De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.4.2.2:7.4.2.2 Vervallen artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb en de bestuursrechtelijke toetsing van een examen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.4.2.2
7.4.2.2 Vervallen artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb en de bestuursrechtelijke toetsing van een examen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949654:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het vervallen van 8:4, derde lid, onder b van de Awb kan een leerling tegen een beoordelingsbeslissing in beroep gaan bij de bestuursrechter. Ook kan de bestuursrechter in dat geval de inhoud van de beoordeling gaan toetsen. Aangenomen kan worden dat de bestuursrechter een dergelijke beoordeling zeer terughoudend zal toetsen en rekenschap zal geven van de deskundigheid van de examinator en het feit dat de taak om het examen te beoordelen door de wetgever is opgedragen aan de examinator. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de terughoudende toetsing van de bestuursrechter bij besluiten inzake een toelaatbaarheidsverklaring, waarop de wetgever artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb, niet van toepassing heeft verklaard (§ 5.8.7). Bij dergelijke beoordelingsbeslissingen neemt de bestuursrechter aan dat sprake is van beoordelingsruimte en wordt in beginsel aangenomen dat de beoordeling juist is uitgevoerd. De bestuursrechter zal dan ook, net als de burgerlijke rechter, enkel treden in de beoordeling als die beoordeling evident onjuist is. De bestuursrechter zal dan ook moeten beoordelen of sprake is van een evident onzorgvuldige beoordeling.
Hoewel slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van een evident onzorgvuldige beoordeling, biedt deze mogelijkheid wel een oplossing voor gevallen waarbij toch een fout is gemaakt in de beoordeling van een examen. Nu kan de bestuursrechter in een dergelijk geval de inhoud van een examen niet beoordelen, maar enkel toetsen of aan de voorschriften van procedurele aard en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is voldaan. Het is aan de leerling om aan te tonen dat een beoordeling evident onzorgvuldig is, het uitgangspunt is immers dat de beoordeling zorgvuldig is uitgevoerd door de deskundige leraar. Aantonen dat een beoordeling evident onzorgvuldig is uitgevoerd zal enkel mogelijk zijn in gevallen waarbij de antwoordmogelijkheden beperkt zijn en waarbij objectief is vast te stellen welk antwoord juist is. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn als het gaat om bijvoorbeeld de beoordeling van een essay op stijl, het schooladvies op basis van de leerresultaten en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling of de beoordeling van een werk van de leerling op basis van een weging van verschillende criteria. De bestuursrechter zal in een zeldzaam geval kunnen beoordelen dat een beoordeling evident onzorgvuldig is uitgevoerd als geen twijfel bestaat welk antwoord juist is; de vraag moet dan ook leiden tot een meetbaar, berekenbaar of feitelijk, duidelijk en eenduidig antwoord. Gedacht kan worden aan de berekening van een wiskundige formule, hoewel ook dan soms nog afgewogen moet worden of de leerling de wijze waarop hij tot zijn antwoord is gekomen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Dat de bestuursrechter de inhoud van een examen kan gaan toetsen zal enkel in uitzonderlijke gevallen tot het oordeel leiden dat die beoordeling evident onzorgvuldig is uitgevoerd. In die gevallen wordt het beroep van de leerling gegrond verklaard en zal het examen opnieuw beoordeeld moeten worden door dezelfde of een andere leraar, met inachtneming van de uitspraak.