Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.4
6.4.4 Klachtbeding met repercussies voor schadevergoedingsvordering schuldeiser (type IIIa en IIIb)
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973672:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260, NJ 2015/274 (Afvalzorg/Slotereind), r.o. 4.2.3.
Tjittes, 2015/4, p. 110; Tjittes 2022, p. 526. Zie ter vergelijking overigens art. 7:941 lid 3 BW, dat bepaalt dat de verzekeraar de uitkering kan verminderen met de schade die hij lijdt doordat de verzekeringnemer hem niet tijdig over de verwezenlijking van het betreffende risico heeft geïnformeerd.
Zie art. 19 en 20 van de algemene bankvoorwaarden.
Tjittes 2015, p. 110; A. Wiggers in zijn noot onder HR 19 september 2003, Ondernemingsrecht 2003, 49.
HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0268, Ondernemingsrecht 2003, 49. Overigens vernietigt de Hoge Raad het hofarrest op processuele gronden en komt niet toe aan de cassatieklachten ten aanzien van de door het hof vastgestelde sanctie van het klachtbeding.
Het begrip exoneratie wordt gedefinieerd als een beding dat een wettelijk of contractueel recht uitsluit of beperkt, zie Wessels & Jongeneel, Algemene voorwaarden (R&P nr. CA1) 2017, par. 14.2.
Vgl. HR 20 februari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5695, NJ 1976/486 (Pseudovogelpest), HR 8 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0166, NJ 1991/396 (Staalgrit); HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004AO6913, NJ 2004/585 (Kuunders/Swinkels).
Hoe zit het als we van doen hebben met een klachtbeding dat een sanctie kent in de vorm van een schadevergoedingsrecht van de schuldenaar of een beperking van het schadevergoedingsrecht van de schuldeiser? In Afvalzorg/Slotereind hint de Hoge Raad zelf op de mogelijkheid van een dergelijke sanctie. Hij overweegt dat het oordeel van het hof, dat niet-nakoming van de betreffende klachtplicht leidt tot verval van recht en niet tot een ander gevolg, ‘zoals een verplichting tot schadevergoeding’, onvoldoende is gemotiveerd.1 In de literatuur is bovendien de mogelijkheid genoemd van een klachtbeding waarbij niet tijdig klagen eerst leidt tot een beperking van de schadevergoedingsvordering van de schuldeiser waarna vervolgens, indien twaalf maanden na de klacht het geschil niet is geregeld dan wel geen procedure (arbitrage) aanhangig is gemaakt, verval van alle aanspraken intreedt.2 Een variant op zo’n hybride beding is te vinden in de algemene bankvoorwaarden. Art. 19 daarvan bepaalt dat door de klant ontdekte fouten in de dienstverlening van de bank zo spoedig mogelijk gemeld moeten worden. Gebeurt dat niet zo spoedig mogelijk, dan kan eventuele schade voor rekening van de klant blijven, zo bepaalt art. 20, terwijl art. 20 eveneens bepaalt dat 13 maanden na een opgave van gegevens door de bank alle aanspraken van een klant ten aanzien van fouten in die opgave vervallen.3
Tjittes en Wiggers hebben het eerste gedeelte van dit soort klachtbedingen geduid als invulling van de schadebeperkingsplicht van de schuldeiser, die als species van eigen schuld uit de wet (art. 6:101 BW) voortvloeit.4 Zij wijzen daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2003. Het gaat om een geval waarin rechtbank en hof de niet expliciet geformuleerde sanctie op schending van een contractuele klachtplicht uitleggen als schending van de schadebeperkingsplicht van de schuldeiser.5 Naar mijn mening kan een dergelijk beding mogelijk ook als een exoneratie worden gezien. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn indien sprake is van een beperking van de vergoedbare schade met een groter bedrag dan het bedrag dat uit de schadebeperkingsplicht van de schuldeiser zou voortvloeien.6
Voor de uitleg van de klachttermijn van dit soort bedingen is het volgende van belang. In het geval van een precies geformuleerde klachttermijn geldt, wederom, dat de tekst van het beding tot een eenduidig resultaat leidt. Bij vage klachttermijnen geldt daarentegen dat aan mogelijk nadeel van de schuldenaar bij de uitleg van de klachttermijn belang toe kan komen. Dat past bij de aard van het beding: partijen kiezen met dit type klachtbeding voor een specifieke verdeling van risico’s, ofwel mogelijk nadeel. Overigens doet die ratio nog altijd opgeld indien de rechter met behulp van uitleg zou constateren dat beperking van de schadevergoeding als sanctie op een klachttermijn moet worden aangenomen, terwijl deze sanctie niet expliciet uit de tekst van het beding voortvloeit. In dat geval moet het er immers voor worden gehouden dat er wel partijbedoelingen zijn waaruit dat af te leiden is.
Partijen kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om vergoeding van gevolgschade door de schuldenaar bij een ontijdige klacht van de schuldeiser uit te sluiten. De ratio daarvan kan denkelijk zijn dat de schuldenaar deze schade bij een tijdige klacht had kunnen voorkomen. In dat geval is een logisch aanknopingspunt voor de bepaling van het eindpunt van een vage klachttermijn het moment waarop dergelijke gevolgschade niet langer kan worden verhinderd.
Omdat dit gezichtspunt bij een vage klachttermijn een rol kan spelen bij de uitleg, bestaat allicht minder behoefte om dergelijke omstandigheden aan toepassing van het beding in de weg te laten staan op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Bij een ontijdige klacht op grond van een beding met een precies geformuleerde termijn kan dat anders liggen. De uitlegfase biedt dan in beginsel geen ruimte voor weging van dergelijke omstandigheden, terwijl onverkorte toepassing van het beding onbillijk kan zijn. Ik denk dan aan het volgende voorbeeld. Stel dat uit de partijbedoelingen blijkt dat het klachtbeding als doel heeft om de schuldenaar in staat te stellen gevolgschade, die voortvloeit uit zijn tekortkoming, te voorkomen. De schuldeiser klaagt te laat, maar desondanks is de schuldenaar nog ruimschoots in de gelegenheid om gevolgschade te voorkomen. Niettemin verzuimt de schuldenaar van die mogelijkheid gebruik te maken, hoewel op voorhand bekend was dat de gevolgschade aanzienlijk zou zijn en de initiële schade verre overstijgt. Ik acht het pleitbaar dat een beroep op het beding in die omstandigheden onaanvaardbaar wordt geacht. Dat sluit overigens aan bij de mogelijkheid om een exoneratie onaanvaardbaar te achten als de voorzienbare schade aanzienlijk is, terwijl het beding aansprakelijkheid voor dergelijke schade geheel of grotendeels uitsluit.7