Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.2.2.2
7.4.2.2.2 De nalatenschap wordt vereffend
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232428:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor Handboek Erfrecht, B.M.E.M. Schols 2015/XVI.2.
M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1), Deventer: Wolters Kluwer 2018/82. Zie voor de vereffeningsprocedure Asser/Perrick 4 2017/599a e.v.; Handboek Erfrecht, B.M.E.M. Schols 2015/XVI.
Asser/Perrick 4 2017/624. Perrick schrijft dat niet duidelijk is waarom een niet door de rechter benoemde vereffenaar deze bevoegdheid niet heeft.
Zie voor het verschil tussen de ‘gewone’ ontbindingsprocedure en de turboliquidatie, L.M. de Vito, ‘Turboliquidatie versus wettelijke procedure’, V&O 2013/11; S. Renssen, ‘Recente ontwikkelingen rondom de turboliquidatie’, JBN 2017/04. Hierbij dient bedacht te worden dat als geen baten aanwezig zijn, geen keuze bestaat ten aanzien van de wijze van ontbinden.
Zie over artikel 2:220 lid 3 BW, Asser/Perrick 4 2017/640; S. Perrick, ‘Insolventie en erfrecht’, in: G.H. Lankhorst e.a., Insolventierecht in de notariële praktijk, preadvies KNB, preadvies KNB, z.p. [Den Haag]: Sdu Uitgevers 2011, p. 281.
Zie hierover T.F.H. Reijnen, ‘Uitbreiding van de verhaalsmogelijkheden van belastingen op begunstigden en erfgenamen’, FBN 2019/20.
In twee gevallen moet een nalatenschap worden vereffend:
als deze is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving; en
als de rechter een vereffenaar heeft benoemd (artikel 4:202 lid 1 BW).
Op de regel dat de nalatenschap moet worden vereffend als deze is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving bestaat een aantal uitzonderingen waarvan de bespreking echter buiten het onderzoeksgebied van deze studie naar de bij dode opgerichte stichting valt.1 Wel is het van belang op te merken, dat bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving de erfgenamen vereffenaar zijn. Als de bij dode opgerichte stichting tevens enig erfgenaam is en zij de nalatenschap heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, zal zij dus vereffenaar zijn zolang de rechter geen andere vereffenaar benoemt.
De rechter is bevoegd een vereffenaar te benoemen in de gevallen genoemd in artikel 4:204 BW. Vereffening van een nalatenschap houdt in het innen van inbare vorderingen en het betalen van de opeisbare schulden van de nalatenschap.2
De wet biedt een door de rechter benoemde vereffenaar naast de bevoegdheden die elke vereffenaar heeft, de mogelijkheid dat wat aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terug te vorderen (artikel 4:216 BW, via artikel 4:211 BW ook van toepassing op bepaalde lasten). Deze terugvordering zal betrekking hebben op een legaat dat is uitgekeerd voordat dit is verminderd op de voet van artikel 4:120 lid 2 BW, dat bepaalt dat legaten pas mogen worden voldaan als de overige schulden van de nalatenschap kunnen worden voldaan. De uitkering van het legaat (of de lastbevoordeling) was immers niet onverschuldigd.3
Als de vereffening is voltooid, zal het saldo van de nalatenschap nihil zijn. Dit is het geval omdat de schuld aan de materiële erfgenamen precies gelijk is aan het saldo van de nalatenschap nadat de schulden aan alle andere schuldeisers zijn voldaan. Na het verbindend worden van de op te maken uitdelingslijst en het voldoen van de daarop opgenomen schulden (artikel 4:220 BW), is de vereffening voltooid en kan de bij dode opgerichte stichting worden ontbonden. Het statutaire doel van de bij dode opgerichte stichting is immers bereikt (behandeld in 4.6.1). Omdat de stichting na de vereffening geen baten meer heeft, heeft het besluit tot ontbinding tot gevolg dat de stichting direct ophoudt te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW, ook wel aangeduid als turboliquidatie).4 Mochten na de vereffening toch nog (onbekende) schulden opkomen, dan kan de schuldeiser zich niet verhalen op het saldo van de nalatenschap (artikel 4:220 lid 2 BW). Doordat het eventuele saldo van de nalatenschap aan de materiële erfgenamen als legaat of lastbevoordeling wordt uitgekeerd, is er per definitie na de vereffening geen saldo van de nalatenschap. Het enige wat de na de vereffening opgekomen schuldeiser nog kan proberen is zich te verhalen op de legaten of lastbevoordelingen aan de materiële erfgenamen op de voet van artikel 4:220 lid 3 BW (van overeenkomstige toepassing op de last bestaande uit een uitgave van geld of van een goed, artikel 4:211 BW). Deze mogelijkheid bestaat voor schuldeisers ingeval sinds het verbindend worden van de uitdelingslijst nog geen drie jaar zijn verstreken. De termijn van drie jaar is een vervaltermijn.5 Kortom, door het benoemen van een stichting tot enig erfgenamen onder de verplichting het saldo van de nalatenschap nadat de schulden aan alle andere schuldeisers zijn voldaan als legaat of lastbevoordeling aan de materiële erfgenamen uit te keren, hoeven deze materiële erfgenamen drie jaar na het verbindend worden van de uitdelingslijst niet meer te vrezen voor verhaal van dan pas opgekomen schuldeisers van de nalatenschap. De enige uitzondering zou kunnen bestaan uit fiscale verplichtingen voortvloeiende uit artikel 33a Inv. Wet 1990.6