Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.3.4.1
4.3.4.1 Eerste opvatting
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299013:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Schwarz 1986, p. 71-72.
Bos 2005, p. 102.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 190.
Asser/Maeijer 2000, nr. 177.
Olaerts 2007, p. 22.
Rensen 2005-1, p. 32.
Zie over deze regeling onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & NieuweWeme 2013, nr. 298; Schwarz 2012, p. 13-15.
Al gaat het niet slechts om tegenstemmen. Ook een houder van een stemrechtloos aandeel kan niet tegen zijn wil een statutaire eis of verplichting worden opgelegd (Asser/Maeijer/Van Solinge & NieuweWeme 2013, nr. 298).
Kamerstukken I 2011/12, 31058, nr. C, p. 19 (MvA).
Kamerstukken I 2011/12, 31058, nr. C, p. 19 (MvA).
In de literatuur lijkt doorgaans te worden overwogen dat de organisatierechtelijke en vermogensrechtelijke rechten voortvloeien uit de rechtsbetrekking waarin de aandeelhouder ten opzichte van de vennootschap staat; de lidmaatschapsverhouding. Hierboven werd Schwarz aangehaald, die overwoog:
‘De relatie tussen de aandeelhouder en de vennootschap kan worden gekwalificeerd als een lidmaatschapsverhouding, welke lidmaatschapsverhouding tussen aandeelhouder en vennootschap over en weer rechten en plichten doet ontstaan.’1
Volgens Schwarz is het de rechtsbetrekking die tot gevolg heeft dat over en weer rechten en plichten ontstaan. Van der Grinten lijkt tot eenzelfde conclusie te komen:
‘De toetreding van de oprichter tot de vennootschap doet een lidmaatschapsverhouding ontstaan tussen de vennootschap en de oprichter. Deze lidmaatschapsverhouding wordt als aandeelhouderschap aangeduid. Dit aandeelhouderschap brengt rechten en plichten mede.’2
Van der Grinten meent derhalve – evenals Schwarz – dat het aandeelhouderschap en niet het aandeel zelf deze rechten en plichten met zich mee brengt. Ook Bos volgt deze overweging en geeft daarbij nog specifieker aan waar deze rechten uit voortvloeien:
‘Het aandeelhouderschap wordt zoals vermeld gekwalificeerd als een lidmaatschapsverhouding. Deze bijzondere vennootschapsrechtelijke lidmaatschapsverhouding houdt voor de aandeelhouder in dat hij met zijn wettelijke stemrecht rechtstreeks betrokken is bij de besluitvorming in de vennootschap. Daarnaast staat hij gezien zijn vermogensrechtelijke rechten, alsmede zijn plichten, in een relatie tot de vennootschap. Het lidmaatschapsrecht is daarmee de bron van de zojuist besproken vermogensrechtelijke rechten en zeggenschapsrechten.’3
Bos benadrukt daarmee het sterkst dat de rechtsbetrekking als ‘bron’ van de rechten en plichten van de aandeelhouder dient te worden beschouwd. Eenzelfde redenering als Schwarz, Van der Grinten en Bos wordt voorgestaan door Van Solinge en Nieuwe Weme,4 Maeijer,5 Olaerts6 en Rensen.7 Wanneer deze opvatting in een schema wordt geplaatst, ziet zij er als volgt uit:
Dat de lidmaatschapsverhouding moet worden beschouwd als de bron van rechten en plichten voor de aandeelhouder lijkt ook voort te vloeien uit de regeling betreffende de ‘persoonsgebonden niet-gebondenheid’.8 Alleen de besloten vennootschap heeft deze regeling. Op grond van artikel 2:192 lid 1 slotzin BW kan een aandeelhouder niet tegen zijn wil worden gebonden aan extra verplichtingen zoals opgenomen in a, b en c van die bepaling. De (minderheids)aandeelhouder is door het tegenstemmen bij de (noodzakelijke) statutenwijziging persoonsgebonden nietgebonden aan de nieuwe statutaire bepaling die de aandeelhouders extra verplichting oplegt.9 Deze persoonsgebonden niet-gebondenheid is daarmee gebonden aan het aandeelhouderschap en niet aan het aandeel.10 Als gevolg hiervan wordt ook geconcludeerd dat de aandeelhouder niet gebonden zal zijn wanneer hij na het ontstaan van de persoonsgebonden niet-gebondenheid extra aandelen verwerft.11
Dat de persoonsgebonden niet-gebondenheid is verbonden aan het aandeelhouderschap en niet aan het aandeel, is een argument om te stellen dat de rechten en plichten uit het aandeelhouderschap en dus uit de lidmaatschapsverhouding voortvloeien. Uit die verhouding vloeit immers de persoonsgebonden niet-gebondenheid voort. Ook kan echter worden gesteld dat het hier gaat om een specifieke individuele verplichting, althans het niet-gebonden zijn aan die verplichting. Hieronder zal – vooral bij de derde en vierde opvatting – blijken dat een genuanceerdere opvatting mogelijk is.