Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/6.5.3.2:6.5.3.2 De bijzondere actieve inlichtingenplicht
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/6.5.3.2
6.5.3.2 De bijzondere actieve inlichtingenplicht
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Munneke (2006), p. 245.
Bijvoorbeeld Engels (2008).
Mae (2008), p. 109.
Mae (2008), p. 105.
Aangenomen moet worden dat zij het andersom bedoelt: de voorhangprocedure ex artikel 169 lid 4 jo. Art. 160 lid 1 onder e, f, g en h. De voorhangprocedure ex art. 160 lid 2 blijft dus gewoon bestaan.
TK 30903 nr 15herdnik, p. 12.
TK 30903 nr 15herdnik, p. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bijzondere actieve inlichtingenplicht is geregeld in art. 169 lid 4. Volgens dit artikellid rust er een verplichting op het college om de raad inlichtingen te verschaffen over de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in art. 160 lid 1 onder e (besluitvorming tot privaatrechtelijke rechtshandelingen), f (het voeren van rechtsgedingen), g (het voorbereiden van de civiele verdediging) en h (de instelling van jaarmarkten en marktdagen). Het probleem is dat deze inlichtingen alleen worden verschaft indien:
de raad hierom verzoekt of
de uitoefening van deze bevoegdheden ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente.
In het eerste geval is er eigenlijk sprake van een bijzondere passieve inlichtingenplicht. Deze is overbodig aangezien zij net zo goed kan worden opgehangen aan de algemene passieve inlichtingenplicht uit art. 169 lid 3.
In het tweede geval leidt de bijzondere actieve inlichtingenplicht aan hetzelfde euvel als haar algemene tegenhanger. Ook hier speelt de vraag wie uiteindelijk bepaalt welke bevoegdheidsuitoefening ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. Het college weet welke besluitvorming in voorbereiding is, dus het college heeft in eerste instantie het beste zicht op de ingrijpendheid daarvan voor de gemeente. Vanuit de controlerende rol van de gemeenteraad — die ook hier de ratio achter de bepaling vormt — ligt het echter voor de hand de raad te laten bepalen welke informatie hij voor de vervulling van die rol al dan niet nodig heeft.1 Ook hier kan worden gedacht aan het maken van afspraken tussen raad en college hieromtrent, maar ook daarvan kan worden volgehouden dat deze net zo goed onder het regime van de algemene passieve inlichtingenplicht (art. 169 lid 2 Gemeentewet) zouden kunnen worden gemaakt.
Art. 169 lid 4 Gemeentewet bevat overigens niet alleen een actieve inlichtingenplicht, maar ook een voorhangprocedure. In de gevallen waarin de uitoefening van de bevoegdheid ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente (ad 2) is het college verplicht de inlichtingen te verschaffen voordat hij een besluit neemt, om zodoende de raad de gelegenheid te geven zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Ten aanzien van de besluitvorming rondom privaatrechtelijke rechtshandelingen — de categorie die over het algemeen de grootste financiële gevolgen zal hebben — geldt deels reeds een dergelijke voorhangprocedure. Voor die rechtshandelingen die zien op de oprichting van of deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen, geldt namelijk al een voorhangprocedure op grond van art. 160 lid 2 Gemeentewet. Het voordeel van de voorhangprocedure ex art. 160 lid 2 is echter dat daarin de tamelijk subjectieve voorwaarde van de 'ingrijpende gevolgen voor de gemeente' ontbreekt: alle oprichtingen van en deelnemingen in privaatrechtelijke samenwerkingsvormen moeten aan de raad worden voorgelegd.
Sommigen achten deze voorhangprocedures (en dan vooral de voorhangprocedure ex art. 169 lid 4 Gemeentewet) in strijd met het uitgangspunt van het dualisme.2 Daar waar in een dualistisch model uitgegaan moet worden van een strikte scheiding van bevoegdheden, past het niet de aan het college toekomende bevoegdheden te hypothekeren met de mogelijkheid van voorafgaande raadsdebatten. In dit model moet de raad wel controleren, maar dan toch vooral achteraf. Anderen zien dergelijke constructies als een aanwijzing dat het door de wetgever gehanteerde uitgangspunt uiteindelijk nog niet zo dualistisch is. Mille beschouwt voorhangprocedures als één van meerdere punten waaruit blijkt dat het monistische model 'terugveert' en ervoor zorgt dat de dualiseringssoep nog niet zo heet gegeten bleek te worden als zij vanuit het ideaaltype werd opgediend.3 Hij spreekt dan ook niet voor niets van "dualisme-light".4
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties lijkt overigens toch te willen vasthouden aan een iets dualistischer uitgangspunt. In haar brief aan de Tweede Kamer over de "Staat van de dualisering" geeft zij aan dat `de voorhangprocedure ex artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h jo. artikel 169, vierde lid Gemeentewet'5 kan worden geschrapt. Deze zou een "onzuiver element in de verhouding raad — college" zijn, aangezien voorafgaande raadsbetrokkenheid een belemmering voor de uiteindelijke controle vormt. Deze betrokkenheid zou namelijk leiden tot politieke medeverantwoordelijkheid.6 Deze opstelling kan worden beschouwd als een terugkeer naar de oorspronkelijke dualismeretoriek. Zoals al in hoofdstuk 2 betoogd, is het mijns inziens twijfelachtig of deze opstelling wel overeenstemt met de uiteindelijke wijze waarop de dualisering in de Gemeentewet gestalte heeft gekregen en met de inhoudelijke keuze om de oorspronkelijk voorziene grondwetswijziging geen doorgang te laten vinden.
Dat met de voorhangprocedure ook de bijzondere actieve inlichtingenplicht zou verdwijnen, is voor de staatssecretaris geen probleem. Zij schrijft:
"Voorts dient het college reeds uit zichzelf de raad te informeren indien daartoe aanleiding bestaat. Burgemeester en wethouders beschikken over voldoende inzicht wanneer dit aan de orde is. De raad kan voorts net zoals nu het geval is de uitoefening van de bevoegdheden blijven sturen door gebruik te maken van zijn kaderstellende en controlerende bevoegdheden".7
In feite sluit de staatssecretaris zich daarmee aan bij de hiervoor uiteengezette gedachte dat de actieve inlichtingenplicht zoals deze nu is geformuleerd, duidelijke afspraken tussen raad en college vergt en op die manier evengoed kan worden ondergebracht onder de reguliere (passieve) inlichtingenplicht.