Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.2.2.3
7.4.2.2.3 Biedt de vereffening van het vermogen van de bij dode opgerichte stichting de schuldeisers van de erflater nog mogelijkheden?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232279:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/406 e.v.
Feitelijk zal nu pas de eerste vereffeningshandeling plaatsvinden.
Van verjaring van de vordering zal geen sprake zijn (artikel 2:23c lid 2 BW). Zie hierover HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182, JOR 2017/222, m.nt. Chr.M. Stokkermans.
Rechtbank Rotterdam 15 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP9705, JOR 2011/174, m.nt. J.J.M. van Mierlo.
Artikel 4:117 BW.
Zie ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/424, waarin erop gewezen wordt dat de grondslag voor het terugvorderen van uit het overschot verkregen vermogen is gebaseerd op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW), maar dat een overgeslagen schuldeiser de verzetprocedure van artikel 2:23b lid 5 BW ter beschikking staat. Daar kan tegenin worden gebracht, dat de vordering zich pas na het verbindend worden van de uitkeringslijst manifesteert. Dit zou het geval kunnen zijn bij een onrechtmatige daad.
Hof Den Bosch 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1659, RI 2018/78; Hof Den Haag 17 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1677, RN 2018/85.
Zie artikel 6:212 BW.
Over ongerechtvaardigde verrijking zie S.R. Damminga, Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (diss. Nijmegen, Onderneming en Recht nr. 80), Deventer: Kluwer 2014.
Het tijdstip waarop de stichting ophoudt te bestaan is afhankelijk van de vraag of het vermogen van de stichting is vereffend. Als het vermogen van de stichting wordt vereffend, houdt de stichting op te bestaan nadat de vereffening is voltooid (artikel 2:19 lid 6 BW). Als de stichting op het tijdstip van de ontbinding geen bekende activa heeft, houdt de stichting op dat moment op te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). Hierbij mag echter niet uit het oog verloren worden dat de vereffening van de nalatenschap van de erflater niet hetzelfde is als de vereffening van de stichting, zelfs niet als de stichting enig erfgenaam is. Vereffening van de nalatenschap vindt plaats op grond van Boek 4 BW, vereffening van het vermogen van de stichting op grond van Boek 2 BW.
Als na de uitkering aan de materiële erfgenamen wordt besloten tot ontbinding van de stichting, dan zal deze daardoor direct ophouden te bestaan tegen het tijdstip waarop de stichting wordt ontbonden. Het gehele vermogen is immers uitgekeerd aan de schuldeisers, inclusief de materiële erfgenamen, zodat na de ontbinding de stichting geen activa meer zal hebben (artikel 2:19 lid 4 BW). Aan de ‘gewone’ vereffeningsprocedure van artikel 2:19 lid 6 BW, wordt niet toegekomen.1
Als na het tijdstip waarop de stichting is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of een gerechtigde tot het saldo opkomt, of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening van de stichting heropenen (artikel 2:23c BW).2 Na de heropening van de vereffening van het vermogen van de stichting, kan de vereffenaar van elk van de gerechtigden terugvorderen wat deze te veel uit het overschot heeft ontvangen.3 Heropening van de vereffening zal echter om deze reden voor de latere schuldeiser weinig zin hebben. De vereffenaar kan alleen terugvorderen wat een gerechtigde uit het eigen vermogen van de stichting heeft ontvangen, dat wil zeggen, het vermogen dat resteert nadat de stichting haar verplichtingen heeft voldaan, dat is immers het overschot.4 Als het recht van de materiële erfgenamen is vormgegeven als legaat zal eigen vermogen ontbreken. Het legaat is immers een vorderingsrecht zodat rechtmatig aan schuldeisers is betaald.5 Als sprake is van een last ten behoeve van de materiële erfgenamen, ben ik dezelfde mening toegedaan, ondanks het ontbreken van een vorderingsrecht voor de lastbevoordeelden. Dat de last niet leidt tot een vorderingsrecht voor een derde, wil niet zeggen dat de lastbezwaarde geen verplichting heeft.6
Toch is er nog een kleine kans dat een nagekomen schuldeiser zijn vordering, of een deel daarvan, betaald krijgt. Dit is in het geval dat sprake is van onbehoorlijk bestuur van de bestuurders van de stichting die leidt tot een vordering van de stichting op de bestuurders op grond van artikel 2:9 BW (interne bestuurdersaansprakelijkheid). Een dergelijke vordering behoort niet tot de nalatenschap van de erflater en valt daardoor in het eigen vermogen van de stichting. Uit dit vermogen kan dan de schuldeiser worden voldaan. Hiervoor is het wel nodig dat de vereffening wordt heropend. Uit de jurisprudentie blijkt dat dit mogelijk is.7
De enige andere mogelijkheid die ik nog zie voor de later opgekomen schuldeiser van de nalatenschap is het instellen van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking tegen de materiële erfgenamen.8 Succes hierbij is niet verzekerd.9
Een alternatief voor vereffening van de nalatenschap zou zijn de aanvraag van het faillissement van de stichting en vereffening van haar vermogen. Dit komt materieel neer op vereffening van de nalatenschap omdat alle schulden, schulden van de nalatenschap zijn en alle baten eveneens afkomstig zijn uit de nalatenschap. Op deze vereffening zijn de regels van vereffening van failliete rechtspersonen van toepassing. De schuldeiser zal hier niet veel mee opschieten, zo vermoed ik.