Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.6
2.6 Ten behoeve van wie wordt het eigendomsvoorbehoud bedongen?
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394921:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Mierlo 1984, p. 277.
Zie de brief van W. Snijders d.d. 12 februari 1968 aan T.J. Dorhout Mees, p. 4 (te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 2189), onder verwijzing naar Schoordijk 1963, p. 401-403 en p. 413-417.
Zie de notitie van W. Snijders n.a.v. de bespreking over het eigendomsvoorbehoud d.d. 6 maart 1968, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 2189.
Zie de brief van W. Snijders d.d. 8 november 1968 aan F.J. de Jong, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 2192.
Meer voor de hand liggend zou zijn dat de hoofdregel van art. 3:39 BW – gelet op de strekking van het beoogde vormvoorschrift – in dit geval toepassing mist, zodat de koper wel degelijk eigenaar zou zijn geworden. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 276.
Zie bijv. Serick 1963, p. 76, Vriesendorp 1985a, p. 133-134, Mezas 1985, p. 101, Larenz 1986, p. 105-106, Bülow 2012, p. 232, Reehuis 2013, nrs. 2-3 en Stolz 2015, p. 39. Zie hierover kritisch Lieb 1990, p. 314, die spreekt van een ‘kaum einmal problematisierte Vorstellung.’ Vgl. ook Brinkmann 2011, p. 179.
Zie pregnant Vriesendorp 1993, p. 14 die opmerkt dat ‘zonder eigendomsvoorbehoud te bedingen de verkoper zijn eigendomsrecht al door levering zou zijn kwijtgeraakt.’
Zie hiervoor in paragraaf 2.5.
Lieb 1990, p. 315.
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 359 en p. 377.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 1.
Vgl. de notitie van W. Snijders betreffende artikelen 3.4.2.3a en 3.4.2.5 naar aanleiding van recente literatuur d.d. 11 december 1981, p. 5, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 724, alwaar wordt opgemerkt dat de reden voor het eigendomsvoorbehoud gelegen kan zijn in ‘dat het, mede in het belang van de koper die in zijn bedrijf of als particulier behoefte heeft aan leverancierskrediet, mogelijk moet zijn voor een verkoper om een dergelijk krediet op een verantwoorde grondslag te geven.’
Huber 1987, p. 755, Brahn 1991, p. 35, Leible & Sosnitza 2001, p. 244 en Lux 2008, p. 895.
Het voorgaande maakt duidelijk dat met een eigendomsvoorbehoud in belangrijke mate wordt tegemoetgekomen aan de belangen van de koper.1 Als uitgangspunt kan de verkoper namelijk zowel zijn verplichting tot eigendomsoverdracht, alsook zijn verplichting tot aflevering opschorten tot het moment dat de koper de verschuldigde koopprijs voldoet. Omdat de verkoper in afwijking daarvan de verplichting op zich neemt om met betrekking tot de afleveringsverplichting als eerste te presteren, kan de koper reeds voor betaling gebruik- maken van de gekochte zaak. De levering van de zaak bewerkstelligt bovendien dat de koper reeds eigenaar onder opschortende voorwaarde wordt, waardoor ook gewaarborgd is dat hij zonder meer eigenaar wordt zodra hij de verschuldigde prestatie voldoet. Een tussentijdse vervreemding of een eventueel faillissement van de verkoper heeft geen invloed meer op de eigendomsverkrijging door de koper. Ondanks het feit dat de koper nog niet heeft gepresteerd, heeft hij het derhalve volledig in eigen hand of hij eigenaar wordt van de gekochte zaak.
Ook bij de totstandkoming van artikel 3:91 en artikel 3:92 BW is men zich bewust geweest van het feit dat het eigendomsvoorbehoud tegemoetkomt aan de belangen van de koper. Verkoopvoorwaarden waarin een eigendomsvoorbehoud wordt bedongen, zijn niet altijd even eenduidig en gedetailleerd opgesteld. Niet zelden wordt volstaan met het vastleggen dat de verkoper de eigendom voorbehoudt totdat de koper de verschuldigde koopprijs voldoet, zonder dat ook aandacht wordt besteed aan de vraag op welke wijze de koper vervolgens eigenaar wordt.2 Artikel 3:92 BW lost deze vraag op, doordat het een dergelijk beding, bij wijze van een vermoeden, beschouwt als een afspraak die terstond verplicht tot een overdracht onder opschortende voorwaarde.3 Daarmee is het belang van de koper gediend, omdat hij meteen eigenaar onder opschortende voorwaarde wordt. Behoudens een andersluidend beding van partijen snijdt de wetgever hiermee de mogelijkheid af van een (interpretatie van het) eigendomsvoorbehoud met de strekking dat tot de betaling door de koper in het geheel geen levering en overdracht tot stand komt.
Dat men bij de totstandkoming ook de belangen van de koper voor ogen had, blijkt bovendien uit het feit dat in eerste instantie geëist werd dat het eigendomsvoorbehoud was neergelegd in een daartoe bestemde akte.4 Gevreesd werd evenwel dat deze eis zich tegen de koper zou kunnen keren: bij niet-naleving van deze eis zou geredeneerd kunnen worden dat in het geheel geen overdracht tot stand zou zijn gekomen, zodat de koper ook na betaling geen eigenaar zou zijn geworden.5 Wat men van de gehanteerde redenering ook kan denken,6 uit de argumentatie blijkt in ieder geval dat men zich bewust was van het feit dat de rechtsgevolgen van het eigendomsvoorbehoud in belangrijke mate tegemoetkomen aan de belangen van de koper.
In de meer gangbare benadering van het eigendomsvoorbehoud wordt het beding vooral beschouwd als een zekerheidsmiddel waarmee tegemoet wordt gekomen aan de belangen van de verkoper. Dat hangt samen met het feit dat – veelal impliciet – tot uitgangspunt wordt genomen dat het alternatief voor een overdracht onder eigendomsvoorbehoud een onvoorwaardelijke overdracht zou zijn, zonder dat de koper de koopprijs gelijktijdig met de overdracht voldoet.7 Het eigendomsvoorbehoud is volgens deze auteurs daarmee in het belang van de verkoper, omdat hij aldus zijn positie versterkt.8 Zoals hiervoor is gebleken, is het alternatief voor een overdracht onder eigendomsvoorbehoud veeleer het volledig uitstellen van de overdracht Én de levering, totdat de koper de koopprijs voldoet.9 Tot de (af)levering en de overdracht is de verkoper immers slechts verplicht tegen gelijktijdige voldoening van de koopprijs.10 In een dergelijk geval zou de koper voor betaling geen beschermde rechtspositie hebben en het dus niet zelf in de hand hebben dat hij zonder meer eigenaar wordt van de zaak als hij de koopprijs voldoet.
Dat het eigendomsvoorbehoud in belangrijke mate tegemoetkomt aan de belangen van de koper, neemt niet weg dat het eigendomsvoorbehoud veelal óók in het belang van de verkoper is. Dat valt onder meer af te leiden uit het feit dat verkopers een overdracht onder eigendomsvoorbehoud veelal prefereren boven het uitstellen van de overdracht totdat de koper de koopprijs voldoet. Niet altijd is het gebruikelijk of mogelijk dat de koper gelijktijdig met de (af)levering betaalt.11 Bovendien is het soms gangbaar dat de koper pas hoeft te betalen op het moment dat hij de gekochte zaak heeft ontvangen.12 Dan dient de verkoper als eerste te presteren en kan hij door een eigendomsvoorbehoud zijn positie versterken. Daarnaast kan de verkoper zijn afzetmarkt vergroten door de zaak reeds in de macht van de koper te brengen voordat de koper de verschuldigde prestatie heeft voldaan.13 Denkbaar is dat de koper pas door het gebruik van de zaak de benodigde middelen kan verwerven om de verkoper te voldoen, zodat een koopovereenkomst niet tot stand zou zijn gekomen als de koper gelijktijdig met de levering en de overdracht zou moeten betalen.14