Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.3.4.3
4.3.4.3 Derde opvatting
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS296525:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aldus: Timmerman 2013-1.
Voor de vraag wanneer een inbreuk op deze rechten gerechtvaardigd zou kunnen zijn, kan worden aangesloten bij de jurisprudentie betreffende de vraag of ontneming van de aandelen in strijd is met artikel 1 EP. Timmerman geeft in zijn conclusie bij HR 27 januari 2012, JOR 2011, 115 m.nt. Doorman aan dat een inbreuk op het eigendomsrecht op een aandeel onder artikel 1 eerste protocol slechts geoorloofd is wanneer (i) deze inbreuk is voorzien bij wet, (ii) het algemeen belang hiermee is gediend en (iii) deze vanuit een goede belangenafweging proportioneel is. Deze voorwaarden worden ook door het EHRM getoetst bij inmenging in het eigendomsrecht. Zie in dit verband ook: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 287; Barkhuysen & Emmerik 2005, p. 62 e.v.; Schild 2012, p. 126-144; en de conclusies van Timmerman bij HR 23 maart 2012, JOR 2012, 141 m.nt. Josephus Jitta en Barkhuysen en HR 13 januari 2012, JOR 2012, 41.
Voor de besloten vennootschap is dit thans anders geregeld. Sinds 1 oktober 2012 is het niet langer zo dat de winst toekomt aan de aandeelhouders, maar dat de algemene vergadering van aandeelhouder bevoegd is tot bestemming van de winst, tenzij de statuten anders bepalen (art. 2:216 lid 1 BW). Zie in dit verband ook de opmerking van de CDA-fractie in de parlementaire geschiedenis: ‘De leden van de CDA-fractie menen dat aan de uitkeringsregeling van artikel 216 een dubbele gedachte ten grondslag ligt: enerzijds, dat winst niet als hoofdregel aan de aandeelhouders toekomt, anderzijds, dat de algemene vergadering over het vermogen van de vennootschap (zowel eigen als vreemd) naar goeddunken mag beschikken door uitkeringen aan aandeelhouders vast te stellen, zolang er maar geen sprake is van crediteurenbenadeling.’ (Kamerstukken I 2011/12, 31058, C, p. 11 (MvA)).
Allereerst de derde opvatting. Hierboven is benadrukt dat een aandeelhouder vermogensrechtelijke rechten jegens de vennootschap en organisatierechtelijke rechten binnen de vennootschap heeft. Op grond van deze redenering zou kunnen worden betoogd dat de vermogensrechtelijke rechten direct voortvloeien uit het aandeel. Daar danken zij dan ook hun vermogensrechtelijke karakter aan. Het zijn rechten die verbonden zijn aan het aandeel en middels het aandeel toekomen aan de aandeelhouder.
De organisatierechtelijke rechten komen aan de aandeelhouder toe, omdat hij rechthebbende wordt op het aandeel en daarmee in een rechtsbetrekking tot de vennootschap komt te staan. Deze rechtsbetrekking heeft in beginsel geen directe relatie met het aandeel. Het aandeel is slechts het middel dat de rechtsbetrekking tot stand brengt en uit de rechtsbetrekking vloeien vervolgens de organisatierechtelijke rechten (en plichten) voort. Deze directe rechtsbetrekking zou dan als een lidmaatschapsverhouding kunnen worden geduid. Wanneer deze opvatting in een schema wordt geplaatst, zou dat er als volgt uit komen te zien:
Aan deze opvatting zouden ook gevolgen kunnen worden verbonden die relevant zijn voor de vraag op welke wijze de aandeelhouder van deze rechten gebruik mag/dient te maken. Anders gezegd, de vraag is welk belang de aandeelhouder bij het hanteren van deze rechten in ogenschouw dient te nemen? Daarmee heeft dit onderscheid ook rechtsgevolgen en blijft het niet bij het ‘vruchteloos draaien van fraaie pirouettes.’1
Vermogensrechtelijke rechten vloeien voort uit het aandeel zelf, waardoor zij een meer absoluut karakter hebben. Als gevolg daarvan zou kunnen worden betoogd dat de rechtsbetrekking met de vennootschap geen, althans minder, invloed heeft op de wijze waarop deze rechten dienen te worden uitgeoefend. Dit zijn bovendien de rechten die vallen onder de ‘bescherming’ van artikel 1 EP, het recht op het ongestoord genot van eigendom.
De organisatierechtelijke rechten vloeien voort uit de directe rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap, die ontstaat als gevolg van het worden van rechthebbende op het aandeel door de aandeelhouder; de lidmaatschapsverhouding. Omdat deze rechten voortvloeien uit de rechtsbetrekking kan eenvoudiger invloed worden uitgeoefend door de vennootschapsrechtelijke betrekkingen, die terugkomen in de gedragsnormen, zoals de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid. Daardoor lijken deze rechten onderhevig te zijn aan de redelijkheid en billijkheid en de daaruit voortvloeiende verplichting om met andere belangen rekening te houden.
Deze opvatting heeft tot gevolg dat aandeelhouders meer mogen worden beperkt in het uitoefenen van hun organisatierechtelijke rechten dan in het uitoefenen van hun vermogensrechtelijke rechten. Aandeelhouders zijn op grond hiervan vrij om hun aandelen over te dragen, zij hebben recht op de winst, het liquidatiesaldo en onteigening van de aandelen kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden plaatsvinden. Het schenden van de redelijkheid en billijkheid zou dan ook in beginsel niet voldoende zijn om deze rechten te beperken of te ontnemen. Slechts bij een grove schending van de normen die voortvloeien uit de gedragsnormen zijn dergelijke gevolgen op hun plaats.2 Daarentegen kunnen organisatierechtelijke rechten, zoals het stemrecht, eenvoudiger worden beperkt door bijvoorbeeld de redelijkheid en billijkheid. Op grond hiervan zijn aandeelhouders verplicht bij het uitoefenen van deze rechten rekening te houden met de belangen van andere belanghebbenden.
Hoewel deze scheiding tussen vermogensrechtelijke en organisatierechtelijke rechten in eerste instantie redelijk eenvoudig lijkt, zijn er aan aandeelhouders toekomende rechten die terugkomen in zowel de organisatierechtelijke alsook vermogensrechtelijke rechten. Een goed voorbeeld hiervan is het recht op de winst. In artikel 2:105 BW is bepaald dat de winst toekomt aan de aandeelhouders, tenzij de statuten anders bepalen.3 Dit is een vermogensrechtelijk recht. Over de bestemming van de winst en dus het uitkeren van de winst aan de aandeelhouders zal echter in de algemene vergadering moeten worden gestemd, omdat de algemene vergadering van aandeelhouders een besluit moet nemen over het alloceren van de winst. Aandeelhouders zullen dus voor het uitkeren van de winst ook gebruik moeten maken van een organisatierechtelijk recht, namelijk het stemrecht. De vraag die zich vervolgens voordoet is of dit recht dan nog wel dient te worden gekwalificeerd als een vermogensrechtelijk recht, althans of daar dezelfde consequenties aan moeten worden verbonden als aan andere vermogensrechtelijke rechten die niet gecombineerd worden met een organisatierechtelijk recht.
Het lijkt voor de hand te liggen dat in deze zienswijze het stemrecht prevaleert boven het vermogensrechtelijke recht op winst en de redelijkheid en billijkheid dus in acht dient te worden genomen. Uitgangspunt is immers dat een recht op winst een vermogensrechtelijk recht is en bescherming geniet onder artikel 1 Eerste Protocol. Maar omdat over dit recht gestemd dient te worden door de aandeelhouder wordt het een recht dat binnen de vennootschap wordt uitgeoefend en komt de redelijkheid en billijkheid in beeld. In dit opzicht verschilt het recht op winst ook wezenlijk van het recht op bijvoorbeeld het vrijelijk kunnen overdragen van het aandeel. Daar is immers – in beginsel – geen organisatierechtelijk recht voor nodig, tenzij bijvoorbeeld in de statuten is bepaald dat voor het overdragen van de aandelen goedkeuring dient te worden verleend door de algemene vergadering van aandeelhouders. Wanneer dat het geval is, hebben de oprichters/aandeelhouders klaarblijkelijk besloten dat de handeling van overdracht van de aandelen niet, althans niet volledig, bij de individuele aandeelhouders ligt en dus jegens de vennootschap wordt uitgeoefend, maar dat het besluit binnen de vennootschap dient te worden genomen, waardoor de redelijkheid en billijkheid van toepassing is.