Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.6
6.6 Overige schuldeisers
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448559:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met uitzondering van het akkoord in de schuldsaneringsregeling, dat op de voet van art. 329 Fw jo. art. 332 Fw tevens verbindend is voor preferente schuldeisers. Het akkoord in het voorontwerp Insolventiewet is overigens ook verbindend voor zowel concurrente als preferente schuldeisers. Vgl. art. 6.2.9 voorontwerp Insolventiewet.
Die waarborg dient evenzeer te gelden voor preferente schuldeisers in een surseancesituatie, ook al kent de surseance voor hen geen pendant. Formeel staan zij immers buiten de surseance (zie art. 232 Fw). Voor hen moet voordien een regeling zijn getroffen. Zie ook HR 7 september 1984, NJ 1985, 51, nt. G. Hierin besliste de Hoge Raad dat voor voortzetting van een surseance geen grond bestaat als, ondanks een te bereiken akkoord met de concurrente schuldeisers, de preferente schuldeisers niet voldaan kunnen worden. In zijn noot onder dit arrest merkt Van der Grinten op dat het 'hoogst zonderling' zou zijn indien de schuldenaar zou mogen volstaan met bevrediging van enkel zijn concurrente schuldeisers. Het zou mijns inziens een grond voor de rechter moeten zijn de homologatie van het akkoord te weigeren.
Tenzij de vordering of het voorrecht is betwist door de curator en/of een medeschuldeiser en de betreffende schuldeiser niet op de voet van art. 125 Fw voorwaardelijk door de rechter-commissaris is toegelaten. Indien de vordering of het voorrecht alleen door de schuldenaar is betwist, geldt de waarborg van art. 163 Fw overigens wel.
Rb. 's-Gravenhage 1 oktober 1914, NJ 1915, 1052 en Molengraaff-Star Busmann (1951), p. 483. Zie echter HR 27 mei 1910, W 9032.
Zie paragraaf 5.2 en HR 27 mei 1910, W 9032 en Hof Amsterdam 6 april 1910, W 9170.
Een gehomologeerd akkoord is in beginsel slechts verbindend voor concurrente schuldeisers.1 Een akkoord schept met andere woorden alleen voor concurrente schuldeisers aanspraken jegens de schuldenaar. Met een akkoord wordt verondersteld dat alle andere schuldeisers zijn voldaan of dat met hen een regeling is getroffen. Dit volgt immers uit het stelsel van de wet. In faillissement worden de aanspraken van de preferente schuldeisers dan ook gewaarborgd door de artt. 163 en 164 Fw.2 In het kader van de homologatie van een akkoord heeft de rechter immers na te gaan of aan de artt. 163 en 164 Fw is voldaan.3 Daarnaast zal op de voet van art. 163 Fw door de rechter worden onderzocht of voldoende vermogen aanwezig is om de boedelkosten te voldoen, aangezien ook boedelschuldeisers niet aan een akkoord gebonden raken. Overigens vallen separatisten niet onder de regeling van de artt. 163 en 164 Fw, omdat zij hun rechten zelf als separatisten kunnen effectueren (art. 57 lid 1 Fw).4
Zoals gezegd, staan preferente schuldeisers buiten een akkoord. In paragraaf 5.2 is opgemerkt dat in de rechtspraktijk bij de totstandkoming van een akkoord veelal de medewerking wordt verlangd van met name de fiscus en het UWV. In de praktijk betekent dit dat deze bevoorrechte schuldeisers een percentage van hun vordering ontvangen dat minstens tweemaal zo hoog is als het percentage dat de concurrente schuldeisers op grond van een akkoord uitgekeerd krijgen. Ondanks hun medewerking aan een akkoord worden zij niet aan een gehomologeerd akkoord gebonden.5