording van de vraag of een geneesmiddel onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn valt, het getalscriterium mag worden betrokken, is van belang of de kwalitatieve voorwaarden van deze richtlijnbepaling zich verdragen met een kwantitatief criterium. Hoewel art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn zelf niet een kwantitatieve voorwaarde bevat, zou uit het in de Nederlandse taalversie gebruikte “voor verstrekking in het klein” bij de in art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn geregelde uitzondering kunnen worden afgeleid dat bij het maken van de door de geneesmiddelenrichtlijn geregelde uitzondering een kwantitatieve voorwaarde mag worden betrokken. Anderzijds zou aan de Engelse (“solely for retail supply”), Franse (“uniquement en vue de la déliverance au détail”) en Italiaanse (“soltanto per la fornitura al dettaglio”) taalversies van de richtlijn kunnen worden ontleend dat de bepaling ertoe strekt een aantal handelingen verricht door de apotheker in het kader van de detailhandel uit te zonderen van de voorgeschreven vergunningplicht en daarmee uitgaat van een kwalitatieve voorwaarde.17.
3.6.3
Het getalscriterium dat in dit geding aan de orde is, houdt in dat het in de nationale wet gebruikte begrip ‘op kleine schaal bereiden’, tegen de achtergrond van art. 40 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn wordt geduid als de verstrekking aan enkele tot circa vijftig unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel. Hoewel dit criterium niet één precies getal aanwijst, behelst het onmiskenbaar een kwantitatieve maximering. Het getalscriterium vult aldus de in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn gegeven omschrijving ter beoordeling van een specifiek feitencomplex aan. In voorkomend geval heeft dit het effect dat voor geneesmiddelen die voldoen aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn naar nationaal recht een vergunningplicht geldt.
3.6.4
Het HvJEU heeft niet eerder beslist of bij de uitleg van art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn een kwantitatieve maatstaf mag worden betrokken en evenmin of, indien een geneesmiddel valt onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn, het de lidstaten vrijstaat aan de hand van een kwantitatieve maatstaf zoals het hiervoor in 2.3 onder (vi) genoemde getalscriterium te bepalen dat boven een bepaald aantal verstrekkingen een vergunningplicht geldt. Over het antwoord op deze vragen is, mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.6.2-3.6.3 is overwogen, redelijkerwijs twijfel mogelijk. De Hoge Raad heeft het voornemen die vragen aan het HvJEU voor te leggen.
3.7
De behandeling van de overige klachten van het middel zal worden aangehouden.
4. Omschrijving van de uitgangspunten en feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor onder 2 vermelde uitgangspunten en feiten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
5. Vragen van uitleg
1. Verdraagt een richtlijnconforme uitleg van art. 18 lid 5 en 40 lid 3 Gnw gelet op het bepaalde in art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn zich ermee dat de beoordeling van een in de nationale wet opgenomen uitzondering op de vergunningplicht mede berust op een kwantitatieve maatstaf die met een getalscriterium is geconcretiseerd?
2. Staat het de nationale instanties vrij om een geneesmiddel dat valt onder art. 3 lid 2 geneesmiddelenrichtlijn waardoor de in art. 6 en 40 geneesmiddelenrichtlijn geregelde vergunningplichten niet gelden, op grond van een in de nationale wet geregelde kwantitatieve voorwaarde die met een getalscriterium is geconcretiseerd onder een nationale vergunningplicht te brengen?
3. Is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang of de geneesmiddelenrichtlijn voor de in deze zaak relevante onderdelen in volledige harmonisatie voorziet en zo ja, voorziet deze in volledige harmonisatie?
4. In hoeverre is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang dat de in art. 40 lid 2, tweede zinsnede, geneesmiddelenrichtlijn geregelde uitzondering volgens de Nederlandse taalversie geldt “voor verstrekking in het klein” onderscheidenlijk volgens de Engelse, Franse en Italiaanse taalversies van de richtlijn betrekking lijkt te hebben op een aantal handelingen verricht door de apotheker in het kader van de detailhandel?
6. Uitlating partijen
De Hoge Raad zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over zijn voornemen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU en over de hiervoor onder 5 geformuleerde vragen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwijst de zaak naar 2 augustus 2024 voor de hiervoor onder 6 bedoelde uitlating van partijen.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 juni 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑06‑2024
Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PbEG 2001, L 311/67, zoals nadien veelvuldig gewijzigd. Er is een geconsolideerde tekst van de geneesmiddelenrichtlijn per 1 januari 2022.
Rechtbank Oost-Brabant 10 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2356.
Rechtbank Oost-Brabant 8 september 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4957.
Rechtbank Overijssel 15 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4798.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9768.
Overwegingen 2-6 en 35 geneesmiddelenrichtlijn.
Deze tekst geldt sinds de wijziging van de geneesmiddelenrichtlijn bij Richtlijn 2004/27/EG van het Europese Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PbEG 2004, L 136/34.
HvJEU 16 juli 2015, zaken C-544/13 en C-545/13, ECLI:EU:C:2015:481 (Abcur), punt 50-51.
HvJEU 26 oktober 2016, zaak C-276/15, ECLI:EU:C:2016:801 (Hecht Pharma II), punt 32 en 34.
HvJEU 16 juli 2015, zaken C-544/13 en C-545/13, ECLI:EU:C:2015:481 (Abcur), punt 54 en 66.
Conclusie voor HvJEU 11 april 2013, zaak C-535/11, ECLI:EU:C:2013:226 (Novartis/Apozyt), punt 64.
Vgl. ook de Engelse taalversies van HvJEU 28 juni 2012, zaak C-7/11, ECLI:EU:C:2012:396 (Caronna), punt 35 en HvJEU 21 november 2018, zaak C-29/17, ECLI:EU:C:2018:931 (Novartis Farma), punt 62.
Kamerstukken II, 2003/04, 29359, nr. 3, p. 18-19.
Vgl. ook de Engelse taalversies van HvJEU 28 juni 2012, zaak C-7/11, ECLI:EU:C:2012:396 (Caronna), punt 35 en HvJEU 21 november 2018, zaak C-29/17, ECLI:EU:C:2018:931 (Novartis Farma), punt 62.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Gezondheidsrecht. Geneesmiddelenwet. Apotheekbereiding; voorwaarden vrijstelling fabrikantenvergunning en handelsvergunning; kwantitatief criterium; richtlijnconforme uitleg (art. 3 lid 2 en art. 40 lid 2 Richtlijn 2001/83/EG).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00104
Zitting 22 december 2023
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Almirall B.V.,
2. Almirall S.A., eiseressen tot cassatie, advocaat: mr. I.L.N. Timp,
tegen
1. Infinity Pharma B.V.,
2. Pharmaline B.V., verweersters in cassatie,
advocaat: mr. T. van Malssen.
Eiseressen tot cassatie worden hierna tezamen (in vrouwelijk enkelvoud) aangeduid als Almirall. Verweersters in cassatie worden aangeduid als Infinity respectievelijk Pharmaline en gezamenlijk (in het meervoud) als Pharmaline c.s.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In dit kort geding is de vraag aan de orde of voor een in een apotheek bereid geneesmiddel, een zogenoemde apotheekbereiding, een vergunning is vereist. Op grond van Richtlijn 2001/83/EG1.(hierna: Richtlijn), welke richtlijn in Nederland is omgezet in de Geneesmiddelenwet2.(afgekort Gnw3.), is als regel een vergunning vereist voor onder meer het vervaardigen en in de handel brengen van geneesmiddelen. De Richtlijn is niet van toepassing op zogeheten ‘officinale bereidingen’. Dat zijn apotheekbereidingen die volgens de aanwijzingen van de Europese farmacopee worden bereid en zijn bestemd om rechtstreeks worden te geleverd aan klanten van de apotheek die ze bereidt. Op grond van art. 3 lid 2 van de Richtlijn vallen deze geneesmiddelen buiten het toepassingsgebied ervan.
1.2
De Geneesmiddelenwet kent niet een zelfde bepaling die deze apotheekbereidingen van haar toepassingsgebied uitzondert. Deze wet bevat wel een uitzondering op de vergunningsplicht voor geneesmiddelen die in de apotheek “op kleine schaal zijn bereid en ter hand worden gesteld” (art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw). Bij brief van 2019 heeft de minister voor Medische Zorg (hierna: de minister)4.aan de Tweede Kamer meegedeeld dat hierbij moet worden gedacht aan “verstrekking aan enkele tot circa 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel”. Ik duid deze bovengrens hierna aan als het getalscriterium.5.
1.3
Almirall is houdster van de benodigde vergunningen voor het bereiden en in de handel brengen van het geneesmiddel Skilarence. Pharmaline c.s. vervaardigen en verstrekken de apotheekbereiding Psorinovo, dat dezelfde werkzame stof bevat. Almirall stelt dat Pharmaline c.s. in strijd handel(d)en met de Geneesmiddelenwet doordat zij aan (veel) meer dan 50 unieke patiënten per maand Psorinovo verstrekken (of verstrekten). Almirall heeft gevorderd dat Pharmaline c.s. wordt bevolen zich te houden aan het getalscriterium.
1.4
De voorzieningenrechter heeft de vordering van Almirall toegewezen. Het hof daarentegen heeft Pharmaline c.s. gevolgd in hun standpunt dat de bereiding en de verstrekking van Psorinovo onder ‘de uitzondering van artikel 3 lid 2’ van de Richtlijn valt. Het hof overweegt dat die bepaling uitsluitend kwalitatieve voorwaarden bevat en dat richtlijnconforme uitleg van de Geneesmiddelenwet met die richtlijnbepaling meebrengt dat het getalscriterium niet kan worden toegepast.
1.5
Almirall komt hier in cassatie tegen op. Zij voert onder meer aan dat het hof niet op grond van richtlijnconforme uitleg van de Geneesmiddelenwet getalscriterium buiten toepassing had kunnen laten. Als de Richtlijn ingevolge art. 3 lid 2 ervan niet van toepassing is, staat het lidstaten vrij om op nationaal niveau voorwaarden te stellen aan apotheekbereidingen. Het getalscriterium strookt met de hoofddoelstelling van de Richtlijn, de bescherming van de volksgezondheid.
1.6
Pharmaline c.s. gaan ervan uit dat de Richtlijn uitputtend de voorwaarden regelt waaronder een apotheekbereiding is uitgezonderd van vergunningsplichten. Art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw bevatten een uitzondering op de vergunningsplicht. Die uitzondering moet richtlijnconform, en dus ook in overeenstemming met art. 3 lid 2 van de Richtlijn, worden uitgelegd. Nu in die laatste bepaling geen kwantitatief vereiste voorkomt, kan het getalscriterium niet worden toegepast. Als een lidstaat een kwantitatief criterium hanteert, wordt alsnog een vergunningsplicht gecreëerd.
1.7
Ik meen dat Almirall het gelijk aan haar zijde heeft en zal tot vernietiging concluderen.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.6.
2.2
Almirall S.A. is een farmaceutisch bedrijf, gevestigd in Spanje. Almirall B.V. is een Nederlandse dochtervennootschap. Almirall richt zich onder meer op de productie en verkoop van het geneesmiddel Skilarence, dat bestemd is voor de behandeling van psoriasis (een huidaandoening). Skilarence bevat dimethylfumaraat als werkzame stof.
2.3
Infinity heeft (in ieder geval) tot 1 januari 2021 een apotheek gedreven.7.Zij bereidde in haar apotheek een geneesmiddel met de naam Psorinovo. Psorinovo bevat ook dimethylfumaraat als werkzame stof en is eveneens bestemd voor de behandeling van psoriasis.
2.4
Pharmaline is een zustervennootschap van Infinity en drijft (eveneens) een apotheek. Pharmaline bereidt sinds 1 januari 2021 Psorinovo in haar apotheek.
2.5
Almirall beschikt voor Skilarence over vergunningen. Infinity noch Pharmaline beschikt ten aanzien van Psorinovo over vergunningen.
2.6
In augustus 2018 is discussie ontstaan tussen Almirall en Infinity over de vraag in hoeverre het Infinity is toegestaan om Psorinovo te bereiden en te verkopen. Almirall en Infinity zijn toen een minnelijke regeling overeengekomen. Deze houdt onder meer in dat Infinity “met onmiddellijke ingang, de magistrale bereiding van Psorinovo in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving slechts ter hand stelt aan “eigen” patiënten van haar apotheek”. Nadien is toch weer discussie ontstaan over de omvang waarmee Infinity Psorinovo verstrekte in haar apotheek.
2.7
Op 8 april 2019 heeft de minister een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin onder meer het in 1.2 genoemde getalscriterium is opgenomen. Dat getal heeft als instructie te gelden aan de bevoegde toezichthouder, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). Ik citeer de brief van de minister (voetnoten uit het origineel niet overgenomen; onderstreping toegevoegd):8.
“Op 15 juni 2018 heb ik de Tweede Kamer een brief gezonden over de maatregelen die ik deze kabinetsperiode neem, gericht op een beheerste ontwikkeling van de uitgaven voor genees- en hulpmiddelen. Met uw Kamer is ook meerdere malen gesproken over de mogelijkheden die apotheekbereidingen zouden kunnen bieden in dit kader. Een van mijn toezeggingen betrof een duiding van de zogenoemde magistrale bereidingen door apothekers (hierna: apotheekbereidingen). Ik heb aangegeven dat ik wil zorgen voor voldoende duidelijkheid voor betrokken veldpartijen. In deze brief licht ik toe wat apotheekbereidingen zijn en hoe de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) daarop toezicht zal houden. (…)
In Nederland komen geneesmiddelen als hoofdregel met een handelsvergunning (registratie) op de markt. Ook de vervaardiging van het geneesmiddel zelf is aan vergunningplicht onderworpen. Bij vervaardiging op grote schaal is het wenselijk dat geneesmiddelen preventief worden getoetst op werkzaamheid en veiligheid. Uitzondering op de vergunningplicht zijn de apotheekbereidingen.
Een toegestane apotheekbereiding in Nederland moet aan een aantal voorwaarden voldoen:
1. de bereiding vindt plaats in de apotheek, aan de hand van een medisch recept voor één patiënt, of op voorraad, voor nog te bepalen patiënten van die apotheek;
2. de bereiding voldoet aan de Europese Farmacopee; en
3. de bereiding dient voor «verstrekking in het klein».
Deze voorwaarden vloeien voort uit de Europese richtlijn 2001/83/EG (hierna: Geneesmiddelenrichtlijn). Als aan deze voorwaarden is voldaan mogen apotheekbereidingen plaatsvinden, al dan niet op basis van een industrieel procedé, ongeacht of er een gelijkwaardig geregistreerd geneesmiddel in de handel is, en ongeacht de prijs van dit geregistreerde middel. (…)
Bij de derde voorwaarde – verstrekking in het klein – zal een getalscriterium worden gehanteerd. Deze operationalisering in getallen is noodzakelijk om aan veldpartijen duidelijkheid te geven. Verstrekking in het klein wordt daarom geduid als:
– verstrekking aan enkele tot circa 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel.
– verstrekking tot circa 150 patiënten per maand bij kortdurend gebruik.
(…)”
2.8
Partijen strijden al enige tijd en op meerdere fronten over Psorinovo.
2.9
Naar aanleiding van een door Almirall ingediend handhavingsverzoek heeft de IGJ bij besluit van 26 mei 2020 aan Infinity een bestuurlijke boete opgelegd van € 33.750 wegens overtreding van (de vergunningsplicht vermeld in) de artikelen 18 lid 1 en 40 lid 2 Geneesmiddelenwet.9.De motivering van dit besluit houdt onder meer in dat Infinity Psorinovo heeft verstrekt aan meer dan 50 (unieke) patiënten per maand. Infinity heeft bezwaar ingesteld tegen dit besluit, welk bezwaar ongegrond is verklaard.10.Vervolgens heeft Infinity beroep ingesteld bij de bestuursrechter. Bij uitspraak van 10 juni 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant dat beroep ongegrond verklaard.11.
2.10
Infinity heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.12.De Afdeling heeft tot op heden in die zaak nog geen uitspraak gedaan.
2.11
Op 12 januari 2021 heeft Infinity aan Almirall meegedeeld dat zij de exploitatie van haar apotheek heeft beëindigd en de bedrijfsactiva aan Pharmaline heeft verkocht. Die overgang heeft geleid tot een (nader) handhavingsverzoek van Almirall tegen Pharmaline. Bij besluit van 28 juli 2021 heeft de IGJ aan Pharmaline een bestuurlijke boete opgelegd van € 40.500 wegens overtreding van de artikelen 18 lid 1 en 40 lid 2 Geneesmiddelenwet.13.Ook in dit besluit wordt overwogen dat Psorinovo is verstrekt aan meer dan 50 patiënten per maand. Pharmaline heeft geen bezwaar ingesteld zodat dit besluit definitief is geworden.14.
2.12
Naast de genoemde bestuursrechtelijke rechtsgang is er een civiele bodemprocedure gevoerd. De rechtbank Oost-Brabant heeft op 8 september 2021 vonnis gewezen (hierna: het bodemvonnis).15.Zij heeft Infinity geboden om
“(…) nog uitsluitend geneesmiddelen ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden, voor zover die aflevering en/of ter hand stelling binnen de door de minister voor Medische Zorg en Sport gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik blijft”.
2.13
De veroordeling, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is als volgt gemotiveerd (onderstreping toegevoegd):
“4.2. In deze zaak staat primair centraal of Infinity in strijd met de tussen partijen gesloten minnelijke regeling op 19 november 2018 heeft gehandeld, waarbij het met name gaat om twee zaken. (…) Daarnaast is aan de orde de vraag of Infinity vanaf het moment van de minnelijke regeling de magistrale bereiding van Psorinovo in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving ter hand heeft genomen.
(…)
4.16. (…)
De vraag is nu of de schaal waarop Infinity het geneesmiddel Psorinovo bereidt en ter hand stelt aan patiënten in overeenstemming is met de Geneesmiddelenwet.
De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De Geneesmiddelenwet heeft het over het “op kleine schaal” bereiden van een geneesmiddel door een apotheker ten behoeve van terhandstelling in een apotheek. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 2003-2004, 29359, nr. 3, pag.18) en in de Nota naar aanleiding van het verslag Geneesmiddelenwet (Tweede Kamer, 2004-2005, 29359, nr. 6, pag. 25 en 26) wordt ingegaan op de hiervoor genoemde kleinschaligheid. Als belangrijke maatstaf
wordt genoemd dat de geneesmiddelen bestemd moeten zijn voor rechtstreekse verstrekking aan
de klanten van de apotheek en in lijn daarmee dat de geneesmiddelenproductie in een apotheek de omvang van zijn normale klandizie niet te boven mag gaan.
De toevoeging "op kleine schaal" in de hiervoor genoemde artikelen van de Geneesmiddelenwet
volgt uit artikel 40 van richtlijn 2001/83/EG waarin staat dat een fabrikantenvergunning niet is vereist voor het 'bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm; waarin deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in hun apotheek'. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit, anders dan Infinity meent, dat de term 'in het klein' ziet op de schaal waarop de bereiding plaats vindt. Weliswaar geeft de richtlijn geen definitie van het begrip "verstrekking in het klein", maar niet valt in te zien waarom lidstaten binnen de begrenzing van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geen voorwaarden voor de verstrekking kunnen opleggen. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank niet inziet dat de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet in strijd zijn met het hiervoor bedoelde Verdrag.
(…)
4.17.
Niet in geding is dat het aantal bereidingen van Psorinovo per maand door Infinity het hiervoor genoemde aantal van circa 50 patiënten per maand bij langdurig gebruik overschrijdt. Infinity zelf heeft het in het informeel getuigenverhoor gehad over een aantal van circa 175 patiënten per maand. De rechtbank wijst hier volledigheidshalve nog op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066) in welke uitspraak eveneens een uitleg is gegeven van het begrip "op kleine schaal". De in deze uitspraak genoemde aantallen waren aanzienlijk kleiner dan de aantallen die door Infinity maandelijks in ieder geval werden bereid. Daarmee staat tevens vast dat Infinity zich bij de bereiding van Psorinovo niet houdt aan de toepasselijke wet- en regelgeving. (…)”
2.14
Infinity heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. In dat civielrechtelijke hoger beroep is ook nog geen uitspraak gedaan.16.
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
Almirall heeft bij inleidende dagvaarding van 23 november 2021 Infinity en Pharmaline in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna: de voorzieningenrechter).17.Almirall heeft gevorderd Pharmaline en/of Infinity primair:18.
I. te gebieden om nog uitsluitend Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of ter hand te stellen, voor zover die aflevering en/of terhandstelling binnen de door de minister gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik blijft, en/of
II. te verbieden om Psorinovo dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden en/of af te leveren, nadat de door de minister gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik is bereikt.
Verder heeft Almirall onder meer een dwangsom gevorderd en veroordeling van Pharmaline en/of Infinity in de proceskosten.
3.2
Almirall heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, voor zover thans van belang en samengevat, dat Infinity en Pharmaline in strijd handelen met de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet (en daarom jegens haar in strijd met art. 6:162 BW) door Psorinovo aan meer dan 50 unieke patiënten per maand te verstrekken zonder daarvoor over een vergunning te beschikken.19.
3.3
Infinity c.s. hebben verweer gevoerd. Zij hebben, voor zover thans van belang en samengevat, aangevoerd dat Pharmaline weliswaar Psorinovo verstrekte aan meer dan 50 unieke patiënten per maand, maar daarmee niet onrechtmatig heeft gehandeld. De limitering van de schaal van de toegestane apotheekbereidingen in de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet en door middel van het getalscriterium dat de minister in de Kamerbrief van 8 april 2019 heeft genoemd, vormt volgens hen een onjuiste implementatie van de Richtlijn. Op grond van het Unierecht hoeven zij niet over een vergunning te beschikken.20.
3.4
Bij vonnis van 15 december 2021 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verbod toegewezen in die zin dat, samengevat, het Pharmaline en Infinity met ingang van 1 januari 2022 is verboden om Psorinovo te bereiden en/of af te leveren aan meer dan 50 unieke patiënten per maand.21.Voorts heeft de voorzieningenrechter Pharmaline en Infinity ieder afzonderlijk veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 25.000 per (kalender)maand waarin het verbod wordt overtreden, tot een maximum van € 500.000, en hen veroordeeld in de kosten. De voorzieningenrechter heeft zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.22.
3.5
De voorzieningenrechter heeft het volgende overwogen (hier en hierna in dit hoofdstuk mijn onderstreping):
“4.9. In het vonnis van 8 september 2021 heeft de rechtbank [Oost-Brabant; A-G] haar oordeel dat de toepasselijke wet- en regelgeving is overtreden, gemotiveerd door vast te stellen dat het aantal bereidingen van Psorinovo per maand het door de minister in zijn brief van 8 april 2019 genoemde getalscriterium overschrijdt. De voorzieningenrechter vult dit oordeel aan in het licht van de omstandigheid dat de ministeriële brief op zichzelf geen wet- of regelgeving betreft. Gelet op artikel 100 lid 1 van de Geneesmiddelenwet en de memorie van toelichting, is het in eerste instantie aan de IGJ als toezichthouder om te beoordelen of sprake is van overtreding van het verbod van artikel 18 en artikel 40 van de Geneesmiddelenwet. Daarbij dient de IGJ uit te leggen wat verstaan moet worden onder het begrip “op kleine schaal”, dat dient als maatstaf voor de toelaatbaarheid van apotheekbereidingen (zie ook Raad van State 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066, r.o. 8.3). Inmiddels hanteert de IGJ als beleid, naar aanleiding van de instructie van de minister in zijn brief van 8 april 2019, dat van verstrekking van apotheekbereidingen “op kleine schaal” geen sprake meer is bij verstrekking aan meer dan 50 patiënten per maand (van geneesmiddelen die langer dan een week worden gebruikt). De voorzieningenrechter ziet niet in waarom het de minister niet zou zijn toegestaan om een dergelijke instructie te geven. Vervolgens is het aan de bestuursrechter om de juistheid van de besluiten van de IGJ te toetsen wanneer die worden aangevochten. Het is dus aan de IGJ en vervolgens de bestuursrechter om vast te stellen of sprake is van schending van de wettelijke plichten die zijn neergelegd in de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet. In dit geval heeft de IGJ bij besluit van 28 juli 2021 geoordeeld, overeenkomstig haar beleid, dat Pharmaline artikel 18 en artikel 40 van de Geneesmiddelenwet heeft overtreden door Psorinovo te verstrekken aan meer dan 50 patiënten per maand. Nu Pharmaline geen bezwaar heeft ingesteld tegen dit besluit, heeft dat formele rechtskracht gekregen. De voorzieningenrechter dient als civiele rechter daarom uit te gaan van de rechtmatigheid van dit besluit (zie o.a. HR 02 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1744). Daardoor staat vast dat Pharmaline de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet heeft overtreden. Dat levert strijd met een wettelijke plicht als bedoeld in artikel 6:162 BW op.
4.10.
Pharmaline heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de IGJ en/of de bestuursrechter haar gewraakte handelswijze in toekomstige gevallen wel als rechtmatig zullen aanmerken. De voorzieningenrechter constateert dat Pharmaline voorafgaand aan het besluit van IGJ van 28 juli 2021, een zienswijze heeft ingediend tegen het door de IGJ aangekondigde voornemen om dat besluit te nemen. In die zienswijze heeft Pharmaline bestreden dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, onder meer door middel van de verweren die zij ook in dit kort geding aanvoert (…). De IGJ heeft die verweren in haar besluit gemotiveerd van de hand gewezen. Pharmaline is daarop in dit kort geding niet concreet ingegaan. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter slagen de verweren van Pharmaline niet. Niet in geschil is dat indien met Pharmaline wordt aangenomen dat apotheekbereidingen zoals die van Psorinovo buiten de toepassing van de richtlijn vallen, de Nederlandse wetgever in beginsel de vrijheid heeft om de toelaatbaarheid van apotheekbereidingen te reguleren. Duidelijk is dat de Nederlandse wetgever bedoeld heeft om met toevoeging van de woorden “op kleine schaal” in artikel 18 lid 5 en artikel 40 lid 3 van de Geneesmiddelenwet, een beperking te stellen aan de omvang waarop apotheekbereidingen zijn toegestaan. De voorzieningenrechter volgt voorshands niet het betoog van Pharmaline dat deze kwantitatieve limitering, en de getalsmatige invulling daarvan volgens het beleid van de IGJ, in strijd is met doel en strekking van de (…) richtlijn dan wel met andere Europese regelgeving. Voor zover al sprake zou zijn van enige inbreuk op het eigendomsrecht van apothekers en een beperking van de (keuze)vrijheid van patiënten, apothekers en behandelend artsen, wordt die gerechtvaardigd door het belang van de volksgezondheid. Apotheekbereidingen zijn immers, anders dan geregistreerde geneesmiddelen, niet wetenschappelijk getoetst op kwaliteit en veiligheid. Bovendien kan het onbeperkt toestaan van apotheekbereidingen leiden tot aantasting van het principe van de richtlijn en de Geneesmiddelenwet dat geneesmiddelen moeten worden geregistreerd. Het door de IGJ gehanteerde getalscriterium biedt de nodige houvast aan apothekers met het oog op het uitgeoefende toezicht.”
Hoger beroep
3.6
Pharmaline c.s. zijn onder aanvoering van vier grieven van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (hierna: het hof). Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter en tot afwijzing van de vorderingen van Almirall.
3.7
Almirall heeft de grieven bestreden.
3.8
Bij tussenarrest van 7 juni 2022 heeft het hof een mondelinge behandeling bepaald, die op 20 oktober 2022 heeft plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
3.9
Bij eindarrest van 15 november 2022 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, twee verboden uitgesproken, de kosten gecompenseerd, haar veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en afgewezen wat verder was gevorderd.23.
3.10
Het hof heeft in het kader van de zogenoemde afstemmingsregel geoordeeld dat het zich in dit kort geding, waar het de positie van Infinity betreft, dient te richten naar het bodemvonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin is geoordeeld dat Infinity, in strijd met de regelgeving, Psorinovo bereidt en ter hand stelt aan meer dan 50 patiënten per maand. Het hof gaat voorbij aan de stelling van Infinity dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf 1 januari 2021 geen apotheek meer exploiteert (rov. 3.2-3.3). Voorts heeft het hof aangenomen dat aan de zijde van Almirall nog spoedeisend belang bestaat bij de gevraagde voorzieningen. Daartoe heeft het in aanmerking genomen dat Pharmaline desgevraagd heeft verklaard dat zij het bestreden vonnis nakomt, maar dat als dit vonnis er niet zou zijn, zij een veelvoud van de toegestane 50 patiënten per maand zou kunnen beleveren, nu de vraag veel groter is dan 50 patiënten (rov. 3.4).
3.11
Vervolgens heeft het hof zich gebogen over (de verhouding tussen) de Geneesmiddelenwet en de Richtlijn en de implicaties daarvan in deze zaak:
“3.5 Met grief 2 leggen Infinity en Pharmaline het oordeel van de voorzieningenrechter over de verhouding tussen de Geneesmiddelenwet (Gnw) en Richtlijn 2001/83/EG voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil, aan het hof voor.
Het hof neemt daarbij het volgende als uitgangspunt.
De Gnw dient mede ter implementatie van Richtlijn 2001/83/EG24.. Dit betekent dat de bepalingen van de Gnw die ten grondslag liggen aan de beoordeling van dit geschil conform de bepalingen van deze Richtlijn moeten worden uitgelegd.
3.6
Almirall baseert zich bij haar vorderingen op artikel 18 lid 5 en 40 lid 3 sub a Gnw, waarin is bepaald dat de vergunningen die op grond van de Gnw nodig zijn voor onder meer de bereiding, het invoeren, in voorraad hebben, te koop aan bieden, afleveren en ter hand te stellen, niet benodigd zijn voor de bereiding van geneesmiddelen die in een apotheek op kleine schaal zijn bereid en ter hand gesteld.
Met op kleine schaal wordt volgens de Minister van VWS in zijn brief van 8 april 2019 bedoeld verstrekking aan enkele tot ongeveer 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel.
3.7
De Richtlijn bepaalt in artikel 3:
“Artikel 3
Deze richtlijn is niet van toepassing op:
1. geneesmiddelen die in de apotheek volgens medisch recept voor een bepaalde patiënt worden bereid, algemeen Formula magistralis geheten;
2. geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, algemeen Formula officinalis geheten;
(….)”
Tussen partijen staat vast dat het in dit geschil gaat over (de uitleg van) de onder artikel 3, lid 2 bedoelde Formula officinalis.”
Het hof vervolgt:
“3.8 Pharmaline is van mening dat de bereiding en verstrekking van Psorinovo onder de uitzondering van artikel 3 lid 2 van de Richtlijn valt, de Richtlijn en daarmee de Gnw in het geheel niet meer op haar van toepassing is, waar het Psorinovo betreft. Daarbij gaat zij ervan uit dat de Richtlijn een volledige harmonisatie op dit terrein tot stand brengt wat betekent dat door de toepassing van deze uitzondering er ten aanzien van apotheekbereidingen geen enkele regelgevende bevoegdheid van de lidstaten meer overblijft.
Het hof laat in het midden of de Richtlijn een volledige harmonisatie beoogt. Wel is het bij de (richtlijnconforme) beoordeling van artikel 18, lid 5 en 40 lid 3 sub a Gnw, van belang of Pharmaline waar het de bereiding en verstrekking van Psorinovo betreft, voldoet aan de voorwaarden die artikel 3 lid 2 van de Richtlijn daaraan stelt.
3.9
Naar het voorlopig oordeel van het hof is dat het geval. Daarbij stelt het hof voorop dat de Richtlijn in artikel 3 geen kwantitatieve, maar slechts materiële voorwaarden aan de apotheekbereidingen stelt.
Waar het de Formula officinalis betreft gaat het volgens de Richtlijn om:
“Geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd”
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat deze uitzondering volgens het HvJ EU strikt en beperkt moet worden uitgelegd en dat het daarbij om cumulatieve voorwaarden gaat.25.
Pharmaline heeft aannemelijk gemaakt dat Psorinovo door haar wordt bereid volgens de aanwijzingen van de farmacopee. Dat in de farmacopee, zoals Almirall heeft betoogd, in het bijzondere deel geen aanwijzingen zijn opgenomen voor dit of aanverwante middelen doet daaraan niet af. Pharmaline heeft onbetwist gesteld dat zij bij de bereiding in kwestie de aanwijzingen van het algemene gedeelte van de farmacopee volgt en dat is naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende, nu de Richtlijn geen onderscheid maakt tussen het algemene en het bijzondere gedeelte van de farmacopee.
3.10
Nu het hier om cumulatieve eisen gaat, moet vervolgens worden onderzocht of het in dit geval gaat om de bereiding van geneesmiddelen in de apotheek van Pharmaline die rechtstreeks aan de klanten van die apotheek worden verstrekt.
Aan het hof zijn geen concrete casus voorgelegd die een beoordeling daarover mogelijk maken. Dat betekent dat het hof, zonder kennis van die feiten, het door Almirall verlangde verbod niet kan opleggen. Wel gaat het hof er vooralsnog vanuit dat Pharmaline voldoet aan die eisen, nu Pharmaline (onweersproken) heeft gesteld dat zij Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten verstrekt en dat Almirall onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is.
Dat de vordering van Almirall, zoals zij betoogt, in overeenstemming is met de Gnw en de wijze waarop de Minister van VWS daaraan in zijn brief van 8 april 2019 uitvoering heeft gegeven, maakt dat niet anders. In die brief wordt uitgegaan van een kwantitatief criterium (niet meer dan verstrekking aan enkele tot circa 50 patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel), terwijl de Richtlijn, voor wat betreft de vraag of een apotheekbereiding onder haar toepassingsgebied valt, een kwalitatief criterium voorschrijft. Gezien de richtlijnconforme uitleg van de Gnw en daarop gebaseerde regelgeving (voor zover de brief van de Minister al als zodanig is te beschouwen), kan daarom niet van dat kwantitatieve criterium worden uitgegaan.
Dat betekent dat als de bereiding en aflevering door Pharmaline in een concreet geval voldoet aan de voorwaarden die de Gnw gelezen in het licht van artikel 3 lid 2 van de Richtlijn daaraan stelt, zij gerechtigd is tot die aflevering over te gaan. Daarop stuit integrale toewijzing van de vorderingen van Almirall jegens Pharmaline in zoverre af.
3.11
Een verbod jegens Pharmaline dient naar het voorlopig oordeel van het hof zijn begrenzing te vinden in de voorwaarden die de Gnw gelezen in het licht van artikel 3 lid 2 van de Richtlijn stelt aan een officinale bereiding en verstrekking. Indien Pharmaline Psorinovo volgens de aanwijzingen van de farmacopee bereidt en rechtstreeks aan haar klanten verstrekt, kan daar geen verbod voor worden opgelegd.
Daarbij komt dat het verbod evenmin betrekking kan hebben op (de eerste) 50 patiënten per maand, omdat de vordering van Almirall daar geen betrekking op heeft en de voorzieningenrechter die beperking in zijn verbod heeft opgenomen.”
3.12
Het hof heeft voorts overwogen dat in het midden kan blijven of het inmiddels onaantastbare (boete)besluit van de IGJ van 28 juli 2021 (zie 2.11) aan een eigen beoordeling door het hof in de weg staat, nu dat besluit naar zijn aard ziet op de periode voorafgaand aan 28 juli 2021 en het hof over een verbod voor de toekomst dient te oordelen (rov. 3.12). Het hof ziet geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom (rov. 3.13).
3.13
Hoewel het hof het getalscriterium ter zijde heeft geschoven en daarmee Pharmaline c.s. in zoverre materieel in het gelijk heeft gesteld, heeft het de volgende verboden opgelegd:
“4.1 verbiedt Infinity met ingang van 1 januari 2022 om Psorinovo (…) ten behoeve van een individuele officinale aflevering te bereiden en/of af te leveren, nadat de door de minister van Medische Zorg en Sport gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik is bereikt;
4.2
verbiedt Pharmaline om met ingang van heden Psorinovo (…) ten behoeve van een individuele officinale [aflevering; toevoeging A-G] te bereiden en/of af te leveren, nadat de door de minister van Medische Zorg en Sport gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik is bereikt, als de officinale bereiding niet volgens de farmacopee is en/of de aflevering niet rechtstreeks aan de klanten van haar apotheek is, zoals uitgelegd in rechtsoverwegingen 3.10 en 3.11 van dit arrest;”
3.14
Aldus heeft het hof de vordering van Almirall tot het opleggen van een verbod gedeeltelijk toegewezen. Voor het verbod aan Infinity (onder 4.1) is de verklaring dat het hof zich op grond van het afstemmingsbeginsel gebonden acht aan het dictum van het bodemvonnis.26.Voor het verbod aan Pharmaline (onder 4.2) ligt de verklaring in het feit dat Almirall haar vordering heeft beperkt tot (de aantallen) verstrekkingen die het getalscriterium van 50 per maand te boven gaan. Het hof kon immers niet meer toewijzen dan was gevorderd. Ik verwijs ook naar de slotalinea van rov. 3.11 van het arrest.
Cassatie
3.15
Almirall heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Infinity en Pharmaline hebben geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna re- en dupliek heeft plaatsgevonden.
3.16
Pharmaline c.s. hebben geen incidenteel cassatieberoep ingesteld. In hun verweer hebben zij niet onder verwijzing naar de uitgesproken verboden het belang van Almirall bij haar cassatieberoep betwist.
4. Juridisch kader: Richtlijn en Geneesmiddelenwet
4.1
Alvorens aan de bespreking van het middel toe te komen, schets ik het juridisch kader.
A. Richtlijn
A.1 Uitgangspunten
4.2
De Richtlijn, waarvan de eerste voorloper dateert uit 196527., is een interne markt instrument. Zij is daarom vastgesteld op grond van art. 95 lid 1 EG (thans art. 114 lid 1 VWEU). Met de Richtlijn is enerzijds beoogd binnen de Europese Unie handelsbelemmeringen weg te nemen die het gevolg zijn van verschillen tussen nationale regelingen, en anderzijds om de volksgezondheid te beschermen.28.Deze complementaire doelstellingen worden nagestreefd door het vaststellen van eenvormige voorschriften voor productie, distributie en gebruik van geneesmiddelen. De Richtlijn heeft een stelsel van controle in op de gehele distributieketen van geneesmiddelen ingevoerd.29.
4.3
De Richtlijn voorziet voor de in deze zaak relevante onderdelen (toepassingsgebied, fabrikantenvergunning en handelsvergunning) in maximumharmonisatie. In antwoord op vragen van de Hoge Raad heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) in 2007 geoordeeld dat de Richtlijn in een uitputtend stelsel van vergunningprocedures voor geneesmiddelen voorziet voor de gehele keten.30.Een vergunningsplicht is de regel en wordt daarom ruim uitgelegd, en de uitzonderingen daarop restrictief.31.
A.2 Toepassingsgebied
4.4
Het toepassingsgebied van de Richtlijn wordt afgebakend in Titel II ervan.
4.5
Art. 2 lid 1 bepaalt dat de Richtlijn van toepassing is op (hier en hierna in dit hoofdstuk mijn onderstreping):
“geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht, die industrieel of door middel van een industrieel procédé worden vervaardigd”.
4.6
Het HvJ heeft in de zaak Abcur overwogen dat de termen ‘industrieel’ en ‘door middel van een industrieel procedé vervaardigd’, gelet op de doelstelling van de Richtlijn de volksgezondheid te beschermen, niet beperkend mogen worden uitgelegd:32.
“(…) Deze termen moeten dus minstens betrekking hebben op elk preparaat of vervaardiging waarbij een industrieel procedé wordt toegepast. Een dergelijk procedé wordt in de regel gekenmerkt door een opeenvolging van handelingen, die onder meer mechanisch of chemisch kunnen zijn, waarmee wordt beoogd aanzienlijke hoeveelheden van een gestandaardiseerd product te verkrijgen.”
4.7
In het arrest Hecht Pharma II had het HvJ te oordelen over de verenigbaarheid met de Richtlijn van Duitse wetgeving die toestond dat apotheken tot een hoeveelheid van honderd verpakkingen per dag geneesmiddelen bereiden zonder handels- en fabrikantenvergunning.33.De vraag was of het betrokken product in die zaak (een wierookextract waarvan werd aangenomen dat het als geneesmiddel kwalificeerde), binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn viel. Dat was niet het geval. Het extract werd door een apotheek volgens ambachtelijke procedés in kleine hoeveelheden vervaardigd en viel op grond van art. 2 lid 1 buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn. Aan de vraag of de bovengrens van 100 verpakkingen rechtmatig was in het geval dat de Richtlijn wél van toepassing is, kwam het HvJ niet toe.34.
4.8
Bij bereiding van geneesmiddelen in een apotheek kan sprake zijn van een industrieel procedé, ook als de aantallen relatief laag zijn.35.Omgekeerd is het mogelijk dat bij een productie van relatief grote aantallen toch geen industrieel procedé wordt gebruikt. Als dat niet het geval is, valt het geneesmiddel gelet op het bepaalde in art. 2 lid 1 niet onder de Richtlijn.36.Een geneesmiddel dat in een apotheek wordt bereid door middel van een industrieel procedé, is vervolgens toch uitgezonderd van het toepassingsgebied van de Richtlijn indien wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 3 lid 1 of 2.
4.9
Art. 3, leden 1 en 2, luidt:
“Deze richtlijn is niet van toepassing op:
1. geneesmiddelen die in de apotheek volgens medisch recept voor een bepaalde patiënt worden bereid, algemeen Formula magistralis geheten;
2. geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, algemeen Formula officinalis geheten;”
4.10
Magistrale bereidingen worden naar aanleiding van een individueel recept van een patiënt bereid, terwijl bij officinale bereiding de apotheek het middel bereidt, in voorraad houdt en ter hand stelt aan een patiënt met een recept voor dat geneesmiddel. De laatste voorwaarde (‘voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd’) duid ik hierna ook aan als het verstrekkingsvereiste. Dit vereiste staat in deze zaak centraal.
4.11
De Formula magistralis als bedoeld lid 1 is in deze zaak volgens het hof niet aan de orde. De Formula officinalis als bedoeld lid 2 is wél aan de orde.37.Ten aanzien van de Formula officinalis heeft het HvJ overwogen dat sprake is van cumulatieve voorwaarden. De geneesmiddelen moeten “in de apotheek” “overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee”38.worden bereid en zij moeten voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd.39.Afnemers dienen klanten van de apotheek te zijn, aan wie het geneesmiddel (fysiek op per post) wordt verstrekt. Art. 3 lid 2 ziet dus niet op geneesmiddelen die bestemd zijn te worden geleverd aan zakelijke partijen, zoals ziekenhuisapotheken of groothandels.
4.12
De verhouding tussen art. 2 lid 1 en art. 3 van de Richtlijn is als volgt. Artikel 2 lid 1 omschrijft het toepassingsgebied van de Richtlijn op positieve wijze door te vermelden op welke geneesmiddelen de Richtlijn van toepassing is. Artikel 3 voorziet in enkele uitzonderingen, op de toepasselijkheid van de Richtlijn. Om onder de Richtlijn te vallen, moet een geneesmiddel dus voldoen aan de voorwaarden van art. 2 lid 1 en mag het voorts niet vallen onder één van de uitzonderingen waarin art. 3 van de Richtlijn uitdrukkelijk voorziet. Dit is vaste rechtspraak.40.
A.3 Vergunningsplichten en uitzonderingen daarop
4.13
Art. 6 van de Richtlijn heeft betrekking op de vergunning voor het in de handel brengen (afgekort VHB, maar hierna aangeduid als: handelsvergunning). Lid 1, eerste alinea, luidt, voor zover hier van belang:
“1. Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven
overeenkomstig deze richtlijn (…).”
Een product met vergunning is vooraf getoetst op werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid.
4.14
Art. 40 van de Richtlijn ziet op de vergunning voor het vervaardigen van geneesmiddelen (hierna: fabrikantenvergunning). Art. 40 lid 2, tweede alinea, voorziet in een uitzondering op de verplichting over zo’n vergunning te beschikken voor apotheekbereidingen ten behoeve van verstrekking in het klein. Ik citeer:
“1. De lidstaten treffen de dienstige maatregelen om te bewerkstelligen dat voor de vervaardiging, op hun grondgebied, van geneesmiddelen een vergunning is vereist. (…)
2. De in lid 1 bedoelde vergunning is vereist zowel voor de gedeeltelijke of volledige vervaardiging als voor de uit verdeling, verpakking of presentatie bestaande verrichtingen.
Deze vergunning is evenwel niet vereist voor het bereiden, het verdelen en het veranderen van de verpakking of aanbiedingsvorm wanneer deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek of door andere personen die in de lidstaten wettelijk gerechtigd zijn genoemde verrichtingen uit te voeren.”
Deze uitzondering voor bereiding voor verstrekking ‘in het klein’ komt niet voor in het zojuist genoemde art. 6 van de Richtlijn inzake de handelvergunningsplicht.
4.15
De woorden ‘uitsluitend voor verstrekking in het klein’ in de Nederlandse taalversie van de Ruchtlijn lijken een iets andere strekking te hebben dan de corresponderende bewoordingen in andere taalversies van deze richtlijnbepaling. In de Engelse taalversie staat: ‘solely for retail supply’; in de Franse taalversie: ‘uniquement en vue de la délivrance au détail’; en, daarmee overeenstemmend, de Italiaanse taalversie: ‘soltanto per la fornitura al dettaglio’. Daaruit volgt dat bereiding zonder vergunning ten behoeve van verkoop aan groothandels of andere apotheken niet is toegestaan, maar niet expliciet dat de verkopen kleinschalig moeten zijn.41.De Duitse taalversie wijkt van de zojuist genoemde taalversies ook iets af: ‘im Hinblick auf die Abgabe durch Apotheker in einer Apotheke’. Daar volgt impliciet wel uit dat apotheekbereidingen alleen aan eindgebruikers mogen worden verstrekt.
4.16
Wat is nu de verhouding tussen de uitzondering vermeld in art. 40 lid 2, tweede alinea, en het hiervoor genoemde art. 3 lid 2, dat officinale apotheekbereidingen onder voorwaarden uitsluit van het toepassingsgebied van de Richtlijn? Art. 40 lid 2, tweede alinea, is van toepassing op apotheekbereidingen die onder het toepassingsgebied van de Richtlijn vallen. De uitzondering van art. 40 lid 2, tweede alinea, is dus noodzakelijk voor de vervaardiging van geneesmiddelen die niet voldoen aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 en waarvoor dus in beginsel een vergunningsplicht geldt. Als sprake is van apotheekbereidingen die voldoen aan de voorwaarden van art. 3 lid 2, dan komt men aan art. 40 lid 2 niet toe. Die bepaling is dan in zoverre dubbelop.42.
4.17
Daarmee kom ik toe aan de implementatie van deze bepalingen in de nationale wetgeving.
B. Geneesmiddelenwet
B.1 Vergunningsplichten en uitzonderingen daarop
4.18
De Richtlijn is geïmplementeerd in de Geneesmiddelenwet en daarop gebaseerde lagere regelgeving.43.De wetgever heeft niet gekozen voor een één-op-één implementatie van de Richtlijn, maar materiële afwijkingen van de Richtlijn heeft de wetgever voor zover valt na te gaan niet beoogd.
4.19
De regeling van de handelsvergunning is te vinden in hoofdstuk 4 van de wet. Art. 40 Gnw luidt, voor zover hier van belang:
“1. Het is verboden een geneesmiddel in het handelsverkeer te brengen zonder handelsvergunning van de Europese Unie, verleend krachtens verordening 726/2004 dan wel krachtens die verordening juncto verordening 1394/2007, of van het College, verleend krachtens dit hoofdstuk.
2. Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen.
3. Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid is niet van toepassing:
a. op geneesmiddelen die door of in opdracht van een apotheker of een huisarts als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder b, in diens apotheek op kleine schaal zijn bereid en ter hand worden gesteld; (…)”
Art. 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw bevat dus een uitzondering voor geneesmiddelen die in de apotheek op kleine schaal zijn bereid en ter hand worden gesteld. De regeling van de handelsvergunning in de Richtlijn bevat, anders dan de regeling daarin van de fabrikantenvergunning, niet een dergelijke uitzondering (vgl. 4.14, slotzin).
4.20
De fabrikantenvergunning is onderwerp van hoofdstuk 3 van de wet. Art. 18 Gnw luidt, voor zover hier van belang:
“1. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of in te voeren. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister andere geneesmiddelen dan die bedoeld in de eerste volzin, te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel een groothandel te drijven. (…)
(…)
5. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op het op kleine schaal bereiden van geneesmiddelen ten behoeve van terhandstelling in een apotheek door of in opdracht van een apotheker of van een in artikel 61, eerste lid, onder b, bedoelde huisarts en op het door hen in voorraad hebben of te koop aanbieden van geneesmiddelen.”
4.21
De artikelen 18 lid 5 en 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw bevatten aldus een in vergelijkbare bewoordingen vervatte uitzondering op de respectievelijke vergunningsplichten. Voor zover deze zijn terug te voeren op de bepaling uit art. 40 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn, dat een uitzondering op de verplichte fabrikantenvergunning behelst voor kort gezegd bereiding voor verstrekking in het klein, is de reikwijdte van die bepaling in die zin opgerekt, dat daaraan mede betekenis is gegeven in het kader van de handelsvergunning. Een andere mogelijkheid is dat de hier genoemde uitzondering mede is terug te voeren op het bepaalde in art. 3 lid 2 van de Richtlijn. Heel duidelijk is een en ander niet.
4.22
Hierna bespreek ik (i) of de parlementaire geschiedenis wel duidelijkheid geeft over de betekenis van de toevoeging ‘op kleine schaal’ en (ii) hoe die toevoeging zich verhoudt tot de voorwaarden genoemd in art. 3 lid 2 van de Richtlijn.
B.2 Parlementaire geschiedenis
4.23
In het oorspronkelijke voorstel van wet was de fabrikantenvergunning geregeld in art. 9 en de handelsvergunning in art. 31. De toen voorziene uitzonderingen op de vergunningsplicht bevatten niet de precisering dat het moest gaan om een bereiding ‘op kleine schaal’:
Het voorgestelde art. 9 lid 5 luidde:44.
“Het eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het bereiden van geneesmiddelen in een apotheek door of in opdracht van een apotheker ten behoeve van terhandstelling.”
Het voorgestelde art. 31 lid 3 luidde:
“Een verbod als bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing:
a. op geneesmiddelen die door of in opdracht van een apotheker in diens apotheek zijn bereid en ter hand worden gesteld;
b. (…)”
4.24
Met betrekking tot deze uitzonderingen wordt in de memorie van toelichting opgemerkt:45.
“Hoofdregel is dat het verboden is geneesmiddelen te vervaardigen en in de handel te brengen zonder de vereiste vergunningen. Deze verboden zullen niet van toepassing zijn met betrekking tot geneesmiddelen die door een apotheker in een apotheek zijn bereid en bestemd zijn om rechtstreeks aan klanten van de desbetreffende apotheek te worden verstrekt. Deze uitzondering vloeit voort uit artikel 3 van richtlijn 2001/83/EG. Wat betreft de fabrikantenvergunning wordt met zoveel woorden in artikel 40, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG gesteld dat zij niet vereist is voor het bereiden e.d. indien «deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek». En artikel 3, eerste en tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat de richtlijn niet van toepassing is op magistrale en officinale bereidingen. (…) Er moet derhalve aan een aantal elementen worden voldaan, wil men ontheven zijn van de vergunningplicht. In de eerste plaats moet het bereiden plaatsvinden in een apotheek. (…). In de tweede plaats moet de bereiding plaatsvinden door of in opdracht van een apotheker die werkzaam is in de apotheek, dat wil zeggen rechtstreeks aan de patiënt worden overhandigd. In de derde plaats moet het gaan om geneesmiddelen die ter hand worden gesteld(..) door de apotheker of iemand die in diens opdracht werkt. (…)
Overigens wordt opgemerkt dat richtlijn 2001/3 bij de officinale bereiding uitgaat van de kleinschalige productie («aflevering in het klein»). Bij voorraadbereiding ten behoeve van de apotheek is, gelet op de kleinschaligheid van de oplage, het risico voor de volksgezondheid beperkt.
Bij grootschalige geneesmiddelenproductie bestaat een groter risico voor de volksgezondheid omdat een middel over een veel grotere populatie personen wordt verspreid. Industriële (aan vergunningplicht onderworpen) vervaardiging van geneesmiddelen is in principe grootschalig.
Vervolgens wordt verwezen naar een brief van 8 december 1998 waarin de toenmalige minister van VWS reeds aangeeft dat:
“(…) grootschalige geneesmiddelenproductie in apotheken, zonder fabrikanten- of handelsvergunning, op gespannen voet staat met de Europese regelgeving, en dat het wenselijk is tot een afbakening te komen van enerzijds geneesmiddelen die door de apotheker als magistrale en officinale bereidingen geproduceerd mogen worden, en anderzijds de geneesmiddelen die uitsluitend door vergunninghoudende fabrikanten vervaardigd mogen worden en uitsluitend na het verlenen van een handelsvergunning aan patiënten mogen worden verstrekt (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 344, nr. 1). Daarbij zouden de grootschaligheid en de beschikbaarheid van het geneesmiddel op de commerciële markt een rol moeten spelen.”
Het slot van deze passage luidt:
“De begrippen klein- en grootschalig zijn echter tamelijk onbepaald en kunnen louter op zichzelf genomen geen harde maatstaf bieden voor het wel of niet bestaan van een vergunningsplicht. (…) De belangrijkste maatstaf komt evenwel uit de eerdergenoemde bepaling [bedoeld is art. 3; A-G] in richtlijn 2001/83/EG: de geneesmiddelen moeten bestemd zijn voor rechtstreekse verstrekking aan de klanten van de apotheek (hetgeen automatisch beperkingen inhoudt voor de productieschaal). Is daarvan geen sprake, dan geldt de vergunningplicht voluit. De productieschaal en andere omstandigheden kunnen ondersteuning bieden bij de vaststelling of feitelijk sprake is van fabrieksmatig vervaardigen van geneesmiddelen, dan wel van eigen bereidingen van een apotheek. (…).”
4.25
In de memorie van toelichting wordt art. 3, dat de afbakening van het toepassingsgebied van de Richtlijn regelt, dus verbonden met art. 40 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn dat voorziet in een uitzondering op de verplichting over een fabrikantenvergunning te beschikken. Opgemerkt wordt dat het genoemde verstrekkingsvereiste uit art. 3 lid 2 Richtlijn de maatstaf vormt om uit te maken of zich een uitzondering op de vergunningsplicht voordoet. Als ten aanzien van een apotheekbereiding aan de vereisten van art. 3 lid 2 is voldaan, valt deze bereiding niet onder het toepassingsgebied van de Richtlijn en is de vergunningsplicht die is voorzien in art. 40 lid 1 van de Richtlijn niet van toepassing.
4.26
Bij nota van wijziging46.zijn de woorden ‘op kleine schaal’ toegevoegd in, na vernummering, de artikelen 40 lid 3, onder a, (handelsvergunning) en 18 lid 5 (fabrikantenvergunning).
4.27
In de toelichting op het gewijzigde art. 18 (fabrikantenvergunning of ‘bereidingsvergunning’) worden daar weinig woorden aan gewijd (p. 47):
“De hoofdregel in het eerste lid is dat er een vergunning van de minister is vereist voor het bereiden en het invoeren van (alle categorieën) van geneesmiddelen.
Op die hoofdregel worden uitzonderingen gemaakt. Voor het op kleine schaal bereiden van geneesmiddelen in een apotheek door of in opdracht van een apotheker, is geen bereidingsvergunning vereist.”
4.28
In de toelichting op art. 40 (handelsvergunning) valt ietsjes meer te lezen (p. 48):
“In onderdeel a van het derde lid is de zinsnede «op kleine schaal» toegevoegd. Met deze toevoeging wordt de uitzondering voor in de apotheek bereide geneesmiddelen, die artikel 3 van richtlijn 2001/83 maakt op het verbod om in de handel te brengen zonder handelsvergunning, meer in overeenstemming te brengen met de terminologie die artikel 40, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn voor apotheekbereidingen hanteert.”
4.29
De wetgever heeft kennelijk de grondslag daarvoor ontleend aan art. 3 en tegelijkertijd de enigszins onscherpe bewoordingen ‘in het klein’ in art. 40 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn, vervangen door ‘op kleine schaal’. De toelichting laat de lezer nog steeds achter met vragen.
B.3 Rechtspraak
4.30
In de rechtspraak wordt ook ingegaan op de parlementaire geschiedenis, maar biedt wel meer duidelijkheid.
4.31
De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft in een uitspraak uit 2013 in de zaak Regenboog apotheek over het begrip ‘op kleine schaal’ en de toepassing daarvan onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis onder meer het volgende overwogen:47.
“8.1 (…) Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, volgt verder dat het begrip "op kleine schaal" aan die bepalingen is toegevoegd om de uitzondering voor in de apotheek bereide geneesmiddelen die artikel 3 van Richtlijn 2001/83 maakt, meer in overeenstemming te brengen met de terminologie die artikel 40, tweede lid, van die richtlijn hanteert (Kamerstukken II 2004/05, 29 359, nr. 8, blz. 48; hierna: Nota van wijziging), te weten "verstrekking in het klein". Volgens de aan de Nota van wijziging voorafgaande Memorie van toelichting is de achtergrond van deze voorwaarde dat, indien de oplage van apotheekbereidingen kleinschalig is, het risico voor de volksgezondheid beperkt is. Bij grootschalige geneesmiddelenproductie bestaat een groter risico voor de volksgezondheid, omdat een middel over een grotere populatie personen wordt verspreid. In de Memorie van toelichting en de Nota naar aanleiding van het verslag wordt de productieschaal genoemd als ondersteunende aanwijzing voor het vaststellen of het feitelijk om fabrieksmatig vervaardigen van geneesmiddelen gaat, dan wel om eigen bereidingen van een apotheek (Kamerstukken II 2004/05, 29 359, nr. 3, blz. 17-19 en nr. 6, blz. 25-26). Een geneesmiddelenproductie die de omvang van de normale klandizie van een apotheek te boven gaat, een grote hoeveelheid grondstoffen en bepaalde productietechnieken en daarmee gepaard gaande investeringen zijn omstandigheden die kunnen wijzen op vergunningplichtige fabrieksmatige bereiding, aldus de Nota naar aanleiding van het verslag.
Verder volgt uit de bewoordingen en totstandkomingsgeschiedenis van voormelde bepalingen dat een geneesmiddel, om als vergunningvrije eigen bereiding van een apotheek te kunnen worden aangemerkt, rechtstreeks door die apotheek moet worden verstrekt aan haar eigen klanten/patiënten, hetgeen automatisch beperkingen inhoudt voor de productieschaal. De beoordeling of sprake is van een apotheekbereiding of van industriële vervaardiging is telkens een afweging van een specifiek feitencomplex. De Inspectie voor de Gezondheidszorg is daarmee belast (Memorie van toelichting, blz. 18-19 en Kamerstukken I 2006/07, 29 359, F, blz. 6-7).
(…)
8.3 (…)
In de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, aanhef en onder a, van de Gmw zijn voldoende aanknopingspunten te vinden voor een nadere uitleg van het begrip ‘op kleine schaal’ als bedoeld in die bepalingen.”
8.4.
De artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, aanhef en onder a, van de Gmw bevatten uitzonderingen op de hoofdregel dat voor het bereiden en in de handel brengen van geneesmiddelen een vergunning nodig is. De ratio van de vergunningplicht is gelegen in de bescherming van de volksgezondheid. Uitzonderingen hierop dienen dan ook restrictief te worden uitgelegd.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de hiervoor (…) weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, aanhef en onder a, van de Gmw dat de regering maatwerk voor ogen had bij het formuleren van de uitzonderingen op de vergunningplicht. Voorts blijkt hieruit dat het daarbij gaat om maatwerk voor de eigen, ‘normale’ klandizie van een apotheek. Het begrip "op kleine schaal" moet tegen die achtergrond worden bezien. Anders dan Regenboog Apotheek aanvoert, heeft de rechtbank het aantal patiënten dat het geneesmiddel van Regenboog Apotheek gebruikte derhalve terecht bij haar beoordeling betrokken.
Niet in geschil is dat destijds ongeveer tweehonderd artsen het geneesmiddel van Regenboog Apotheek voorschreven aan ongeveer driehonderd patiënten, die verspreid over Nederland woonden. (…).
Onder deze omstandigheden kan de bereiding van het geneesmiddel door Regenboog Apotheek niet worden aangemerkt als maatwerk voor de naar traditionele opvatting eigen cliënten van Regenboog Apotheek, waarvoor de uitzondering op de vergunningplicht is bedoeld. (…) Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat de IGZ en de minister zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de situatie zoals die zich ten tijde van de besluitvorming bij Regenboog Apotheek voordeed, kon worden aangemerkt als bereiding op kleine schaal.”
4.32
De in 2.9 genoemde uitspraak van 10 juni 2022 van de bestuursrechter in de rechtbank Oost-Brabant borduurt voort op deze uitspraak van de Afdeling. Na rov. 8.1 van die uitspraak volledig te hebben geciteerd, overweegt de Bossche rechtbank:
“15.1 (…) Dat de artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, aanhef en onder a, van de Gmw voortvloeien uit de artikelen 3 en 40, tweede lid, van de richtlijn, betekent, anders dan Infinity meent, niet dat die nationale bepalingen ook de implementatie zijn van (genoemde bepalingen uit) de richtlijn. De voorwaarden voor de verstrekking van geneesmiddelen aan de bevolking zijn immers niet op het niveau van de Unie geharmoniseerd. Zo heeft het Hof in het arrest Caronna [HvJEU 28 juni 2012, ECLI:EU:C:2012:396; A-G] overwogen:
‘43 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de voorwaarden voor de verstrekking van geneesmiddelen aan de bevolking tot dusver niet zijn geharmoniseerd op het niveau van de Unie. Bijgevolg kunnen de lidstaten binnen de grenzen van het VWEU voorwaarden voor de verstrekking van geneesmiddelen aan de bevolking opleggen [zie punt 21 van de considerans van richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 tot wijziging van richtlijn 2001/83 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, om te verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen belanden (PB L 174, blz. 74)]. Bijgevolg verschilt de regeling die geldt voor de personen die belast zijn met de detailverkoop van geneesmiddelen van lidstaat tot lidstaat (arrest van 19 mei 2009, Commissie/Italië, C531/06, Jurispr. blz. I4103, punt 38).’
Dat betekent dat lidstaten binnen de grenzen van het VWEU de bevoegdheid hebben om voorwaarden op te leggen waaronder geneesmiddelen op hun grondgebied aan de bevolking mogen worden verstrekt (…). Het begrip “op kleine schaal” als bedoeld in de artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, van de Gmw is dus een door de Nederlandse wetgever op grond van de hem toekomende nationale bevoegdheid uitgewerkte voorwaarde waaronder het (de) desbetreffende geneesmiddel(en) op hun grondgebied aan de bevolking mag(mogen) worden verstrekt. Dat de wetgever dat begrip heeft toegevoegd aan die nationale bepalingen om de uitzondering voor in de apotheek bereide geneesmiddelen die artikel 3 van de richtlijn maakt, meer in overeenstemming te brengen met de terminologie die artikel 40, tweede lid, van die richtlijn hanteert te weten "verstrekking in het klein", moet dus in een nationale context worden gezien. (…)
16.2
48.Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever met die voorwaarde [‘op kleine schaal’; A-G] ook binnen de grenzen van het VWEU gebleven. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013 is overwogen, is de achtergrond van deze voorwaarde dat het risico voor de volksgezondheid beperkt is, indien de oplage van apotheekbereidingen kleinschalig is. Bij grootschalige geneesmiddelenproductie bestaat een groter risico voor de volksgezondheid, omdat een middel over een grotere populatie personen wordt verspreid. De bescherming van de volksgezondheid vormt een rechtvaardiging om de vrijheid om als apotheker geneesmiddelen te bereiden, te beperken, evenals het vrij goederen- en dienstenverkeer en de vrije keuze van patiënten om zich te wenden tot een apotheker die hen de farmaceutische zorg kan bieden waaraan zij behoefte hebben (vergelijk onder meer het arrest van het Hof van 18 september 2019, VIPA, ECLI:EU:C:2019:751, punt 67).
16.3
Uit het voorgaande volgt dat het begrip “op kleine schaal”, zoals neergelegd in de artikelen 18, vijfde lid, en 40, derde lid, van de Gmw verenigbaar is met de richtlijn. (…)”
4.33
De rechtbank Oost-Brabant verwijst, in navolging van de IGJ in haar aangevochten besluit, naar de arresten Caronna (C-7/11) en VIPA (C-222/18). Of die verwijzingen pertinent zijn voor de onderhavige materie zou ik willen betwijfelen (waarmee ik niet wil zeggen dat het gegeven oordeel onjuist is). De (Italiaanse) zaak Caronna betrof de vraag of een apotheker die voldoet aan de eisen voor detailhandel ook de activiteiten van groothandel mag uitvoeren wanneer hij aan de daarvoor geldende nationale voorwaarden voldoet. Antwoord: nee, hij moet ook aan de minimumeisen voldoen die de Richtlijn stelt aan het verkrijgen van een groothandelsvergunning. Die zaak ging niet over de vergunningsplicht voor het vervaardigen en/of in de handel brengen van een geneesmiddel waar het onderhavige geschil over gaat. De (Hongaarse) zaak VIPA ging in de kern over de wederzijdse erkenning van recepten, en dus over grensoverschrijdende zorg. Punt 67 van dat arrest, waar de rechtbank naar verwijst, luidt: “Een nationale maatregel die het vrije goederenverkeer beperkt, kan echter met name op grond van artikel 36 VWEU worden gerechtvaardigd, in het bijzonder om redenen van bescherming van de gezondheid en het leven van personen (…).” Deze overweging is onderdeel van een toets aan het vrij verkeer van goederen en niet aan de Richtlijn.
4.34
Nu er tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant nog hoger beroep loopt bij de Afdeling (zie 2.10), onthoud ik mij van verder commentaar op die uitspraak.
B.4 Invulling van het begrip ‘kleine schaal’ met het getalscriterium
4.35
In de in 2.7 geciteerde Kamerbrief van 8 april 201949.wordt toegelicht wanneer sprake is van een toegestane apotheekbereiding:
“Een toegestane apotheekbereiding in Nederland moet aan een aantal voorwaarden voldoen:
1. de bereiding vindt plaats in de apotheek, aan de hand van een medisch recept voor één patiënt, of op voorraad, voor nog te bepalen patiënten van die apotheek;
2. de bereiding voldoet aan de Europese Farmacopee; en
3. de bereiding dient voor «verstrekking in het klein».”
4.36
Als aan deze voorwaarden is voldaan, mogen apotheekbereidingen plaatsvinden, al dan niet op basis van een industrieel procedé. De genoemde voorwaarden 1 en 2 zijn kennelijk ontleend aan art. 3 van de Richtlijn, waarbij voorwaarde 1 betrekking heeft op zowel lid 1 (magistrale bereidingen) als lid 2 (officinale bereidingen) en voorwaarde 2 duidelijk alleen ziet op lid 2. Voorwaarde 3 is afkomstig uit art. 40 van de Richtlijn en is niet herleidbaar tot art. 3 van de Richtlijn. Met deze brief is verder het reeds genoemde getalscriterium van verstrekking aan 50 (unieke) patiënten per maand (bij langdurig gebruik van het geneesmiddel) geïntroduceerd ter invulling van het verstrekkingsvereiste.
4.37
In de literatuur is enige kritiek te beluisteren op het genoemde getalscriterium.
4.38
Meulenbelt50.meent dat sinds de Kamerbrief het Nederlandse beleid vooral is gericht op ‘compliance’ met een getalsmatige bovengrens. Hij bekritiseert het als automatisme aannemen dat geen sprake is van een vergunningsplicht als de bereiding onder een getalsmatige grens blijft, en hij pleit ervoor dat steeds ook in ogenschouw wordt genomen dat art. 3 lid 2 van de Richtlijn inhoudelijke voorwaarden behelst waaraan moet zijn voldaan alvorens te kunnen concluderen dat de in de Richtlijn geregelde vergunningsplicht niet aan de orde is.
4.39
Den Boer merkt in een noot onder het vonnis van de voorzieningenrechter in de onderhavige kortgedingprocedure51.op dat de inhoudelijke toets die op Europees niveau is vastgesteld om te bezien of een apotheekbereiding buiten de vereisten van de Richtlijn valt (waarbij zij verwijst naar het Abcur-arrest voor de uitleg van de termen ‘industrieel bereid’ en ‘door middel van een industrieel procedé vervaardigd’ in art. 2 van de Richtlijn), niet fundamenteel lijkt af te wijken van de toets die de Nederlandse wetgever voor ogen heeft gehad met de invoering van een ‘kleine schaal’ in de Geneesmiddelenwet. Ook deze auteur is kritisch over de verschuiving van de focus naar het getalscriterium dat door de IGJ wordt toegepast. Hoewel het getalscriterium praktische handvatten biedt en een rol zou kunnen spelen bij de interpretatie van ‘verstrekking in het klein’, zou het de voorkeur hebben om te verhelderen welke rol het getalscriterium speelt in samenhang met andere factoren en het getalscriterium wellicht wettelijk te verankeren.
4.40
Den Boer besteedt in haar noot verder aandacht aan het standpunt van Pharmaline c.s. dat (i) de Richtlijn op grond van art. 3 niet van toepassing is op apotheekbereidingen die aan voorwaarden van die bepaling voldoen, (ii) de in art. 40 van de Richtlijn neergelegdde vergunningsplicht daarom geen betrekking heeft op apotheekbereidingen en (iii) dat de Richtlijn om die reden ook geen grondslag biedt voor de kwantitatieve limitering door het criterium ‘kleine schaal’. Den Boer acht juist het oordeel van de voorzieningenrechter dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de kwantitatieve limitering in strijd is met het doel en de strekking van de Richtlijn:
“Op basis van de Geneesmiddelenrichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie (onder andere het Abcur-arrest) is duidelijk dat de hoofdregel is dat geneesmiddelen uitsluitend met een handelsvergunning op de markt mogen worden gebracht, en dat voor de bereiding een fabrikantenvergunning is vereist. Bereidingen worden op basis van het Abcur-arrest als industrieel gezien (en vallen binnen de Geneesmiddelenrichtlijn) als er een industrieel procedé is dat wordt gekenmerkt door een opeenvolging van handelingen, die onder meer mechanisch of chemisch kunnen zijn, waarmee wordt beoogd aanzienlijke hoeveelheden van een gestandaardiseerd product te verkrijgen. De hoeveelheid die van een geneesmiddel kan worden geproduceerd is dus ook een factor die op Europees niveau van belang is voor de vraag of sprake is van een apotheekbereiding die buiten de Geneesmiddelenrichtlijn valt. Onduidelijk is waarom daaraan binnen de doelstellingen van de Geneesmiddelenrichtlijn geen kwantitatieve limitering zou mogen worden gehangen op nationaal niveau. Zelfs als de stelling van Infinity Pharma c.s. zou worden aangenomen dat art. 40 lid 2 Geneesmiddelenrichtlijn niet is geschreven voor apotheekbereidingen die buiten de richtlijn vallen is er dus geen aanleiding om aan te nemen dat een kwantitatieve limitering in strijd is met de richtlijn.”
4.41
Van der Beek vraagt zich af in haar noot onder het bestreden arrest52.of het vereiste ‘op kleine schaal’ en de uitwerking ervan (het getalscriterium) zomaar terzijde kunnen worden gesteld voor apotheekbereidingen die onder de uitzondering van art. 3 lid 2 van de Richtlijn vallen. Volgens haar is voor de beoordeling in de onderhavige zaak een belangrijke vraag of de Richtlijn maximumharmonisatie beoogt. Nationale wetgeving moet zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van de doelstelling van de Richtlijn, en dat is ook wat het hof heeft gedaan. Van der Beek vervolgt (voetnoten in het origineel niet weergegeven):
“De Nederlandse wetgever is toegestaan om ter implementatie van de Geneesmiddelenrichtlijn voorwaarden te stellen aan de toelaatbaarheid van apotheekbereidingen. De wetgever legt in de memorie van toelichting uit dat hij de in de Gnw opgenomen beperking in schaal nodig acht ter beperking van het risico van de volksgezondheid. (…) De nationale wetgever wil vermijden dat apotheekbereidingen die zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht op basis van art. 3 Geneesmiddelenrichtlijn op een zodanige schaal worden bereid dat er een risico ontstaat tot ondermijning van het registratieprincipe. De ratio achter de getalsnorm is vanuit deze overwegingen dus goed te begrijpen, en is ook in lijn met de doelstelling van de Geneesmiddelenrichtlijn.”
4.42
Volgens Van der Beek kan er wel discussie over bestaan of de getalsnorm voldoende genuanceerd is. De productie van officinale geneesmiddelen kan een zodanige vorm aannemen dat zij als significant moet worden beschouwd en daarmee onder het begrip ‘industrieel procedé’ in de zin van art. 2 lid 1 van de Richtlijn en dus onder het toepassingsgebied ervan komt te vallen.53.Daarvoor zijn echter meer factoren relevant dan alleen het aantal verstrekkingen per maand aan patiënten. Anderzijds erkent de annotator dat enige afbakening van het begrip ‘(kleinschalige) apotheekbereiding’ geen overbodige luxe is, omdat dit zorgt voor een kenbaar toezichtsbeleid van de IGJ en daarmee voor meer rechtszekerheid voor apothekers. De rechtszekerheid zou echter ook gebaat zijn bij een implementatie in de geneesmiddelenwetgeving die beter aansluit bij de tekst van de Richtlijn, aldus Van der Beek.
4.43
De in de literatuur geuite kritiek houdt, samengevat, niet in dat art. 3 lid 2 van de Richtlijn de lidstaten geen ruimte zou laten voor een kwantitatief criterium omdat een dergelijk criterium in de Richtlijn niet is voorzien, zoals het hof heeft geoordeeld. Een kwantitatieve limitering achten de aangehaalde auteurs juridisch mogelijk en ook zinvol, maar bij het getalscriterium plaatsen zij wel kanttekeningen van zowel formele als materiële aard.
B.5 Status en inroepbaarheid van het getalscriterium
4.44
Een andere vraag is of in een civiele procedure het getalscriterium door de houder van vergunningen kan worden tegengeworpen aan een apotheker.
4.45
Het getalscriterium is niet opgenomen in een algemeen verbindend voorschrift, maar is bedoeld om een wettelijke voorschrift (te weten: de voorwaarde ‘op kleine schaal’ in de artikelen 18 lid 5 en 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw) te interpreteren en aan de toezichthouder de instructie te geven die wettelijke bepalingen op die manier toe te passen. Het feit dat het getalscriterium is genoemd in een Kamerbrief en niet een zelfstandig normstellend karakter heeft, brengt mee dat de burgerlijke rechter daar niet aan is gebonden. De burgerlijke rechter kan zich bij het uitleggen van de betrokken wettelijke bepaling uiteraard wel aan het getalscriterium conformeren indien hij van oordeel is dat dit criterium een juiste uitleg van de wet geeft.54.In een procedure bij de burgerlijke rechter kan een partij zich dan ook tegenover haar wederpartij op het getalscriterium beroepen ter onderbouwing van de stelling dat die wederpartij, door geneesmiddelen te bereiden zonder vergunning, handelt in strijd met een wettelijk plicht en daarmee jegens haar onrechtmatig handelt.
B.6 Afronding
4.46
Uit het voorgaande overzicht van de toepasselijke regelgeving, wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur kan worden opgemaakt dat op het punt van het regime voor apotheekbereidingen de Geneesmiddelenwet in een aantal opzichten niet volledig de (structuur van de) Richtlijn volgt. Dit kan de vraag doen rijzen of de Geneesmiddelenwet met de Richtlijn verenigbaar is. Ik neig er naar te denken dat dit wel het geval is: de geconstateerde verschillen zorgen voor enige frictie, maar ik meen dat die door middel van richtlijnconforme uitleg wel kan worden overbrugd omdat de doelstellingen van de Richtlijn worden nagestreefd het door de Richtlijn voorgeschreven resultaat wordt bereikt.
4.47
Bij richtlijnconforme uitleg wordt een in een nationale bepaling opgenomen norm uitgelegd in het licht van een in een richtlijnbepaling opgenomen norm. Ten aanzien van bepalingen die speciaal zijn ingevoerd ter uitvoering van een richtlijn die tot doel heeft rechten te verlenen aan particulieren,55.moet de rechter ervan uitgaan dat de lidstaat de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen.56.De verplichting tot richtlijnconforme uitleg wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan niet dienen als grondslag voor een uitleg contra legem van het nationale recht. Met andere woorden, een nationale bepaling mag niet zó ver worden opgerekt (of ‘bijgebogen’) dat dit leidt tot een interpretatie die niet verenigbaar is met de nationale regelgeving. Over het leerstuk van richtlijnconforme uitleg valt uiteraard veel meer te zeggen57., maar voor deze zaak acht ik dat niet nodig.
4.48
Hier gaat het om de vraag of de voorwaarde ‘op kleine schaal’ in art. 18 lid 5 en in art. 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw kan worden uitgelegd zoals in de Kamerbrief van 8 april 2019 is gedaan. Ik meen dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord. In de laatste voorwaarde van art. 3 lid 2 (het verstrekkingsvereiste) ligt mijns inziens besloten dat de bereiding en de terhandstelling van officinale bereidingen in een apotheek op kleine schaal plaatsvindt. De betrokken geneesmiddelen mogen immers alleen rechtstreeks - en dus niet door tussenkomst van andere handelsschakels - en alleen aan klanten van de eigen apotheek worden verstrekt (fysiek of per post). Daardoor komt er voor die klanten een bepaald geneesmiddel beschikbaar, terwijl gelet op de kleine schaal niet aannemelijk is dat de concurrentie op de markt kan worden vervalst ten nadele van geregistreerde geneesmiddelen en evenmin dat er een gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan. In voorkomend geval zal de toezichthouder daar onderzoek naar kunnen doen.
4.49
Het kan nauwelijks twijfel lijden dat voor een juiste toepassing van de Richtlijn, gelet op het de doelstelling ervan, schaalgrootte van belang is. Er bestaat bovendien overlap tussen het criterium ‘verstrekking in het klein’ in art. 40 lid 2, tweede alinea, (dat ziet op detailhandel en daarmee dus op verstrekking aan de eindgebruiker) en het verstrekkingsvereiste van art. 3 lid 2. Dat het voldoen aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 betekent dat de Richtlijn niet van toepassing is terwijl het voldoen aan de voorwaarden van art. 40 lid 2, tweede alinea, betekent dat een apotheker is vrijgesteld van een handelsvergunning voor een geneesmiddel dat wél onder de Richtlijn valt, doet daar niet aan af. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: de apotheekbereiding kan zonder vergunning worden vervaardigd en verstrekt.58.
4.50
Hierop aansluitend is er tot slot de meer specifieke vraag of een lidstaat met een kwantitatieve grens een passende invulling kan geven aan het verstrekkingsvereiste van art. 3 lid 2, en daarmee indirect aan de voorwaarde ‘verstrekking in het klein’ in art. 40 lid 2, tweede alinea. Als gezegd ligt in beide begrippen besloten dat het slechts om beperkte aantallen mag gaan. Een kwantitatief criterium, dat tevens een manier is om de rechtszekerheid van apothekers te vergroten, is daarom als zodanig niet ontoelaatbaar is. Uiteraard dient een dergelijk criterium proportioneel te zijn. Daarom kan het niet zo laag liggen dat de vrijstelling van de vergunningsplicht haar nuttig effect verliest. Of de grens van ‘circa 50 unieke patiënten per maand’59.passend is, kan mede afhangen van de omstandigheden van het geval, hetgeen primair ter beoordeling staat van de IGJ.60.In specifieke gevallen kan maatwerk vereist zijn. In zijn algemeenheid lijkt ‘circa 50 unieke patiënten’ een redelijke maatstaf.
4.51
Na al het voorgaande kan de bespreking van het middel relatief kort zijn.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
Voorafgaande opmerkingen
5.1
Het middel bestaat uit drie onderdelen, waarvan onderdeel 1 de kern vormt.61.De subonderdelen 1a, 1b en 1c keren zich elk tegen het oordeel van het hof dat, als de Geneesmiddelenwet richtlijnconform moet worden uitgelegd, dan niet van het getalscriterium uit de brief van de minister kan worden uitgegaan omdat art. 3 lid 2 van de Richtlijn alleen een kwalitatief criterium bevat en niet een kwantitatief criterium. De subonderdelen 1d en 1e zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat voldaan is aan de twee voorwaarden die art. 3 lid 2 van de Richtlijn stelt om apotheekbereidingen buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn te doen belanden, het ‘Farmacopee-vereiste’ (1d) en het verstrekkingsvereiste (1e). Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht. Onderdeel 3 ziet op het dictum van het bestreden arrest ten aanzien van Pharmaline.
5.2
De subonderdelen 1a en 1b zijn primair voorgesteld. De subonderdelen 1c tot en met 1e zijn ‘subsidiair’ (en daarom: voorwaardelijk) voorgesteld. Onderdeel 3 draagt een meer subsidiair karakter. Dit betekent dat als subonderdeel 1a of 1b slagende klachten bevat, de overige klachten van onderdeel 1 en onderdeel 3 onbesproken kunnen blijven.
5.3
Eerst breng ik in herinnering hoe het hof is gekomen tot het oordeel dat Pharmaline zonder vergunning mag overgaan tot aflevering van het geneesmiddel Psorinovo (rov. 3.10, voorlaatste zin):
- Het hof gaat ervan uit dat Psorinovo industrieel wordt vervaardigd en dat gelet op art. 2 lid 1 van de Richtlijn dit geneesmiddel daarom in beginsel onder de Richtlijn valt.62.
- Vervolgens gaat het hof over tot richtlijnconforme uitleg van art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3, aanhef en onder a, Gnw. Het toetst of de bereiding en verstrekking van Psorinovo voldoen aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 (rov. 3.8, laatste zin).
- Het hof overweegt dat Pharmaline aannemelijk heeft gemaakt dat Psorinovo wordt bereid volgens de aanwijzingen van de farmacopee, zodat aan die voorwaarde is voldaan (rov. 3.9, laatste alinea, tweede zin).
- Ten aanzien van het verstrekkingsvereiste gaat het hof er - bij gebrek aan vaststaande feiten ter zake - vooralsnog van uit dat Pharmaline daaraan voldoet nu zij dat heeft gesteld en Almirall onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is (rov. 3.10, tweede alinea, slotzin).
- De Kamerbrief van 8 april 2019 maakt de beoordeling dat aan art. 3 lid 2 is voldaan niet anders omdat art. 3 lid 2 van de Richtlijn enkel een kwalitatief criterium voorschrijft en daarom niet van het kwantitatieve criterium genoemd in die brief kan worden uitgegaan (rov. 3.10, derde alinea).
5.4
Het hof heeft dus niet als feitelijk uitgangspunt vooropgesteld dat Psorinovo voldoet aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 van de Richtlijn, maar heeft daartoe voorshands geconcludeerd na te hebben beoordeeld of die voorwaarden ruimte laten voor een op nationaal niveau vastgesteld kwantitatief criterium. Het hof schuift het getalscriterium in de Kamerbrief vervolgens ter zijde op de enkele grond dat het daarbij gaat om een kwantitatief criterium dat naar zijn aard niet is toegestaan. Het hof schuift het getalscriterium niet ter zijde omdat het daarin aangehouden specifieke getal strijd met art. 3 lid 2 van de Richtlijn zou opleveren. Over de vraag of het getal van ‘circa 50 patiënten per week’ passend en evenredig is, heeft het hof zich dan ook niet uitgelaten.
Subonderdeel 1a
5.5
Subonderdeel 1a is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat niet van het kwantitatieve criterium uit de Geneesmiddelenwet kan worden uitgegaan, omdat art. 3 lid 2 van de Richtlijn slechts een kwalitatief criterium voorschrijft, en dat Pharmaline geen verbod kan worden opgelegd indien zij aan dat kwalitatieve criterium voldoet (rov. 3.10 en 3.11, in samenhang met rov. 3.5-3.9). Aldus heeft het hof volgens het middel miskend dat art. 3 lid 2 enkel het toepassingsgebied van de Richtlijn (nader) omlijnt, en niet (tevens) (uitputtende) voorwaarden bevat die meebrengen dat, als aan die voorwaarden is voldaan, de lidstaten geen (nadere) voorwaarden mogen stellen c.q. invulling mogen geven aan de regel dat, kort gezegd, een vergunning voor geneesmiddelen op kleine schaal c.q. verstrekkingen in het klein niet benodigd is. Meer specifiek heeft het hof volgens het middel miskend dat als aan de voorwaarden van art. 3 lid 2 van de Richtlijn is voldaan, zoals het hof voorshands concludeert, de Richtlijn niet van toepassing is, hetgeen, althans in beginsel, impliceert dat de soevereiniteit van de lidstaten juist niet door die Richtlijn wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling in het licht daarvan ook niet aan de orde is.63.Dit een en ander brengt mee dat het kwantitatieve criterium dat ingevolge de Geneesmiddelenwet geldt, “ten volle” zijn werking behoudt en niet door een richtlijnconforme interpretatie ten aanzien van (enkel) art. 3 lid 2 van de Richtlijn zijn werking (ten dele) verliest.
5.6
Volgens Almirall betekent de niet-toepasselijkheid van de Richtlijn dus dat op nationaal niveau voorwaarden kunnen worden vastgesteld, ook als die ertoe kunnen leiden dat een apotheekbereiding die, naar althans voorshands wordt aangenomen, voldoet aan alle voorwaarden van art. 3 lid 2 van de Richtlijn, toch vergunningsplichtig is. Volgens Pharmaline c.s. daarentegen staat art. 3 lid 2 juist eraan aan in de weg dat een apotheekbereiding alsnog aan een vergunning wordt onderworpen terwijl de Richtlijn, en in het verlengde daarvan de Geneesmiddelenwet, als gevolg van het voldaan zijn van de voorwaarden van art. 3 lid 2 ervan niet van toepassing zijn.64.Hiermee krijgt het debat een institutioneel karakter, omdat het er om gaat hoe voor het betrokken onderwerp de (regelgevende) bevoegdheid tussen de Europese Unie en de EU-lidstaten is verdeeld en met name of de lidstaten überhaupt nog enige bevoegdheid hebben om voorwaarden te stellen aan de vrijstelling van een vergunningsplicht.
5.7
Ik merk hier het volgende over op. Indien en voor zover de Unie haar wetgevende bevoegdheden ter zake van een bepaald onderwerp heeft uitgeoefend, zijn de lidstaten niet langer bevoegd daarover zelf regels uit te vaardigen, behoudens voor zover dat in de wetgevingshandeling van de Unie zelf uitdrukkelijk wordt toegestaan. Een Unierechtelijke wetgevingshandeling, zoals een richtlijn, reguleert echter uit de aard der zaak geen onderwerpen die buiten haar toepassingsgebied vallen, ook als een richtlijn uitgaat van maximumharmonisatie. Indien het nationale recht bijvoorbeeld bepaalt dat sommige apotheekbereidingen zonder vergunning zijn verboden, welke bepaling niet haar grondslag vindt in de Richtlijn, is een dergelijke nationale bepaling niet verboden enkel omwille van het feit dat de lidstaat bevoegdheid ontbeert om voorschriften uit te vaardigen, ongeacht doel en strekking daarvan. Naar mijn mening heeft het hof echter niet geoordeeld dat een lidstaat niet enig voorschrift meer mag vaststellen. Indien het middel dat wel in het bestreden arrest leest, mist het in zoverre feitelijke grondslag.
5.8
Indien het subonderdeel zo moet worden gelezen dat het is gericht tegen het oordeel dat, kort gezegd, art. 3 lid 2 van de Richtlijn en in het bijzonder het verstrekkingsvereiste geen ruimte laat voor een kwantitatief criterium, dan gaat het uit van een juiste lezing van het bestreden arrest. Dat is namelijk precies wat het hof heeft geoordeeld (zie 5.4). Bij die lezing treft de klacht doel.
5.9
Hiervoor ben ik tot de conclusie gekomen dat een kwantitatief criterium invulling kan geven aan de voorwaarde ‘op kleine schaal’ in de artikelen 18 lid 5 en 40 lid 3, aanhef onder a, Gnw, en dat voorts niet valt in te zien dat deze voorwaarde niet zou stroken met de voorwaarde ‘verstrekking in het klein’ vermeld in art. 40 lid 2, tweede alinea, of met verstrekkingsvereiste van art. 3 lid 2 van de Richtlijn (zie 4.49-4.50). Ook in die laatste voorwaarde ligt immers besloten dat de productie en de terhandstelling van een apotheekbereiding zonder vergunning slechts op beperkte schaal kan plaatsvinden. Het hof heeft dit miskend door die laatste voorwaarde van art. 3 lid 2 te duiden als een (zuiver) kwalitatief criterium en het getalscriterium uit de Kamerbrief daarmee te contrasteren en aan te merken als aanvullend, kwantitatief criterium dat om die enkele reden niet mag worden toegepast. Het is deze uitkomst van de door het hof toegepaste richtlijnconforme uitleg die getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting.
5.10
Zoals opgemerkt in 5.4 is dit oordeel niet toegespitst op het getalscriterium. Gesteld dat het getalscriterium aanzienlijk hoger zou zijn, bijvoorbeeld 500 patiënten in plaats van 50 per maand, dan zou dat in de redenering van het hof geen verschil maken, omdat het hof in zijn redenering ervan uitgaat dat art. 3 lid 2 geen enkele ruimte laat voor enige vorm van kwantitatieve precisering, dus kennelijk ongeacht waar de toegestane grens is getrokken. Dit oordeel van het hof, erop neerkomend dat lidstaten geen enkele kwantitatieve eis mogen stellen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
5.11
Ten overvloede merk ik nog op dat het antwoord op de vraag of de grens van ‘circa 50 unieke patiënten per maand’ in een concreet geval passend is, mede afhangt van de omstandigheden van het geval, hetgeen als gezegd primair ter beoordeling staat van de IGJ. Het cijfer van 50 lijkt overigens niet te zijn bedoeld als een harde en eenvormige cap, temeer omdat in de Kamerbrief wordt gesproken van circa 50 (unieke) patiënten per maand. Uit de gedingstukken van Pharmaline c.s. komt mijns inziens niet naar voren dat genoemd getal manifest onredelijk of voor apothekers onevenredig beperkend zou zijn. Dat, in dit geval, de vraag in de markt naar het geneesmiddel Psorinovo een veelvoud zou zijn 50 patiënten per maand, vormt op zichzelf niet een zwaarwegende reden om het getalscriterium in dit geval ter zijde te stellen.
5.12
Om deze redenen slaagt subonderdeel 1a. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven.
Overige klachten
5.13
Bij deze stand zaken behoeft subonderdeel 1b geen bespreking. Evenmin hoeft te worden toegekomen aan de subsidiaire klachten van de subonderdelen 1c tot en met 1e. Het meer subsidiair voorgestelde onderdeel 3 tot slot komt evenmin aan bod.
6. Slotopmerkingen
6.1
Gelet op de complexiteit van deze zaak en de centrale plaats die de uitleg van art. 3 lid 1 van de Richtlijn daarin inneemt zouden er op zichzelf goede redenen kunnen zijn om op grond van art. 267 VWEU aan het HvJ prejudiciële vragen te stellen.65.Die zouden dan betrekking kunnen hebben op de vraag of de Richtlijn, en in het bijzonder de in art. 3 lid 2 ervan opgenomen voorwaarde dat een in een apotheek officinaal bereid geneesmiddel moet zijn bestemd voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek (het verstrekkingsvereiste), eraan in de weg staat dat een lidstaat op basis van een kwantitatief criterium een bovengrens stelt aan de aantallen geneesmiddelen die zonder vergunning in een apotheek kunnen worden vervaardigd en ter hand gesteld, en of het in dat verband uitmaakt of een geneesmiddel wel of niet wordt bereid op basis van een industrieel procedé als bedoeld in art. 2 lid 1 van de Richtlijn. Een vergelijkbare vraag zou kunnen worden gesteld met betrekking tot art. 40 lid 2, tweede alinea van de Richtlijn, dat een vrijstelling bevat van de verplichting te beschikken over een fabrikantenvergunning.
6.2
Ik zie niet zonder meer aanleiding uw Raad te adviseren om prejudicieel te verwijzen. Verwijzing is in kort geding voor de hoogste rechter niet verplicht (maar uiteraard wel mogelijk). Mijn aarzeling berust vooral erop dat het hof als feitenrechter slechts voorshands en zonder eigen onderzoek (waarvoor in kort geding ook weinig ruimte is) heeft geoordeeld dat is voldaan aan het verstrekkingsvereiste van art. 3 lid 2 van de Richtlijn. Of dat feitelijk oordeel in de verschillende procedures tussen partijen stand zal houden staat gelet op wat hier over in de gedingstukken is aan te treffen mijns inziens allerminst vast, met als mogelijk gevolg dat prejudiciële vragen zouden berusten op een betwist en onzeker feitelijk uitgangspunt, dat bovendien op enig moment achterhaald kan zijn.
6.3
Almirall heeft voorts in haar repliek (nr. 11) uw Raad in overweging gegeven om, “in het licht van de rechtseenheid, zo mogelijk en gewenst, afstemming te zoeken en, indien Uw Raad daartoe aanleiding ziet, de zaak aan te houden tot nadat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan” in de hiervoor in 2.10 genoemde hoger beroepsprocedure tussen Pharmaline c.s. en de IGJ (en Almirall als derde-belanghebbende). Nu de vorderingen van Almirall niet (mede) berusten op het besluit van de IGJ dat voorwerp is van die bestuursrechtelijke procedure, Almirall in dit kort geding een ordemaatregel heeft gevraagd, en het debat zich afspeelt binnen de door het cassatiemiddel getrokken grenzen, zie ik niet zonder meer aanleiding uw Raad te adviseren hier in mee te gaan. Of de Afdeling op korte termijn in die zaak uitspraak zal doen, moet worden afgewacht.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PbEG 2001, L 311/67, zoals nadien veelvuldig gewijzigd. Er is een geconsolideerde tekst van de Richtlijn per 1 januari 2022.
Wet van 8 februari 2007 tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet, zoals nadien veelvuldig gewijzigd, Stb. 2007, 93. De wet is in werking getreden op 1 juli 2007.
De Geneesmiddelenwet wordt ook wel afgekort als Gmw, maar in deze zaak door zowel het hof als partijen als Gnw. Daarbij sluit ik mij in deze conclusie aan.
Strikt genomen was de betrokken minister de Minister van Medische Zorg en Sport. In enkele stukken in dit dossier wordt ‘en Sport’ weggelaten en op verschillende plaatsen wordt gesproken van de ‘Minister van VWS’. Om het simpel te houden spreek ik kortweg van ‘de minister’.
Kamerstukken II 2018/2019, 29 477, nr. 569.
Vgl. het vonnis van de voorzieningenrechter, rov. 2.1-2.10. Het hof is bij zijn oordeel ook (onder meer) van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten uitgegaan; zie het bestreden arrest, rov. 3.
Infinity heeft erop gewezen dat haar activiteiten als apotheek vanaf 1 januari 2021 zijn gestaakt. Nadien is de exploitatie overgegaan op Pharmaline. Het hof is er in rov. 2.1 van zijn arrest van uitgegaan dat Infinity in ieder geval tot 1 januari 2021 een apotheek heeft geëxploiteerd (en daar Psorinovo heeft geproduceerd en verstrekt).
Kamerstukken II 2018/2019, 29 477, nr. 569. De bij deze brief behorende bijlage is te raadplegen op www.tweedekamer.nl.
Productie 7 bij inleidende dagvaarding. Het boetebedrag van € 33.750,- bestaat uit een boete van € 13.500,- wegens overtreding van art. 18 lid 1 Gnw (fabrikantenvergunning) en van € 20.250,- wegens overtreding van art. 40 lid 2 Gnw (handelsvergunning).
Productie 12 bij inleidende dagvaarding.
Rb. Oost-Brabant 10 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2356; zie productie 20 van Almirall in hoger beroep. Almirall heeft als derde-belanghebbende aan die bestuursrechtelijke procedure deelgenomen.
Zie de spreekaantekeningen van de advocaat van Pharmaline c.s. van 20 oktober 2022 in het hoger beroep in deze zaak, nr. 2.
Productie 8 bij inleidende dagvaarding. Het boetebedrag van € 40.500,- bestaat uit een boete van € 20.250,- wegens overtreding van art. 18 lid 1 Gnw (fabrikantenvergunning) en van € 20.250,- wegens overtreding van art. 40 lid 2 Gnw (handelsvergunning).
Zie rov. 2.9 van het vonnis van de voorzieningenrechter en rov. 3.12 van het arrest van het hof.
Productie 2 bij inleidende dagvaarding. Dit vonnis is niet op rechtspraak.nl gepubliceerd, maar is te raadplegen in JGR 2022/8, m.nt. P. den Boer (noot onder JGR 2022/10).
Aan de dupliek van Pharmaline c.s. ontleen ik dat de appelprocedure in de bodemzaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het onderhavige cassatieberoep (zie voetnoot 8).
De reden dat dit keer is gedagvaard voor de rechtbank Overijssel (locatie Almelo) is dat Pharmaline is gevestigd te Oldenzaal. Als gezegd heeft zij de betrokken activiteiten vanaf 1 januari 2021 van Infinity overgenomen.
In het petitum wordt gesproken van een individuele ‘magistrale aflevering’, terwijl dit geschil gaat over de vraag of is voldaan aan de vereisten voor een ‘officinale bereiding’ als bedoeld in art. 3 lid 2 van de Richtlijn.
Zie uitgebreider rov. 3.2 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
Zie uitgebreider rov. 3.3 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
Vgl. rov. 2.2 van het arrest van het hof.
ECLI:NL:RBOVE:2021:4798, JGR 2022/9, m.nt. P. den Boer onder JGR 2022/10.
ECLI:NL:GHARL:2022:9768, JGR 2023/2, m.nt. C. van der Beek.
Voetnoot 3 in origineel: van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik.
Voetnoot 4 in origineel: HvJEU, 16 juli 2015, C-544/13 en C-545/13, ECLI:EU:C:2015:481, punt 58 en 66-71 (Abcur).
Zie rov. 5.1 van het in 2.12 en 2.13 genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 september 2021.
Richtlijn 65/65/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten. Deze richtlijn schreef al een vergunning voor het in de handel brengen voor.
Zie ook HvJ (Grote Kamer) 22 december 2022, C‑530/20, Euroaptieka, ECLI:EU:C:2022:1014, punt 39. Zie ook HvJ 16 juli 2015, C-544/13 en C-545/13, Abcur, ECLI:EU:C:2015:481, JGR 2015/17, m.nt. M.D.B. Schutjens, punt 47, met verwijzing naar HvJ 20 september 2007, C‑84/06, Antroposana e.a., ECLI:EU:C:2007:535, punt 36, en HvJ 29 maart 2012, C‑185/10, Commissie/Polen, ECLI:EU:C:2012:181, punt 27.
Vgl. overweging 35 van de Richtlijn: “Controle dient te worden uitgeoefend op de gehele distributieketen van geneesmiddelen, van de fabricage of de invoer ervan (…) tot de aflevering aan het publiek (…).”
Zie HvJ 20 september 2007, C-84/06, Antroposana c.s., ECLI:EU:C:2007:535, NJ 2009/3, punten 40 en 41. Zie voor het eindarrest in die zaak HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF7441, NJ 2009/4.
Zie bijv. HvJ 16 juli 2015, C-544/13 en C-545/13, Abcur, ECLI:EU:C:2015:481, punt 54, onder verwijzing naar HvJ 18 maart 2010, C-3/09, ECLI:EU:C:2010:149, Erotic Center, punt 15, en HvJ 29 maart 2012, C‑185/10, Commissie/Polen, ECLI:EU:C:2012:181, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie HvJ 16 juli 2015, C-544/13 en C-545/13, Abcur, ECLI:EU:C:2015:481, punt 50.
§ 21 lid 2 Gesetz über den Verkehr mit Arzneimitteln (in Nederlandse vertaling, onderstreping toegevoegd): „Een vergunning is niet vereist voor geneesmiddelen die bestemd zijn voor menselijk gebruik en die frequent (…) worden voorgeschreven, wat de wezenlijke stappen van de bereiding betreft en tot een hoeveelheid van honderd verpakkingen per dag in een apotheek worden bereid in het kader van de normale exploitatie van de apotheek en bestemd zijn om te worden verstrekt in het kader van bestaande exploitatievergunning van de apotheek. (…)”
Het HvJ overwoog wel (punt 34) dat de beperking naar Duits recht tot honderd verpakkingen per dag uitsluit dat de productie van officinale bereidingen kan worden geacht op voldoende grote schaal plaats te vinden om onder het begrip “industrieel procedé” in de zin van art. 2 lid 1 van de Richtlijn te vallen
Het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EFTA Court) heeft de in de vorige voetnoot genoemde overweging uit het arrest Hecht Pharma II in zoverre genuanceerd dat als een geringe hoeveelheid van een geneesmiddel wordt vervaardigd, dit niet zonder meer betekent dat er geen industrieel proces is toegepast. Zie: EFTA-Court 15 juli 2021, E-7/20 (M en X AG), https://eftacourt.int/cases/case-e-720/, JGR 2022/1, m.nt. M.O. Meulenbelt, punt 65. Het EFTA Court overwoog ook: “To place such quantities on the market in EEA States without applying the provisions of the Directive would result in the circulation of significant amounts of medicinal products without a marketing authorisation under the Directive, and hence undermine the Directive’s purpose”.
Het dossier bevat aanwijzingen dat de productie van Psorinovo niet bepaald kleinschalig was. Zie o.a. het bodemvonnis, rov. 4.17, geciteerd in 2.13.
Bestreden arrest, rov. 3.7: “Tussen partijen staat vast dat het in dit geschil gaat over (de uitleg van) de onder artikel 3, lid 1, bedoelde Formula officinalis.” Mij is opgevallen op dat in eerdere instanties werd gesproken van een magistrale bereiding door Infinity. Zie o.a. het bodemvonnis van rechtbank Oost-Brabant van 8 september 2021 (prod. 2 bij inleidende dagvaarding) en de besluiten van de IGJ (prod. 7 bij inleidende dagvaarding).
De term farmacopee wordt in de Richtlijn niet gedefinieerd. In zijn conclusie in C-276/15, ECLI:EU:C:2016:492 (Hecht Pharma II) heeft A-G Szpunar de term farmacopee omschreven als “handboek met voorschriften voor de analyse van samengestelde geneesmiddelen, dat door de overheid of een medisch of farmaceutisch genootschap is uitgegeven”. Zie punt 33-37 van die conclusie.
Zie HvJ 16 juli 2015, C-544/13 en C-545/13, Abcur, ECLI:EU:C:2015:481, punt 67, onder verwijzing naar punt 52 van de conclusie van A-G Szpunar in die zaak.
Zie HvJ 16 juli 2015, C-544/13 en C-545/13, Abcur, ECLI:EU:C:2015:481, punt 38-39, o.v.n. HvJ 13 maart 2014, C‑512/12, ECLI:EU:C:2014:149, Octapharma France, punt 38, en bevestigd in HvJ 26 oktober 2016, C-276/15, Hecht Pharma II, ECLI:EU:C:2016:801, JGR 2016/26, m.nt. J.A. Lisman, punt 29 en HvJ 21 november 2018, C-29/17, Novartis Farma, ECLI:EU:C:2018:931, punten 55-56.
Zie ook de schriftelijke toelichting van Pharmaline c.s., nr. 2.25 en voetnoot 45.
Aldus ook Schutjens en Lisman in hun noot bij HvJ 11 april 2013, C-535/11, Novartis/Apozyt, ECLI:EU:C:2013:226, JGR 2013/12.
Besluit Geneesmiddelenwet Stb. 2007, 128, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 juni 2018, Stb. 2018, 190, en Regeling Geneesmiddelenwet, Stcrt. 2007, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 oktober 2023, Stcrt. 2023, 29385.
Zie Kamerstukken II 2003/2004, 29 359, nr. 2.
Kamerstukken II 2003/2004, 29 359, nr. 3, p. 17-19.
Kamerstukken II 2004/2005, 29 359, nr. 8 van 20 mei 2005. Deze Nota van wijziging bevatte naast de hier besproken wijzigingen een groot aantal wijzigingen in verband met (onder meer) de implementatie van Richtlijn 2004/27/EG van 31 maart 2004 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG.
ABRvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066, JGR 2013/10, m.nt. R.G.T. van Wissen en J.A. Lisman (Regenboog Apotheek). De toezichthouder (toen nog: IGZ) had geoordeeld dat een productie van 20.000 tabletten per maand niet als grootschalige productie is aan te merken. De Afdeling oordeelde daar anders over (zie rov. 4).
De uitspraak nummert door van 15.1 naar 16.2, maar dat lijkt een verschrijving.
Kamerstukken II 2018/2019, 29 477, nr. 569. Beleidsregels van de IGJ, die in de brief worden aangekondigd, heb ik niet aangetroffen.
M.O. Meulenbelt in zijn noot onder JGR 2022/1. Voor de goede orde merk ik op dat mr. Meulenbelt in de onderhavige procedure in hoger beroep náást mrs. Kien en De Geus als advocaat voor Almirall c.s. is opgetreden.
JGR 2022/10.
JGR 2023/2.
Of dat juist is mag worden betwijfeld. Gelet op het hiervoor genoemde arrest Abcur en overige rechtspraak moet eerst worden nagegaan of een apotheekbereiding krachtens art. 2 lid 1 van de Richtlijn binnen de werkingssfeer van die Richtlijn kan vallen en, wanneer dit het geval is, moet vervolgens worden onderzocht of dat geneesmiddel onder de uitzonderingen van art. 3 van de Richtlijn valt. Zie 4.12 en voetnoot 40.
Anders de schriftelijke toelichting van Pharmaline c.s., nrs. 2.36 en 2.37.
Verdedigbaar acht ik dat die situatie zich hier voordoet. Immers, op grond van art. 40 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn heeft een apotheker het recht om zonder bereidingsvergunning geneesmiddelen te bereiden als aan de aldaar genoemde voorwaarden is voldaan.
Zie. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1780 (Albron/FNV Bondgenoten), rov. 3.4.3 en 3.4.4, en vgl. ook HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:88 (Ryanair/PR Aviation), rov. 3.4.2.
Ik beperk mij tot het noemen van de volgende gezaghebbende bronnen: M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2001; S. Prechal, Directives in EC Law, Oxford: OUP 2005, Chapter 8; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/181 e.v.
Dat neemt overigens niet weg dat de Geneesmiddelenwet voor het overige van toepassing is. Te denken valt bijvoorbeeld aan voorschriften over de terhandstelling van geneesmiddelen (Titel 6) of de voorschriften over reclame voor geneesmiddelen (Titel 9) van de Gnw.
Die aantal geldt bij langdurig gebruik; bij kortdurend gebruik is een grens van circa 150 patiënten per maand genoemd.
Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze zaak, rov. 4.9 (weergegeven in 3.5).
In die zin ook Almirall in haar schriftelijke toelichting, onder 7.
Almirall wijst in haar schriftelijke toelichting nr. 104 op een cijfer van 66.900 tabletten die Inifinity per maand ter hand zou hebben gesteld. Wat er van dit cijfer ook zij, uit de cassatiestukken namens Pharmaline c.s. blijkt niet dat zij beroep doen op het bepaalde in art. 2 lid 1 van de Richtlijn. De meeste aandacht gaat uit naar art. 3 lid 2.
Daarmee sluit het middel aan bij hetgeen de voorzieningenrechter overwoog in rov. 4.10: “(…) Niet in geschil is dat indien met Pharmaline wordt aangenomen dat apotheekbereidingen zoals die van Psorinovo buiten toepassing van de richtlijn vallen, de Nederlandse wetgever in beginsel de vrijheid heeft om de toelaatbaarheid van apotheekbereidingen te reguleren.”
Zie o.a. schriftelijke toelichting Pharmaline c.s., nr. 3.4.4.
Vgl. de schriftelijke toelichting van Almirall, nrs. 131 en 132.
Beroepschrift 28‑02‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE (VORDERINGSPROCEDURE)
1. Eisende partijen
1.
Eiseressen tot cassatie zijn:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ALMIRALL B.V.,
gevestigd te Utrecht, kantoorhoudende aan de Papendorpseweg 100
3528 BJ Utrecht
en
De vennootschap naar buitenlands recht
ALMIRALL S.A.,
gevestigd te Barcelona, Spanje, kantoorhoudende aan de Ronda del General Mitre 151
08022 Barcelona
hierna gezamenlijk: (‘Almirall’)
2.
Almirall kiest woonplaats aan de Claude Debussylaan 80, 1082 MD Amsterdam, op het kantoor van mr. I.L.N. Timp (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.). Almirall stelt mr. I.L.N. Timp tot advocaat bij de Hoge Raad.
2. Verwerende partijen
3.
Verweersters in cassatie zijn:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INFINITY PHARMA B.V. (‘Infinity’)
gevestigd te Helmond,
kantoorhoudende aan de Steenovenweg 15
5708 HN Helmond
en
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PHARMALINE B.V. (‘Pharmaline’),
gevestigd te Oldenzaal,
kantoorhoudende aan de Münsterstraat 4,
7575 ED Oldenzaal
4.
Infinity en Pharmaline hebben in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen op het kantoor van mr. A.J.H.W.M. Versteeg, die kantoor houdt aan de Jacob Obrechtstraat 20-I, 1071 KM Amsterdam (Macro & Versteeg Advocaten).
3. Bestreden uitspraak
5.
Almirall komt in cassatieberoep van het arrest in kort geding dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (‘Hof’) heeft gewezen onder zaaknummer 200.306.109 tussen Infinity en Pharmaline als appellanten en Almirall als geïntimeerden, en heeft uitgesproken op 15 november 2022.
4. Bevoegde rechter
6.
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
5. Uiterste verschijndatum
7.
Infinity en Pharmaline kunnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, uiterlijk op 28 februari 2023 in deze procedure verschijnen. Hierbij worden Infinity en Pharmaline erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, behandelt op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur.
6. Middel van cassatie
8.
Almirall voert tegen het hiervoor vermelde arrest het volgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van dat arrest is omschreven en op de gronden die in het lichaam van het arrest zijn vermeld, dit om de volgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
Inleiding
9.
Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, in de kern om de vraag of Infinity en Pharmaline, die beide dochtervennootschappen zijn van Fagron B.V., rechtmatig jegens farmaceutisch bedrijf Almirall handelen, nu zij zonder vergunning het op de behandeling van psoriasis gerichte middel Psorinovo produceren en verkopen in de door hen geëxploiteerde apotheken en aan meer dan 50 unieke patiënten per maand verstrekken. Almirall produceert en verkoopt op haar beurt het middel Skilarence, dat ook wordt gebruikt voor de behandeling van psoriasis, maar beschikt wel over de voor haar activiteiten benodigde vergunningen.1.
10.
Almirall heeft zich op het standpunt gesteld dat deze handelwijze van Infinity en Pharmaline in strijd is met de Geneesmiddelenwet (‘Gnw’). 2. In art. 18 lid 5 en 40 lid 3 sub a Gnw is bepaald dat de vergunningen die op grond van de Gnw nodig zijn voor onder meer de bereiding, het invoeren, in voorraad hebben, te koop aanbieden, afleveren en ter hand stellen, niet benodigd zijn voor de bereiding van geneesmiddelen die in een apotheek op kleine schaal zijn bereid en ter hand gesteld.3. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (‘VWS’) heeft in een brief van 8 april 2019 geschreven dat met op kleine schaal wordt bedoeld verstrekking aan enkele tot ongeveer 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel.4. Aldus wordt door de Minister van VWS een kwantitatief criterium (c.q. getalscriterium5.) gehanteerd.6. Zoals in de brief van de Minister van VWS is vermeld en Almirall ten processe gemotiveerd heeft gesteld, gaat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (‘IGJ’) in haar toezicht uit van dit aantal.7.
11.
Infinity en Pharmaline hebben betoogd dat dit kwantitatieve criterium in strijd is met de Richtlijn 2001/83 (de ‘Richtlijn’) en dat zij op grond van het Unierecht niet over een vergunning hoeven te beschikken. In dat kader hebben zij (onder meer8.) gewezen op art. 3 lid 2 van de Richtlijn, waarin is bepaald dat de Richtlijn niet van toepassing is op geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten zijn bestemd (algemeen de Formula officinalis geheten). Daarnaast heeft Infinity erop gewezen dat haar activiteiten als apotheek vanaf 1 januari 2021 zijn gestaakt9., hetgeen Almirall gemotiveerd heeft betwist10., en dat Infinity de bereiding van Psorinovo aan Pharmaline heeft overgedragen.11.
12.
Vóórdat het Hof in het te dezen in bestreden arrest uitspraak deed (zie onder 13 e.v.), is er herhaaldelijk — en steeds in het voordeel van Almirall — over de thans aan de orde zijnde materie beslist:
- (i)
naar aanleiding van een door Almirall ingediend handhavingsverzoek heeft de IGJ bij besluit van 26 mei 2020 aan Infinity een bestuurlijke boete opgelegd van EUR 33.750,00 wegens overtreding van art. 18 lid 1 en art. 40 lid 2 Gnw, zulks omdat Infinity Psorinovo heeft verstrekt aan meer dan 50 patiënten per maand. Infinity heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld, welk bezwaar ongegrond is verklaard.12. Bij uitspraak van 10 juni 2022 heeft de bestuursrechter, handelend in meervoudige samenstelling, het beroep van Infinity ongegrond verklaard.13. Almirall heeft er ten processe op gewezen dat hoger beroep is ingesteld14.
- (ii)
naar aanleiding van een (nader) handhavingsverzoek van Almirall heeft de IGJ bij besluit van 28 juli 2021 (ook) aan Pharmaline een bestuurlijke boete opgelegd en wel ter hoogte van EUR 40.500,00 wegens overtreding van art. 18 lid 1 en art. 40 lid 2 Gnw, zulks (wederom) omdat Psorinovo is verstrekt aan meer dan 50 patiënten per maand. Pharmaline heeft geen bezwaar ingesteld tegen dit besluit.15. Dit (boete)besluit van de Minister van Medische Zorg van 28 juli 2021 is inmiddels onaantastbaar16.;
- (iii)
de rechtbank Oost-Brabant heeft op 8 september 2021 vonnis gewezen in een bodemprocedure waarin Almirall Infinity eind 2019 heeft betrokken (het ‘Bodemvonnis’). De rechtbank heeft Infinity in het Bodemvonnis geboden om ‘nog uitsluitend geneesmiddelen ten behoeve van een individuele magistrale aflevering te bereiden, voor zover die aflevering en of ter hand stelling de door de minister voor Medische Zorg en Sport gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik blijft.’ Daartoe heeft de rechtbank (onder meer) overwogen dat niet in geding is dat Psorinovo een ongeregistreerd geneesmiddel is dat door Infinity magistraal wordt bereid in diverse sterktes en voorts:
‘4.16
(…) De vraag is nu of de schaal waarop Infinity het geneesmiddel Psorinovo bereidt en ter hand stelt aan patiënten in overeenstemming is met de Geneesmiddelenwet. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De Geneesmiddelenwet heeft het [in artikel 18 lid 5 en artikel 40 lid 3 Gnw] over het ‘op kleine schaal’ bereiden van een geneesmiddel door een apotheker ten behoeve van terhandstelling in een apotheek (…).’
Nadat de rechtbank naar de brief van 8 april 2019 van de Minister voor Medische Zorg heeft verwezen, heeft hij voorts overwogen:
‘4.17
Niet in geding is dat het aantal bereidingen van Psorinovo per maand door Infinity het hiervoor [in de brief van de minister van 8 april 2019] genoemde aantal van circa 50 patiënten per maand bij langdurig gebruik overschrijdt. Infinity zelf heeft het in het informeel getuigenverhoor gehad over een aantal van circa 175 patiënten per maand. De rechtbank wijst hier volledigheidshalve nog op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066) in welke uitspraak eveneens uitleg is gegeven aan het begrip ‘op kleine schaal’. De in deze uitspraak genoemde aantallen waren aanzienlijk kleiner dan de aantallen die door Infinity maandelijks in ieder geval werden bereid. Daarmee staat vast dat Infinity zich bij de bereiding van Psorinovo niet houdt aan de toepasselijke wet- en regelgeving.’
Het Bodemvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.17. Infinity heeft hoger beroep ingesteld tegen het Bodemvonnis. Deze procedure wordt behandeld door het Hof Den Bosch en loopt nog.18.
- (iv)
in het Kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter het Infinity en Pharmaline, op basis van het kwantitatieve criterium uit de Gnw, met ingang van 1 januari 2022 verboden om Psorinovo te bereiden en/of af te leveren aan meer dan 50 unieke patiënten per maand en heeft aan de overtreding van dit verbod een dwangsom gekoppeld.19.
13.
Het Hof heeft in rov. 3.2 allereerst beslist dat hij bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen, alsmede dat het Nederlands recht op dit geschil van toepassing is. Voorts heeft het Hof in de rov.'en 3.2 en 3.3 een oordeel geveld over de afstemmingsregel. Daarin heeft het Hof, kort gezegd, beslist dat hij zich ten aanzien van Infinity heeft te richten naar het Bodemvonnis en dat dit geldt voor het oordeel van de bodemrechter dat Infinity Psorinovo in strijd met de regelgeving bereidt en ter hand stelt aan meer dan 50 patiënten per maand, alsmede dat hij voorbij gaat aan de stelling van Infinity dat zij vanaf 1 januari 2021 geen apotheek meer exploiteert. Daarop heeft het Hof, aan het slot van rov. 3.3, nog beslist dat de afstemmingsregel niet voor Pharmaline geldt, omdat zij niet als partij in de bodemprocedure is betrokken. In rov. 3.4 heeft het Hof voorts een spoedeisend belang aanwezig geacht. Tegen al deze overwegingen en beslissingen is het onderhavige cassatieberoep niet gericht.
14.
Het onderhavige cassatieberoep is wel gericht tegen de daaropvolgende overwegingen en beslissingen van het Hof.
15.
In rov. 3.5 heeft het Hof overwogen dat hij bij de beoordeling van grief 2, waarmee Infinity en Pharmaline het oordeel van de voorzieningenrechter over de verhouding tussen de Gnw en de Richtlijn, voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil, voorleggen, als uitgangspunt neemt dat de Gnw mede dient ter implementatie van de Richtlijn. Dit betekent, volgens het Hof, dat de bepalingen van de Gnw die ten grondslag liggen aan de beoordeling van dit geschil conform de bepalingen van de Richtlijn moeten worden uitgelegd. Nadat het Hof in rov. 3.6 heeft vastgesteld dat Almirall zich bij haar vorderingen baseert op art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3 Gnw, waarin — kort gezegd — het criterium op kleine schaal is vervat, waarmee volgens de Minister van VWS in zijn brief van 8 april 2019 wordt bedoeld verstrekkingen aan enkele tot ongeveer 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel, heeft het Hof in rov. 3.7 art. 3 van de Richtlijn geciteerd, waarna hij heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat het in dit geschil gaat over (de uitleg van) de onder 3, lid 2 bedoelde Formula officinalis, welke bepaling als volgt luidt:
‘Artikel 3
Deze richtlijn is niet van toepassing op:
(…)
- 2.
geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor de verstrekking rechtstreeks aan klanten van die apotheek zijn bestemd, algemeen Formula officinalis geheten;’
16.
Daaropvolgend heeft het Hof in de rov.'en 3.8 en 3.9 als volgt overwogen en beslist:
‘‘3.8
Pharmaline is van mening dat de bereiding en verstrekking van Psorinovo onder de uitzondering van artikel 3 lid 2 van de Richtlijn valt, en de Richtlijn en daarmee de Gnw in het geheel niet meer op haar van toepassing is, waar het Psorinovo betreft. Daarbij gaat zij ervan uit dat de Richtlijn een volledige harmonisatie op dit terrein tot stand brengt wat betekent dat door de toepassing van deze uitzondering er ten aanzien van apotheekbereidingen geen enkele regelgevende bevoegdheid van de lidstaten meer overblijft.
Het hof laat in het midden of de Richtlijn een volledige harmonisatie beoogt. Wel is het bij de (richtlijnconforme) beoordeling van artikel 18, lid 5 en 40 lid 3 sub a Gnw, van belang of Pharmaline waar het de bereiding en verstrekking van Psorinovo betreft, voldoet aan de voorwaarden die artikel 3 lid 2 van de Richtlijn daaraan stelt.
3.9
Naar het voorlopige oordeel van het hof is dat het geval. Daarbij stelt het hof voorop dat de Richtlijn in artikel 3 geen kwantitatieve, maar slechts materiële voorwaarden aan de apotheekbereidingen stelt. Waar het de Formula officinalis betreft gaat het volgens de Richtlijn om:
‘Geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd’
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat deze uitzondering volgens het HvJ EU strikt en beperkt moet worden uitgelegd en dat het daarbij om cumulatieve voorwaarden gaat. (…)’
(voetnoot weggelaten; onderstreping en vetdrukking toegevoegd, ILNT)’
17.
Daarop voortbouwend, heeft het Hof in rov. 3.9 beslist dat aan de (volgens het Hof) door art. 3 lid 2 van de Richtlijn gestelde (eerste) voorwaarde is voldaan, te weten dat het geneesmiddel (Psorinovo) wordt bereid overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee (zie onder 25). Voorts heeft het Hof in rov. 3.10 beslist dat ook aan de (volgens het Hof) door art. 3 lid 2 van de Richtlijn cumulatief gestelde (tweede) voorwaarde is voldaan (zie onder 27).
18.
Daaropvolgend heeft het Hof, in de rov.'en 3.10 en 3.11, beslist dat niet van het kwantitatieve criterium uit de Gnw kan worden uitgegaan. Daartoe heeft het Hof als volgt overwogen en beslist:
‘‘3.10
(…) Dat de vordering van Almirall, zoals zij betoogt, in overeenstemming is met de Gnw en de wijze waarop de Minister van VWS daaraan in zijn brief van 8 april 2019 uitvoering heeft gegeven, maakt dat niet anders. In die brief wordt uitgegaan van een kwantitatief criterium (niet meer dan verstrekking aan enkele tot circa 50 patiënten per maand bij langdurig gebruik van het geneesmiddel), terwijl de Richtlijn, voor wat betreft de vraag of een apotheekbereiding onder haar toepassingsgebied valt, een kwalitatief criterium voorschrijft. Gezien de richtlijnconforme uitleg van de Gnw en daarop gebaseerde regeling (voor zover de brief van de Minister al als zodanig is te beschouwen), kan daarom niet van dat kwantitatieve criterium worden uitgegaan. Dat betekent dat als de bereiding en aflevering door Pharmaline in een concreet geval voldoet aan de voorwaarden die de Gnw gelezen in het licht van artikel 3 lid 2 van de Richtlijn daaraan stelt, zij gerechtigd is tot die aflevering over te gaan. Daarop stuit integrale toewijzing van de vorderingen van Almirall jegens Pharmaline in zoverre af.
3.11
Een verbod jegens Pharmaline dient naar het voorlopig oordeel van het hof zijn begrenzing te vinden in de voorwaarden die de Gnw gelezen in het licht van artikel 3 lid 2 van de Richtlijn stelt aan een officinale bereiding en verstrekking. Indien Pharmaline Psorinovo volgens de aanwijzingen van de farmacopee bereidt en rechtstreeks aan haar klanten verstrekt, kan daar geen verbod voor worden opgelegd. Daarbij komt dat het verbod evenmin betrekking kan hebben op (de eerste) 50 patiënten per maand, omdat de vordering van Almirall daar geen betrekking op heeft en de voorzieningenrechter die beperking in zijn verbod heeft opgenomen.’
(vetdrukkingen toegevoegd, ILNT)’
19.
In rov. 3.12 is het Hof, voorts, ingegaan op het onaantastbare (boete)besluit jegens Pharmaline, waarin het Hof geen aanleiding heeft gezien om het gevorderde verbod op te leggen. Het Hof heeft voorts, in rov. 3.13, beslist dat het geen aanleiding ziet voor het opleggen van een dwangsom. In rov. 3.14 heeft het Hof beslist dat hij het Kortgedingvonnis geheel zal vernietigen en dat elke partij zijn eigen proceskosten zal dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. In rov. 3.15 heeft het Hof beslist dat de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer kunnen worden gelegd als een van partijen de beslissing van het Hof voorlegt aan de Hoge Raad. Het dictum is onder 4.1 tot en met 4.5 opgenomen (zie ook 31).
Klachten
Onderdeel 1
Primair
Subonderdeel 1a — art. 3 lid 2 Richtlijn regelt (slechts) toepassingsgebied; sluit kwantitatief criterium niet uit
20.
De beslissing van het Hof in de rov.'en 3.10 en 3.11 (in samenhang met de rov.'en 3.5 tot en met 3.9) dat, kort gezegd, niet van het kwantitatieve criterium uit de Gnw kan worden uitgegaan, omdat art. 3 lid 2 van de Richtlijn een kwalitatief criterium voorschrijft, en dat Pharmaline geen verbod kan worden opgelegd indien zij aan dat kwalitatieve criterium voldoet, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de betekenis van art. 3 lid 2 van de Richtlijn en de verhouding daartoe van de Gnw en/of de daarop gestoelde (lagere) regelgeving en/of beleid ter uitvoering daarvan. Het Hof heeft aldus miskend dat art. 3 lid 2 van de Richtlijn, welke bepaling is opgenomen in titel II van de Richtlijn dat het toepassingsgebied regelt, (enkel) het toepassingsgebied van de Richtlijn (nader) omlijnt, doordat daarin is bepaald wanneer de Richtlijn niet van toepassing is20. en niet (tevens) (uitputtende) voorwaarden bevat die meebrengen dat als aan die voorwaarden is voldaan, de nationale lidstaten geen (nadere) voorwaarden mogen stellen aan c.q. invulling mogen geven aan de regel dat, kort gezegd, een vergunning voor geneesmiddelen op kleine schaal c.q. verstrekkingen in het klein niet benodigd is. Meer specifiek heeft het Hof miskend dat dit meebrengt dat als aan de voorwaarden die in art. 3 lid 2 van de Richtlijn zijn vervat, is voldaan (zoals het Hof in de rov.'en 3.9 en 3.10 heeft vastgesteld21.), de Richtlijn (juist) niet van toepassing is, hetgeen, althans in beginsel, impliceert dat de soevereiniteit van lidstaten niet door die Richtlijn wordt begrensd en/of richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling in het licht daarvan niet aan de orde is. Dat brengt mee dat het kwantitatieve criterium dat ingevolge de Gnw geldt, ‘ten volle’ zijn werking behoudt en niet door een richtlijnconforme interpretatie ten aanzien van (enkel) art. 3 lid 2 van de Richtlijn, dat (slechts) het toepassingsgebied van de Richtlijn regelt, zijn werking (ten dele) verliest. Dat (nationale) kwantitatieve criterium zou zijn werking hooguit, via richtlijnconforme interpretatie, (ten dele) kunnen verliezen indien het Hof zou hebben vastgesteld dat de Richtlijn van toepassing is en dat het (nationale) kwantitatieve criterium niet zou stroken met enige (materiële) bepaling uit die Richtlijn en/of enige andere toepasselijke (materiële) bepaling van communautair recht, maar zulks heeft het Hof niet vastgesteld. Van strijd met (enige) bepaling uit de Richtlijn (en/of met enige andere bron van communautair recht) is bovendien geen sprake: de Richtlijn gaat er (juist) van uit dat een kwantitatief criterium wordt gehanteerd, althans laat het hanteren van een dergelijk criterium (juist) toe22. en/of draagt bovendien een (inherent) kwantitatief criterium in zich.23.
Subonderdeel 1b — niet uitgaan van kwantitatief criterium is contra legem, in strijd met rechtszekerheidsbeginsel, althans miskent ontbreken directe horizontale werking Richtlijn
21.
Althans is het Hof, door in de rov.'en 3.10 en 3.11 (in samenhang met de rov.'en 3.5 tot en met 3.9), in de kern, te beslissen dat niet van het kwantitatieve criterium uit (art. 18 lid 5 en art. 40 lid 3 van) de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving) kan worden uitgegaan, omdat art. 3 lid 2 van de Richtlijn, welke Richtlijn geen directe horizontale werking heeft24., een kwalitatief criterium voorschrijft, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof (aldus) heeft miskend dat een richtlijnconforme uitleg niet is toegestaan voor zover zulks met zich brengt dat daardoor een contra legem uitleg wordt bewerkstelligd, terwijl het in het geheel buiten toepassing laten van het kwantitatieve criterium zo een contra legem uitleg behelst.25. De uitleg die het Hof aan het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde lagere regelgeving) heeft gegeven, is althans onjuist omdat deze zich niet verdraagt met de eisen volgend uit het rechtszekerheidsbeginsel, terwijl geldt dat voor een richtlijnconforme uitleg geen plaats is wanneer die uitleg in strijd komt met genoemd beginsel, althans omdat het Hof — wanneer door hem niet uit het oog is verloren dat de mogelijkheid van richtlijnconforme interpretatie zijn begrenzing vindt daar waar een uitleg in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel — in ieder geval is uitgegaan van een onvoldoende strenge toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel door de door hem gekozen richtlijnconforme uitleg toelaatbaar te achten.26.
22.
Voor zover de rov.'en 3.10 en 3.11 (in samenhang met de rov.'en 3.5 tot en met 3.9), waarin het Hof, kort gezegd, heeft beslist dat niet van het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving), kan worden uitgegaan, (overigens) zo moeten worden begrepen dat het Hof aldus het beroep van Infinity en Pharmaline op art. 3 lid 2 van de Richtlijn heeft gehonoreerd, in dier voege dat zulks ertoe heeft geleid dat het Hof de bepalingen uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving), waarin het kwantitatieve criterium is vervat, in strijd heeft geacht met de Richtlijn en daarom buiten toepassing heeft gelaten, heeft het Hof miskend dat particulieren zich niet op richtlijnen kunnen beroepen, zodat de Richtlijn directe horizontale werking ontbeert.27. Dat brengt mee dat het Hof het (nationale) kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regeling) niet buiten toepassing had mogen laten als dat criterium in strijd zou zijn met art. 3 lid 2 van de Richtlijn.
Subsidiair
Subonderdeel 1c — minimum- of volledige harmonisatie?
23.
Indien er met het Hof, zoals volgt uit de rov.'en 3.8 tot en met 3.11, van wordt uitgegaan dat art. 3 lid 2 van de Richtlijn, niet (alleen) het toepassingsgebied van de Richtlijn (nader) omlijnt, maar dat hierin (tevens) materiële voorwaarden aan de apotheekbereidingen worden gesteld, waaraan de nationale wetgeving van een lidstaat moet voldoen, dan getuigt zijn oordeel in de rov.'en 3.10 en 3.11 (in samenhang met de rov.'en 3.5 tot en met 3.9), waarin het Hof, kort gezegd, heeft beslist dat niet van het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving) kan worden uitgegaan, in samenhang met rov. 3.8, waarin het Hof in het midden heeft gelaten of de Richtlijn een volledige harmonisatie beoogt (‘Het hof laat in het midden of de Richtlijn een volledige harmonisatie beoogt’), van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel laat zich immers slechts aldus verstaan dat het volgens het Hof, bij de beoordeling of het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving) houdbaar is in het licht van de Richtlijn, niet relevant is of (art. 3 lid 2 van) de Richtlijn volledige harmonisatie of minimumharmonisatie beoogt. Dat oordeel is onjuist, nu juist (alleszins) relevant is of (art. 3 lid 2 van) de Richtlijn volledige harmonisatie of minimumharmonisatie beoogt: in geval van minimumharmonisatie is het nationale lidstaten (immers), in beginsel, toegestaan om verdergaande nationale regelingen te treffen.28. Het Hof had derhalve moeten vaststellen of (art. 3 lid 2 van) de Richtlijn een volledige harmonisatie of minimumharmonisatie beoogt en had in dat licht moeten beoordelen of het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving), gelet daarop, houdbaar is. Die vraag zou het Hof, in beginsel, bevestigend hebben moeten beantwoorden, indien hij zou hebben vastgesteld dat (art. 3 lid 2 van) de Richtlijn in minimumharmonisatie voorziet.
24.
Indien het Hof het onder 23 gestelde niet zou hebben miskend, maar heeft gemeend dat het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving), (ook) niet houdbaar is indien (art. 3 lid 2 van) de Richtlijn minimumharmonisatie beoogt, dan is zijn oordeel ter zake, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, nu het Hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het kwantitatieve criterium uit de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving), dat is ingevoerd met het oog op de rechtszekerheid29. en als onderdeel van de geneesmiddelenwetgeving de bescherming van de volksgezondheid dient30., niet gerechtvaardigd is, ondanks dat sprake is van minimumharmonisatie en het lidstaten derhalve in beginsel is toegestaan om strengere maatregelen vast te stellen.31.
Subonderdeel 1d — de eerste voorwaarde; bereiding overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee
25.
Zoals kort gezegd onder 17, heeft het Hof in rov. 3.9, beslist dat is voldaan aan de (eerste) voorwaarde uit art. 3 lid 2 van de Richtlijn dat Psorinovo wordt bereid volgens de aanwijzingen van de farmacopee. Daartoe heeft het Hof als volgt overwogen en beslist:
‘3.9
(…) Pharmaline heeft aannemelijk gemaakt dat Psorinovo door haar wordt bereid volgens de aanwijzingen van de farmacopee. Dat in de farmacopee, zoals Almirall heeft betoogd, in het bijzondere deel geen aanwijzingen zijn opgenomen voor dit of aanverwante middelen doet daaraan niet af. Pharmaline heeft onbetwist gesteld dat zij bij de bereiding in kwestie de aanwijzingen van het algemene gedeelte van de farmacopee volgt en dat is naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende, nu de Richtlijn geen onderscheid maakt tussen het algemene en het bijzondere gedeelte van de farmacopee.’
26.
Aldus heeft het Hof beslist dat (reeds) is voldaan aan het criterium uit art. 3 lid 2 van de Richtlijn dat sprake is van bereiding conform de aanwijzingen van de farmacopee indien de bereiding in kwestie de aanwijzingen van het algemene gedeelte32. van de farmacopee volgt.
Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het vereiste dat sprake is van bereiding conform de aanwijzingen van de farmacopee, nu daarvoor (minst genomen) is vereist dat een (productspecifieke) gestandaardiseerde bereidingsmethode beschikbaar is.33. Een andersluidende opvatting zou ertoe leiden dat art. 3 lid 2 van de Richtlijn elk onderscheidend vermogen zal komen te ontberen, nu er in dat geval (enkel) een kwaliteitssysteem zou bestaan en er verder geen (productspecifieke) eisen worden gesteld.
Subonderdeel 1e — de tweede voorwaarde; verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek
27.
Zoals kort gezegd onder 17, heeft het Hof in rov. 3.10 beslist dat is voldaan aan de (tweede) voorwaarde uit art. 3 lid 2 van de Richtlijn dat Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten wordt verstrekt. Daartoe heeft het Hof als volgt overwogen en beslist:
‘3.10
Nu het hier om cumulatieve eisen gaat, moet vervolgens worden onderzocht of het in dit geval gaat om de bereiding van geneesmiddelen in de apotheek van Pharmaline die rechtstreeks aan de klanten van die apotheek worden verstrekt.
Aan het hof zijn geen concrete casus voorgelegd die een beoordeling daarover mogelijk maken. Dat betekent dat het hof, zonder kennis van die feiten, het door Almirall verlangde verbod niet kan opleggen. Wel gaat het hof er vooralsnog vanuit dat Pharmaline voldoet aan die eisen, nu Pharmaline (onweersproken) heeft gesteld dat zij Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten verstrekt en dat Almirall onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is.’
28.
Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het vereiste uit art. 3 lid 2 van de Richtlijn dat geneesmiddelen ‘voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd’ nu het Hof heeft miskend dat aan dit vereiste pas kan zijn voldaan indien de plaats van bereiding en de plaats van verstrekking zich in dezelfde apotheek bevinden.34. Aldus draagt (deze voorwaarde van) art. 3 lid 2 van de Richtlijn een (inherent) kwantitatief element in zich, waarbij (ook) de schaal van de apothekersactiviteit van belang is.35. Aan deze voorwaarde wordt niet voldaan: Almirall heeft er ten processe op gewezen — en daar moet in cassatie bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag ook van worden uitgegaan — dat Infinity en Pharmaline niet een apotheek zijn die hun eigen (normale) klanten bedienen, maar dat de patiënten die Psorinovo ter hand gesteld krijgen van Infinity en/of Pharmaline, allemaal ingeschreven staan bij andere apotheken en dat Psorinovo via de post wordt uitgeleverd door heel Nederland,36. alsmede dat bij Infinity en Pharmaline sprake is van een veelvoud van 700 verpakkingen over een periode van twee jaar (welke hoeveelheid door het EVA-Hof al als een grote hoeveelheid werd aangemerkt).37.
29.
Indien het Hof het onder 28 gestelde niet zou hebben miskend, dan is zijn oordeel in rov. 3.10 dat Pharmaline Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten wordt verstrekt, onvoldoende toereikend gemotiveerd, nu het Hof niet (kenbaar) acht heeft geslagen op de onder 28 genoemde essentiële stelling van Almirall, kort gezegd, dat Infinity en Pharmaline niet een apotheek zijn die hun eigen (normale) klanten bedienen, althans is — in het licht van die stelling — onbegrijpelijk dat het Hof heeft beslist dat Pharmaline ‘onweersproken’ zou hebben gesteld dat zij Psorinovo rechtstreeks aan haar klanten verstrekt. Voor zover het Hof er, aan het slot van rov. 3.10, bovendien van zou zijn uitgegaan dat het aan Almirall is om te bewijzen dat niet is voldaan aan het vereiste uit art. 3 lid 2 van de Richtlijn dat geneesmiddelen ‘voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd’, dan is die beslissing (bovendien) onjuist, nu het Hof in dat geval heeft miskend dat ingevolge art. 150 Rv de bewijslast ter zake op Pharmaline rust.
Onderdeel 2 — voortbouwklacht
30.
De beslissingen van het Hof in achtereenvolgens rov. 3.12, aangaande het (boete)besluit ten aanzien van Pharmaline, rov. 3.13, waarin het Hof heeft beslist dat het geen aanleiding ziet tot het opleggen van een dwangsom, rov. 3.14, waarin het Hof tot de conclusie is gekomen dat het hoger beroep deels slaagt en waarin het Hof een oordeel heeft geveld over de proceskosten, en rov. 3.15, omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad, bouwen voort op de beslissingen die zijn bestreden door de klachten van onderdeel 1. Gegrondbevinding van één of meer van die klachten, vitieert dus ook de beslissingen in de rov.'en 3.12 tot en met 3.15 en het dictum.
Meer subsidiair
Onderdeel 3 — dictum ten aanzien van Pharmaline
31.
Het dictum onder 4.2 luidt ten aanzien van Pharmaline als volgt:
‘‘4.2
verbiedt Pharmaline om met ingang van heden Psorino dan wel een apotheekbereiding met het werkzame bestanddeel dimethylfumaraat ten behoeve van een individuele officinale te bereiden en/of af te leveren, nadat de door de minister van Medische Zorg en Sport gegeven norm van 50 unieke patiënten per maand bij langdurig gebruik is bereikt als de officinale bereiding niet volgens de farmacopee is en/of de aflevering niet rechtstreeks aan de klanten van haar apotheek is, zoals uitgelegd in rechtsoverwegingen 3.10 en 3.11 van dit arrest;’
(onderstrepingen toegevoegd, ILNT)’
32.
Indien géén van de klachten van onderdeel 1 slaagt, dan is het dictum, zoals dat onder 4.2 ten aanzien van Pharmaline is geformuleerd, onbegrijpelijk in het licht van de rov.'en 3.10 en 3.11 van het arrest, waarnaar in het dictum wordt verwezen. In de rov.'en 3.10 en 3.11 (en overigens ook: in rov. 3.9) is het Hof er immers van (onmiskenbaar) uitgegaan dat in art. 3 lid 2 van de Richtlijn twee cumulatieve eisen zijn vervat. De formulering ‘en/of’ in het dictum insinueert (daarentegen) dat in art. 3 lid 2 van de Richtlijn twee alternatieve eisen zijn vervat, zodat het onder 4.2 vervatte dictum innerlijk tegenstrijdig is aan de overwegingen uit het arrest.
7. Prejudiciële vragen
33.
Almirall stelt zich op het standpunt dat het kwantitatieve criterium dat ingevolge de Gnw (en de daarop gebaseerde regelgeving) geldt (zonder meer) houdbaar is in het licht van de Richtlijn en daarmee geldig en (‘ten volle’) van toepassing is. Mocht Uw Raad evenwel, anders dan Almirall, menen dat er redelijke twijfel mogelijk is over de vraag of de Richtlijn toelaat dat een nationale lidstaat een kwantitatief criterium, zoals het onderhavige criterium, hanteert, dan geeft zij Uw Raad in overweging om op grond van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (‘VWEU’) hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJ’). Dat sprake is van een kortgedingprocedure staat aan het stellen van prejudiciële vragen niet aan in de weg.38.
8. Conclusie
34.
Op grond van dit middel vordert Almirall dat de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt, en verder beslist zoals hij passend acht. Almirall vordert verder dat Infinity en Pharmaline hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het arrest des de één betalende de andere zal zijn bevrijd.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑02‑2023
Arrest, rov.'en 2.1 en 2.2.
Arrest, rov. 2.2.
Arrest, rov. 3.6.
Arrest, rov. 3.6.
Zoals Almirall dit kwantitatieve criterium ook wel heeft aangeduid, zie o.a. MvA, nr. 20.
Arrest, rov. 3.10.
Zie o.a. MvA, nrs. 20 en 77; zie ook het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel van 15 december 2021, gewezen onder zaaknummer C/08/272867 (het ‘Kortgedingvonnis’), rov. 2.6, waarin de brief is geciteerd: ‘De IGJ zal in haar toezicht uitgaan van deze voorwaarden en aantallen, en deze nader uitwerken in door haar vast te stellen en bekend te maken beleidsregels.’ Zie ook Arrest, onder 3., waarin het Hof heeft overwogen dat het bij zijn oordeel uitgaat van de feiten die de voorzieningenrechter in de rov.'en 2.1 tot en met 2.10 heeft vastgesteld.
Daarnaast hebben zij gewezen op enkele andere bepalingen, maar die bepalingen spelen in de onderhavige cassatieprocedure geen rol, nu het Hof zijn oordeel daar niet (mede) op heeft gebaseerd.
Arrest, rov. 2.2.
MvA, nrs. 55 en 97.
Kortgedingvonnis, rov. 2.8.
Kortgedingvonnis, rov. 2.7.
Deze uitspraak van de bestuursrechter is door Almirall voor de zitting overgelegd als productie 20 en is gepubliceerd op rechtspraak.nl, Rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2022:2356.
Pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens Almirall, nr. 1 sub a.
Kortgedingvonnis, rov. 2.9.
Arrest, rov. 3.12.
Kortgedingvonnis, rov. 2.10. Almirall heeft het Bodemvonnis overgelegd als productie 2 bij dagvaarding.
Arrest, rov. 3.2.
Arrest, rov. 2.3.
Zie ook HvJ 16 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:481 (Abcur), met name rov.'en 35, 37–40, 53–54, 67, 71.
De subonderdelen 1d en 1e klagen er (met name) over dat het Hof aan de in art. 3 lid 2 van de Richtlijnen vervatte cumulatieve voorwaarden een onjuiste uitleg heeft gegeven. Deze onderdelen zijn subsidiair voorgesteld, nu het arrest van het Hof reeds op de in de subonderdelen 1a en 1b vervatte gronden geen stand kan houden als wordt aangenomen dat zijn uitleg van art. 3 lid 2 van de Richtlijn juist is (zoals volgt uit de subonderdelen 1d en 1e meent Almirall dat dit niet het geval is, mede nu art. 3 lid 2 van de Richtlijn een (inherent) kwantitatief element in zich draagt).
Zie o.a. art. 40 lid 2 van de Richtlijn, waarin, kort gezegd en onder meer, is bepaald dat een vergunning niet is vereist wanneer bepaalde verrichtingen ‘uitsluitend voor verstrekking in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek’. Zie voorts o.a.: HvJ 28 juni 2012, ECLI:EU:C:2012:396, C-17/1 (Caronna); HvJ 26 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:801, C-276/15 (Hecht Pharma) en RvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066 (Regenboog Apotheek).
Zie ook subonderdeel 1e.
Zie o.a. Asser/Hartkamp 3-I 2019/155.
Zie o.a. HvJ 16 juni 2005, ECLI:EU:C:2005:386, (Pupino), rov. 47.
Zie o.a. HvJ 16 juni 2005, ECLI:EU:C:2005:386, (Pupino), rov. 44.
Zie o.a. Asser/Hartkamp 3-I 2019/155 en 156.
Zie o.a. HvJ 7 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:533, (Muladi), rov. 43.
Kortgedingvonnis, rov. 2.6, waarin de brief van de Minister van SZW is geciteerd: ‘Bij de derde voorwaarde — verstrekking in het klein — zal een getalscriterium worden gehanteerd. Deze operationalisering in getallen is noodzakelijk om aan veldpartijen duidelijkheid te geven.’
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2003–2004, 29359, nr. 3 (MvT), p. 18 en RvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066 (Regenboog Apotheek), rov. 8.4.
Zie o.a. HvJ 7 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:533, (Muladi), rov.'en 43–45.
Almirall heeft er ten processe op gewezen dat hiermee (klaarblijkelijk) wordt gedoeld op de Raammonografie 2619; zie proces-verbaal zitting 20 oktober 2022, p. 6, 3e alinea.
Zie HvJ 16 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:481 (Abcur), rov. 67 en de daaraan voorafgaande de conclusie van A-G Szpunar, punt 52: ‘Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de plaats van bereiding en de plaats van verstrekking zich in dezelfde apotheek bevinden wordt niet aan dit criterium voldaan.’ Vgl. ook RvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9066 (Regenboog Apotheek), rov. 8.4.
Zie o.a. EVA-Hof 15 juli 2021, zaak E-7/20 (M tegen G AG), JGR 2022/1.
MvA, nrs. 39 en 65, onder verwijzing naar de dagvaarding in de bodemprocedure, nr. 78. Zie ook het proces-verbaal zitting 20 oktober 2022, p. 14, 8e alinea.
MvA, nrs. 45, 51, 53, 71.
Zie bijvoorbeeld HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757 (Connexxion Taxi Services).