Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/1.1.2
1.1.2 Relevantie van het onderzoek
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285275:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Ch.P.A. Geppaart, Over bestendige rechtsvorming, WFR 2000/587. Gribnau schrijft dat wetgeving per definitie een beperkte houdbaarheid heeft (Gribnau 2006, blz. 51).
Brief Staatssecretaris van Financiën van 21 februari 2020, Kamerstukken II 2019/20, 35 302, nr. 73, blz. 5.
Vergelijk: M. Martijn, Baas Belastingdienst over Big Data: ‘Mijn missie is gedragsverandering’, De Correspondent 21 april 2015 waarin Hans Blokpoel stelt dat de balans tussen dienstverlening en fraudebestrijding vaker in het voordeel van fraudebestrijding zal moeten doorslaan en NRC 24 april 2019, De Belastingdienst is hard nodig als misdaadbestrijder, https://www.nrc.nl/nieuws/2019/04/24/de-belastingdienst-is-hard-nodig-als-misdaadbestrijder-a3958042 (online, geraadpleegd op 29 april 2019).
De redactie Vakstudie Nieuws merkt op dat parlementariërs met een zekere regelmaat vragen om informatie betreffende individuele belastingplichtigen. De Staatssecretaris van Financiën kan, gezien art. 67 AWR, in het publiek debat niet ten volle reageren, terwijl berichtgeving soms spreekwoordelijk schreeuwt om een reactie (redactie Vakstudie Nieuws bij brief Staatssecretaris van Financiën van 26 juni 2018 (vertrouwelijke toelichting fiscale positie Shell in besloten commissievergadering), Kamerstukken II2017/18, 28 362, nr. 11, V-N 2018/35.16).
Aanhangsel Handelingen II 2016/17, 196 en Besluit Beroep in Belastingzaken (2017), par. 2.4.5.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286, BNB 2017/79, HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:287, V-N 2017/12.20.10 en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, V-N 2017/12.20.16. Vergelijk: ABRvS 26 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2008, V-N 2017/41.21.7.
Hof Amsterdam (civiele kamer) 5 november 2019 (Stichting Museumkaart), ECLI:NL:GHAMS:2019:3967. Vergelijk: Hof ’s-Hertogenbosch (civiele kamer) 19 augustus 2014 (SMS-Parking), ECLI:NL:GHSHE:2014:2803.
Zie uitgebreider: de redactie Vakstudie Nieuws die ingaat op de spagaat tussen de maatschappelijke verontwaardiging en de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst/Toeslagen (aantekening redactie Vakstudie Nieuws bij brief Staatssecretaris van Financiën van 11 december 2019, Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 577, V-N 2020/2.23).
Rechtbank Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5386.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 19 februari 2020, Kamerstukken II 2019/20, 35 300 IX, nr. 16. Het voornemen om de internetconsultatie voor de zomer van 2020 te publiceren is (waarschijnlijk mede als gevolg van het coronavirus) niet gehaald.
Wetsvoorstel, Kamerstukken II 2019/20, 35 447, nr. 2.
Zie: brief Minister van Justitie en Veiligheid van 18 juni 2020, Kamerstukken II 2019/20, 29 911, 281, blz. 6 waar staat dat een werkgroep informatiedeling onderzoekt welke mogelijkheden er nu al zijn om informatie te delen en op welke wijze gewenste informatiedeling mogelijk kan worden gemaakt.
Zie: M.P.A. Spanjers, Belastingheffing zonder Belastingdienst, WFR 2020/115. Vergelijk: brief Staatssecretaris van Financiën van 16 april 2021, Kamerstukken I 2020/21, 35 572, nr. T, blz. 3.
Art. 71r, eerste lid, Wbm (Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet Milieubeheer voor de invoering van een CO2-heffing voor de industrie (Wet CO2-heffing industrie), Kamerstukken II 2020/21, 35 575, Stb. 2020, 544) en art. 71g, eerste lid, Wbm (Wetsvoorstel minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking), Kamerstukken II 2018/19, 35 216, nr. 2. In de memorie van toelichting wordt dit gebracht als het logische sluitstuk van de betrokkenheid van de Dienst NEa (MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35 216, nr. 3, par. 4.2 en MvT, Kamerstukken II 2020/21, 35 575, nr. 3, par. 4.2) terwijl de Staatssecretaris van Financiën in de Tweede Kamer dit aanmerkte als een ‘noodgreep’ om de toch al geplaagde Belastingdienst niet verder te belasten (verslag van een algemeen overleg van 2 december 2020, Kamerstukken II 2020/21, 31 066, nr. 767, blz. 21).
MvA, Kamerstukken II 2018/19, 35 216, nr. 6, blz. 22-23. Vergelijk: de bedenkingen van de NOB vanwege het gebrek bij de Dienst NEa aan ervaring met de formeelrechtelijke aspecten van belastingheffing (NOB-commentaar internetconsultatie Wetsvoorstel CO2-heffing industrie (2020), blz. 4). De Staatssecretaris van Financiën denkt dat voor de uitvoering van deze belastingwet kan worden volstaan met de inzet van 1 à 2 fte (NAV, Kamerstukken II 2020/21, 35 575, nr. 6, blz. 38 en MvA, Kamerstukken I 2020/21, 35 575, nr. C, blz. 13).
Rustenburg stelt dat zowel met de term open norm als met de term vage norm een norm wordt bedoeld waarvan de inhoud door de wetgever niet of niet voldoende duidelijk is vastgelegd (Rustenburg 2020, blz. 4).
De wetgever formuleert regelmatig open of vage normen met de uitdrukkelijke bedoeling dat de rechter daar via maatwerk invulling aan kan geven. Zie ook: M.W.C. Feteris, Signalen van de Hoge Raad naar de wetgever, RegelMaat 2018-6, blz. 349.
Als gevolg van de toeslagenaffaire – waardoor de Staatssecretaris van Financiën moest aftreden – zijn er sinds 2020 twee Staatssecretarissen van Financiën: de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane (besluit taken Staatssecretarissen van Financiën (2020)). Daar waar in dit onderzoek de Staatssecretaris van Financiën wordt genoemd wordt – tenzij uitdrukkelijk anders genoemd – de Staatssecretaris van Financiën bedoeld die belast is met de fiscaliteit en de Belastingdienst.
Geppaart betoogde dat naarmate een belastingwet langer geldt, slijtageverschijnselen kunnen optreden of haar overtuigingswaarde kan afnemen.1 Dit geldt evenzeer voor specifieke onderdelen van een belastingwet. Aangezien de motivering van de doelstellingen van de fiscale geheimhouding haar oorsprong vindt in een ver verleden – terwijl de wereld sindsdien ingrijpend is veranderd – is het zinvol om de fiscale geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR integraal tegen het licht te houden, rekening houdend met de in 1994 ingevoerde algemene geheimhoudingsbepaling van art. 2:5 Awb. De fiscale geheimhoudingsplicht blijft ondanks haar ouderdom actueel. Naar aanleiding van het Belastingplan 2020 is (wederom) aangegeven dat versoepeling van art. 67 AWR wat het kabinet betreft niet aan de orde is.2 De uitgangspunten van geheimhouding staan echter al decennialang onder druk door toenemende (internationale) gegevensuitwisseling als gevolg van een soms ongebreidelde drang om misbruik of oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen, fraude, belastingontduiking of belastingontwijking aan te pakken.3 In de continue confrontatie tussen de wens om fiscale gegevens te delen en de wens van fiscale geheimhouding blijft het belang van de fiscale geheimhouding (te) vaak onderbelicht en worden de gemaakte belangenafwegingen onvoldoende inzichtelijk gemaakt.
Veelal ingegeven door de publieke opinie leidt de zucht naar transparantie nog jaarlijks tot talloze Kamervragen die met een beroep op art. 67 AWR onbeantwoord blijven.4 Diezelfde publieke opinie leidde echter wel tot de toezegging dat de inspecteur bij massaal bezwaarprocedures instemt met openbare behandeling bij de rechter.5 Naast het fiscaal-wetenschappelijke belang heeft het onderzoek ook maatschappelijke relevantie; er is toenemende maatschappelijke aandacht voor de (fiscale) privacy zoals bijvoorbeeld blijkt uit de internetconsultatie Wetsvoorstel openbaarheid belastingrechtspraak (2011), de ANPR-arresten uit 20176 en de informatieplicht van de Stichting Museumkaart.7 De inwerkingtreding van de AVG in 2018 heeft het privacy-bewustzijn naar een hoger niveau gebracht en ook de zwartgelakte Toeslagendossiers hebben – hoewel het niet ging om art. 67 AWR – discussie over geheimhouding verder aangewakkerd.8 De gevolgen van privacy-schendingen, waaronder schendingen van de geheimhouding, zal naar verwachting de aankomende jaren volop in de belangstelling staan. Discussies over de vraag of de Belastingdienst schadeplichtig is, bijvoorbeeld als gevolg van het onrechtmatig verstrekken van inkomensgegevens aan verhuurders ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhoging, zullen naar verwachting niet uitzonderlijk meer zijn.9
De meest recente ontwikkeling is de begin 2020 aangekondigde internetconsultatie gegevensverwerking Belastingdienst die ongetwijfeld ook het fiscale geheimhoudingsregime zal raken.10 Daarnaast heeft de fiscale geheimhoudingsverplichting ook effect op het Wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden11 of de informatiedeling binnen het in april 2020 opgerichte landelijke Multidisciplinair Interventieteam (MIT).12 Een laatste, zorgelijke ontwikkeling die niet onvermeld kan blijven is de verschuiving van de uitvoering van de belastingwet.13 Zo wordt in de Wet CO2-heffing industrie en in het Wetsvoorstel minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking – anders dan de traditionele Rijksbelastingdienst – de Dienst Nederlandse emissieautoriteit (NEa) met onzuivere argumentatie belast met de heffing en invordering van deze rijksbelastingen.14 Uitdrukkelijk is erkend dat de Dienst NEa geen enkele ervaring heeft met heffen en innen van belastingen en de daarop van toepassing zijnde (formele) bepalingen, waaronder de fiscale geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR.15
De toegevoegde waarde van onderzoek naar de (toekomstbestendigheid van de) fiscale geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR is dat het bijdraagt aan het bewustzijn van het belang van de geheimhoudingsplicht; met name bij de Staatssecretaris van Financiën, maar ook bij de belastingwetgever, de Belastingdienst en afnemers van fiscale informatie. Daarnaast geeft dit onderzoek een grondige onderbouwing en, daar waar mogelijk, een visie op mogelijke oplossingsrichtingen voor gesignaleerde knelpunten. Anders dan bijvoorbeeld ‘goed koopmansgebruik’, ‘deugdelijke administratie’ of ‘een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling’ is de fiscale geheimhoudingsbepaling geen open of vage norm.16 De uitleg van de fiscale geheimhoudingsbepaling wijzigt namelijk niet zozeer door tijdsverloop, jurisprudentie, veranderende maatschappelijke inzichten of voortschrijdende technische ontwikkelingen, maar door de wijziging van de wet zelf.17 Het is dan ook opmerkelijk te noemen dat uit deze studie blijkt dat de huidige interpretatie van sommige onderdelen van art. 67 AWR afwijkt van hetgeen bij de inwerkingtreding werd beoogd. Zo is de Staatssecretaris van Financiën18 tegenwoordig van mening dat belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen en derden bij derdenonderzoeken zijn aan te merken als aan de geheimhouding onderworpen subjecten, terwijl hiervoor in de wetsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt te vinden is. Deze studie draagt dan ook bij aan een beter begrip van de bepaling en is om die reden van belang voor het bestuursrecht in het algemeen en de fiscale wetenschap in het bijzonder.