Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.4.4.2
9.4.4.2 Het bewijs van de hypothetische koerslijn
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655672:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 8.4.3 respectievelijk § 8.4.4.
Zie § 8.4.3.2 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Zie § 8.4.4.2 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Volledigheidshalve merk ik op dat met het ‘over het tijdvak van de misleiding afnemen van de koersinflatie’ wordt bedoeld dat de koersinflatie afneemt gezien vanuit tijdstip waarop de misleiding begon.
Ik wijs erop dat de term ‘geleidelijk bekend worden van de misleiding’ hier ruim moet worden opgevat. In dit geval versta ik hieronder mede de in § 9.4.2.4 sub c, onderdeel 1.B (onder het kopje ‘Het beleggende publiek werd misleid teneinde een negatieve verrassing te voorkomen’) genoemde scenario’s i-iv.
Hierbij ga ik er gemakshalve van uit dat de eisende beleggers als schadevergoeding vorderen het bedrag dat zij als gevolg van de misleiding te veel voor het litigieuze aandeel hebben betaald toen zij het aandeel kochten (en welk bedrag zij vervolgens niet meer hebben terugverdiend via een tussentijdse verkoop). Zouden de beleggers daarentegen als schadevergoeding vorderen het koersverlies dat werd geleden toen de misleiding naar buiten kwam, dan zou hun inzet bij het processuele debat over de hypothetische koerslijn eventueel anders kunnen zijn. Ik werk dat hier niet verder uit.
Dat in het scenario waarin de koersinflatie geleidelijk uit de koers loopt als gevolg van het geleidelijk bekend worden van de misleiding voor de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, de rechtens toerekenbare schade in beginsel niet is beperkt tot het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de officiële bekendwording van de misleiding, heb ik verdedigd in § 5.5.2.1-§ 5.5.2.3.
Dat de tussentijdse verkopers in het scenario waarin de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, en waarin deze afname volledig wordt veroorzaakt door een over het tijdvak van de misleiding afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een over dit tijdvak veranderende inhoud van de misleidende informatie, in beginsel geen recht hebben op schadevergoeding, volgt uit mijn analyse in § 5.5.2.3 sub b respectievelijk § 7.2.3.
Zie wederom § 5.5.2.1-§ 5.5.2.3 respectievelijk § 7.2.3.
Volledigheidshalve merk ik op dat met het ‘over het tijdvak van de misleiding toenemen van de koersinflatie’ wordt bedoeld dat de koersinflatie toeneemt gezien vanuit tijdstip waarop de misleiding begon.
Het toenemen van de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding zal zich onder meer voordoen, wanneer (i) de marktwaarde van de misleiding over het tijdvak van de misleiding toeneemt, (ii) de inhoud van de misleidende informatie over dit tijdvak zodanig wijzigt dat de informatie gaandeweg meer misleidend wordt, of (iii) de misleiding bestaat uit verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen en/of omissies die er gezamenlijk voor zorgen dat het geschetste (totaal)beeld gaandeweg meer misleidend wordt.
Volledigheidshalve merk ik op dat met het ‘over het tijdvak van de misleiding toenemen van de koersinflatie’ wordt bedoeld dat de koersinflatie toeneemt gezien vanuit tijdstip waarop de misleiding begon.
Voor de beleggers die hun aandelen slechts gedeeltelijk tot na de officiële corrigerende mededeling hebben aangehouden, en die ook een deel reeds voordien weer hebben verkocht, kan de inzet bij het processuele debat over het de hypothetische koerslijn eventueel anders zijn. Ik werk dat hier niet verder uit.
Volledigheidshalve merk ik op dat met het ‘over het tijdvak van de misleiding afnemen van de koersinflatie’ wordt bedoeld dat de koersinflatie afneemt gezien vanuit tijdstip waarop de misleiding begon.
Zoals reeds opgemerkt kent de term ‘geleidelijke bekendwording van de misleiding’ hier een ruime interpretatie.
Dat in de situatie waarin de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, en deze afname wordt veroorzaakt door een over het tijdvak van de misleiding afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een over dit tijdvak veranderende inhoud van de misleidende informatie, voor de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, de rechtens toerekenbare schade in beginsel is beperkt tot het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de officiële bekendwording van de misleiding, heb ik verdedigd in § 5.5.2.3 sub a en sub b respectievelijk § 7.2.3.
Zie in dit verband ook § 9.4.2.3 over de bewijswaardering van de door de eisende beleggers in de procedure ingebrachte event study.
Zie in dit verband ook reeds De Jong 2010, p. 303.
Zie hierover reeds Pijls 2009c, p. 139. Zie ook De Jong 2010, p. 255.
Zie § 9.2.1 en de aldaar aangehaalde literatuur. Vgl. in dit verband de bewijswaarderingsmaatstaf die geldt bij het begroten van als gevolg van letsel beweerdelijk geleden toekomstige arbeidsvermogensschade. In het bekende arrest Verhof/Helvetia overwoog de Hoge Raad over deze maatstaf het volgende: ‘(…) [A]an een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, [mogen] geen strenge eisen (…) worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad: het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.’ (toevoegingen en curs. ACWP), HR 15 mei 1998, NJ 1998/624 (Verhof-Vasters/Helvetia Schadeverzekering N.V.), r.o. 3.5.2. Zie in dit verband ook het arrest HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273 (X/Goudse Schadeverzekeringen N.V.), r.o. 3.3.2. En zie over deze problematiek in de literatuur (onder veel meer) Akkermans 2009; Akkermans & De Groot 2007, § 4; Akkermans 2003.
Zie § 9.2.1 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Zie in dit verband reeds Pijls 2009c, p. 141. Vgl. in dit verband het criterium van de ‘redelijke verwachting’ zoals dat geldt bij het begroten van als gevolg van letsel beweerdelijk geleden toekomstige arbeidsvermogensschade en dat we eveneens kennen uit het arrest Verhof/Helvetia: ‘De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zulk een vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen.’ (curs. ACWP), HR 15 mei 1998, NJ 1998/624 (Verhof-Vasters/Helvetia Schadeverzekering N.V.), r.o. 3.5.1. Zie in dit verband ook de arresten HR 14 januari 2000, NJ 2000/437, m.nt. C.J.H. Brunner (Sas/NV Interpolis Schade), r.o. 3.4; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273 (X/Goudse Schadeverzekeringen N.V.), r.o. 3.3.2.
Zie over deze bezwaren § 8.4.3.3 en § 8.4.3.4.
Zie over de voordelen van forward casting ten opzichte van back casting § 8.4.4.4.
Zie over de bewijswaardering van de door de eisende beleggers in de procedure ingebrachte event study reeds § 9.4.2.3.
Het ter discussie staan van de (uitkomst van de) event study die is uitgevoerd om de residuele koersdaling te bepalen die intrad toen de misleiding bekend werd, zal er in de praktijk op neerkomen dat alle aannames en veronderstellingen die aan deze event study ten grondslag liggen, en alle keuzes die in dat verband zijn gemaakt, onderwerp zijn van processueel debat.
Overigens teken ik hier bij aan dat het in de praktijk meestal zo zal zijn dat de discussie over de (bewijswaardering van de) zojuist genoemde event study al grotendeels is gevoerd in het kader van het processuele debat over het causaal verband (in de zin van het csqn-verband) tussen de misleiding en de door belegger gestelde koersschade c.q. het debat over het bestaan van (rechtens relevante) koersschade. Ik verwijs naar mijn analyse in § 9.4.2.3.
Zie over dit probleem uitgebreid § 8.4.3.2 sub d, en de aldaar aangehaalde literatuur.
Zie over (de geschiktheid van) deze technieken uitgebreid § 8.4.3.2 sub a, en de aldaar aangehaalde literatuur.
Met ‘netto-kasstromen’ bedoel ik de inkomsten minus de uitgaven.
Zie § 8.4.3.2 sub b.
Zie over deze nadelen § 8.4.4.4.
Zie over de bewijswaardering van een in de procedure (als deskundigenbericht) ingebrachte event study reeds § 9.4.2.3.
Hierbij ga ik er gemakshalve even van uit dat de misleiding bestond uit het te gunstig voorstellen van financiële resultaten, zodat bij het schatten van de koersinflatie gebruik kan worden gemaakt van een earnings response coefficient. Bestond de misleiding echter uit het publiceren van andersoortige informatie dan de publicatie van financiële resultaten, dan zal bij het schatten van de koersinflatie gebruik moet worden gemaakt van een andersoortige response coefficient dan een earnings response coefficient.
Voor een bespreking van de ERC-methode verwijs ik naar § 8.4.4.2 sub b, en de aldaar aangehaalde literatuur.
Zie over de AFRC § 8.4.4.3 sub b, en de aldaar aangehaalde literatuur.
Bij het (vanuit het bedrag van de geschatte koersinflatie op het moment waarop de misleiding begon) modelleren van de hypothetische koerslijn over het tijdvak van de misleiding, kan bij forward casting gebruik worden gemaakt van dezelfde technieken als bij back casting. Zie over (de geschiktheid van) deze technieken uitgebreid § 8.4.3.2 sub a, en de aldaar aangehaalde literatuur.
Zie in dit verband ook § 8.4.2.3 sub e over het processuele debat ten aanzien van de door de (deskundige van de) beleggers uitgevoerde event study.
Een in de ogen van de gedaagde ‘gunstiger’ verloop van de hypothetische koerslijn betreft een verloop waarbij het verschil met de koers zoals die zich in werkelijkheid heeft gerealiseerd kleiner is, en waarbij het bedrag van de (over het tijdvak van de misleiding) gemodelleerde koersinflatie dus eveneens kleiner is.
Vgl. De Jong 2010, p. 303.
Zie hierover reeds Pijls 2009c, p. 137.
Zie over de (discretionaire) bevoedheid van de rechter tot het benoemen van een deskundige uitgebreid De Groot 2012, p. 3-12.
Zie onder meer HR 6 december 2002, NJ 2003/63 (Goedèl R.A./Arts q.q.); HR 8 oktober 2004, NJ 2006/478, m.nt. J. Hijma (Van de Kamp Makelaardij B.V./Van der Veer Beleggingen B.V.); HR 20 mei 2005, JA 2005/65, m.nt. M.S.A. Vegter (X/Y); HR 9 september 2005, NJ 2006/619 (Navcom N.V./Philips Nederland N.V.); HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3256 (Prepaid Cards BVBA e.a./Gnanam Telecom Center B.V. e.a.); HR 11 juli 2008, NJ 2008/401 (Restrepo/Thiel Corporation N.V.); HR 9 januari 2009, NJ 2011/252, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Landskroon/Van Egteren B.V.); HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654 (X/Achmea Schadeverzekeringen N.V.), r.o. 3.4.1.
Zie over de rechterlijke vrijheid in het kader van de schadebegroting reeds § 1.2.2, en de aldaar aangehaalde rechtspraak en literatuur.
Wel teken ik hierbij aan dat volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter ‘bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen (…) zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking dient te nemen en (…) op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang dient te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken’. Zie HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5172 (X/Interpolis Schade e.a.), r.o. 3.6; HR 8 juli 2011, NJ 2011/311 (Stichting/Van Steenbergen), r.o. 3.4.3; HR 9 december 2011, NJ 2011/599 (X en Y/Stichting Flevoziekenhuis), r.o. 3.4.5; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279 (X en Y/Goedvast Vastgoed BV), r.o. 3.4.3.
Zie over de (motivering van de) beslissing van de rechter in de procedure na deskundigenbericht uitgebreid De Groot 2012, p. 70-79.
Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. De reikwijdte van deze (beperkte) motiveringsplicht is volgens de Hoge Raad afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren, aldus HR 5 december 2003, NJ 2004/74 (Stichting Nieuw Vredenburgh/Nieuwe Hollandsche Lloyd Schadeverzekering Maatschappij NV), r.o. 3.5. Zie over dit arrest ook Akkermans & De Groot 2007, p. 508-509.
Aldus HR 5 december 2003, NJ 2004/74 (Stichting Nieuw Vredenburgh/Nieuwe Hollandsche Lloyd Schadeverzekering Maatschappij NV), r.o. 3.6; HR 8 juli 2011, NJ 2011/311 (Stichting/Van Steenbergen), r.o. 3.4.3; HR 9 december 2011, NJ 2011/599 (X en Y/Stichting Flevoziekenhuis), r.o. 3.4.5; HR 3 mei 2013, JA 2013/99 (X/Stichting Ziekenverpleging Aruba), r.o. 3.6
Idem.
Ik wijs er nog op dat volgens vaste rechtspraak geldt dat wanneer de rechter beslist de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet te volgen, ‘in beginsel de gewone motiveringseisen [gelden] en (…) hij zijn oordeel dan (…) [derhalve] van een zodanige motivering [dient] te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken’ (toevoegingen ACWP). Zie HR 5 december 2003, NJ 2004/74 (Stichting Nieuw Vredenburgh/Nieuwe Hollandsche Lloyd Schadeverzekering Maatschappij NV), r.o. 3.6 en HR 9 december 2011, NJ 2011/599 (X en Y/Stichting Flevoziekenhuis), r.o. 3.4.5.
Zie over de bevoegdheid van de rechter om de schade te schatten reeds § 1.2.2, en de aldaar aangehaalde rechtspraak en literatuur.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat alvorens de rechter over kan gaan tot het schatten van de (omvang van de) koersschade, eerst moet zijn vastgesteld dat de eisende beleggers als gevolg van de misleiding überhaupt koersschade hebben geleden. Van dit laatste ben ik in deze paragraaf gemakshalve uitgegaan, zie § 9.4.4.1 begin.
Aldus HR 25 oktober 2002, NJ 2003/171, m.nt. M. Scheltema (Verhoeven e.a./Lammers e.a. en Gemeente Heeze-Leende/Lammers e. a.), r.o. 7.3; HR 13 juli 2007, NJ 2007/407 (Exploitatiemaatschappij De Oorsprong/Gemeente Utrecht), r.o. 4.1. Vgl. HR 16 oktober 1998, NJ 1999/7 (Stichting Finkenburgh/Mansum), r.o. 3.5; HR 5 december 2003, NJ 2004/74 (Stichting Nieuw Vredenburgh/Nieuwe Hollandsche Lloyd Schadeverzekering Maatschappij NV), r.o. 3.6; HR 9 december 2011, NJ 2011/599 (X en Y/Stichting Flevoziekenhuis), r.o. 3.4.5.
Vgl. in dit verband in de context van letselschade Akkermans & De Groot 2007, p. 108.
a. Inzet van de verschillende procespartijen bij het debat over de hypothetische koerslijn
Zoals besproken in hoofdstuk 8, kan bij het modelleren van de hypothetische koerslijn (en daarmee van de koersinflatie) in beginsel gebruik worden gemaakt van twee verschillende methoden: enerzijds back casting en anderzijds forward casting.1Back casting houdt kort gezegd in, dat eerst met behulp van een event study het koerseffect van de misleidende informatie wordt bepaald op het moment waarop de misleiding bekend werd en dat vervolgens het hypothetische koersverloop wordt geconstrueerd door vanaf het laatstgenoemde tijdstip terug te werken in de tijd, uitgaande van de op het moment van de bekendwording van de misleiding geobserveerde residuele koersdaling.2Forward casting houdt kort gezegd in, dat eerst de koersinflatie wordt geschat op het moment waarop de misleidende mededeling (voor de eerste keer) werd gedaan (c.q. het moment waarop de litigieuze informatie (voor de eerste keer) werd achtergehouden) en dat vervolgens het hypothetische koersverloop wordt geconstrueerd door vanaf het laatstgenoemde tijdstip vooruit te werken in de tijd, uitgaande van het bedrag van de geschatte koersinflatie toen de misleiding begon.3 In het hiernavolgende zal ik in grote lijnen iets zeggen over de inzet van de verschillende procespartijen bij het debat over (het verloop van) de hypothetische koerslijn. Ik zal toelichten dat deze inzet mede afhankelijk is van de methode die in het concrete geval wordt gebruikt om de hypothetische koerslijn te construeren.
1. Inzet van de verschillende procespartijen bij het modelleren van de hypothetische koerslijn aan de hand van back casting
Wanneer de eisende beleggers ervoor kiezen om bij het modelleren van de hypothetische koerslijn gebruik te maken van back casting, zullen zij in de eerste plaats proberen een zo groot mogelijke residuele koersdaling aannemelijk te maken op het moment waarop de misleiding (officieel) bekend werd. Het laatstgenoemde tijdstip vormt bij back casting immers het startpunt van waaruit wordt teruggewerkt in de tijd, waardoor de (residuele) koersdaling die op dat moment werd geobserveerd het fundament legt voor (de omvang van) de over het tijdvak van de misleiding gemodelleerde koersinflatie. De gedaagde zal daarentegen inzetten op een zo klein mogelijke residuele koersdaling. Overigens teken ik hierbij wel aan dat het in de praktijk meestal zo zal zijn dat de discussie over de hier bedoelde (residuele) koersdaling al grotendeels is gevoerd in het kader van het processuele debat over het causaal verband tussen de misleiding en de door belegger gestelde koersschade c.q. het debat over het bestaan van (rechtens relevante) koersschade. Ik verwijs naar mijn analyse in § 9.4.2.3.
Is het bedrag van de residuele koersdaling op het moment van de officiële bekendwording van de misleiding in het processuele debat eenmaal komen vast te staan, dan zullen de eisende beleggers vervolgens proberen een zodanig verloop van de hypothetische koerslijn te bepleiten dat het bedrag van de gemodelleerde koersinflatie over het tijdvak van de misleiding zoveel mogelijk afneemt,4 waarbij deze afname op haar beurt wordt veroorzaakt door het feit dat de misleiding geleidelijk bekend wordt5 (en niet door het feit dat – onder invloed van externe factoren – de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, en/of het feit dat de inhoud van de misleidende informatie over dit tijdvak zodanig wijzigt dat de informatie gaandeweg minder misleidend wordt).6 In geval van back casting is bij een dergelijk verloop van de hypothetische koerslijn de kans namelijk het grootst dat zij een zo groot mogelijke schadevergoeding zullen ontvangen. Dit geldt zowel voor de beleggers die hun aandelen tot ten minste na de officiële corrigerende mededeling hebben aangehouden, als voor de beleggers die al hun aandelen reeds voordien hebben verkocht. Voor de eerstgenoemde beleggers is dit zo, omdat naarmate de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding meer afneemt, dit bij het modelleren van de hypothetische koerslijn aan de hand van back casting betekent dat zij toen zij het litigieuze aandeel kochten, een groter bedrag aan koersinflatie hebben betaald (voor de beleggers die het aandeel eerder in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht, geldt dit overigens in sterkere mate dan voor de beleggers die het aandeel op een later tijdstip hebben gekocht). En omdat in de situatie waarin deze afnemende koersinflatie wordt veroorzaakt door een geleidelijke bekendwording van de misleiding de rechtens toerekenbare schade in beginsel niet is beperkt tot het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de officiële bekendwording van de misleiding, impliceert een groter bedrag aan betaalde koersinflatie op het moment van aankoop in beginsel dus een groter bedrag aan schadevergoeding.7
Dat ook de beleggers die al hun aandelen tussentijds hebben verkocht belang hebben bij een zodanig verloop van de hypothetische koerslijn dat het bedrag van de gemodelleerde koersinflatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, waarbij deze afname op haar beurt wordt veroorzaakt door een geleidelijke bekendwording van de misleiding (en niet door een over het tijdvak van de misleiding afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een over dit tijdvak veranderende inhoud van de misleidende informatie), is omdat dit in beginsel het enige scenario is waarin deze groep beleggers überhaupt recht heeft op schadevergoeding.8 De rechtens toerekenbare schade van de tussentijdse verkopers is immers gelijk aan het bedrag waarmee de koersinflatie tussen het tijdstip van aankoop en het tijdstip van verkoop afneemt, voor zover deze afname niet is terug te voeren op een (onder invloed van externe factoren) afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een veranderende inhoud van de misleidende informatie.9
Bij het modelleren van (het verloop van) de hypothetische koerslijn aan de hand van back casting, zal de gedaagde daarentegen in beginsel inzetten op een zodanig verloop dat het bedrag van de gemodelleerde koersinflatie over het tijdvak van de misleiding zoveel mogelijk toeneemt.10,11 I n geval van back casting is bij een dergelijk verloop van de hypothetische koerslijn de kans namelijk het grootst dat hij een zo klein mogelijke schadevergoeding hoeft te betalen. Immers, naarmate de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding meer toeneemt, betekent dit bij back casting dat alle beleggers die tijdens het tijdvak van de misleiding een of meer aandelen hebben gekocht, een kleiner bedrag aan koersinflatie hebben betaald (voor de beleggers die het litigieuze aandeel eerder in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht, geldt dit overigens in sterkere mate dan voor de beleggers die het aandeel op een later tijdstip hebben gekocht), waardoor zij dus recht hebben op een kleiner bedrag aan schadevergoeding.
2. Inzet van de verschillende procespartijen bij het modelleren van de hypothetische koerslijn aan de hand van forward casting
Wordt bij het modelleren van (het verloop van) de hypothetische koerslijn daarentegen gebruik gemaakt van forward casting, dan zullen de eisende beleggers in de eerste plaats proberen een zo groot mogelijk koerseffect van de misleidende informatie aannemelijk te maken op het moment waarop de misleidende mededeling voor de eerste keer werd gedaan (c.q. het moment waarop de litigieuze informatie voor de eerste keer werd achtergehouden). Het laatstgenoemde tijdstip vormt bij forward casting immers het startpunt van waaruit wordt vooruitgewerkt in de tijd, waardoor het koerseffect van de misleiding toen de misleiding begon, het fundament legt voor (de omvang van) de over het tijdvak van de misleiding gemodelleerde koersinflatie. De gedaagde zal daarentegen inzetten op een zo klein mogelijk koerseffect van de misleidende informatie.
Is (de omvang van) het koerseffect van de misleidende informatie toen de misleiding begon in het processuele debat eenmaal komen vast te staan, dan zullen de eisende beleggers (althans, degenen die al hun aandelen tot ten minste na de officiële corrigerende mededeling hebben aangehouden) vervolgens proberen een zodanig verloop van de hypothetische koerslijn te bepleiten dat het bedrag van de gemodelleerde koersinflatie over het tijdvak van de misleiding zoveel mogelijk toeneemt.12,13 In geval van forward casting is bij een dergelijk verloop van de hypothetische koerslijn de kans namelijk het grootst dat zij een zo groot mogelijke schadevergoeding zullen ontvangen. Immers, naarmate de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding meer toeneemt, betekent dit bij forward casting dat de beleggers die tijdens het tijdvak van de misleiding een of meer aandelen hebben gekocht, een groter bedrag aan koersinflatie hebben betaald (voor de beleggers die het litigieuze aandeel later in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht, geldt dit overigens in sterkere mate dan voor de beleggers die het aandeel op een eerder tijdstip hebben gekocht), waardoor zij dus in beginsel recht hebben op een groter bedrag aan schadevergoeding.
Bij het modelleren van (het verloop van) de hypothetische koerslijn aan de hand van forward casting, zullen de beleggers die al hun aandelen vóór de officiële corrigerende mededeling weer hebben verkocht daarentegen een zodanig verloop proberen te bepleiten dat het bedrag van de gemodelleerde koersinflatie over het tijdvak van de misleiding zoveel mogelijk afneemt,14 en waarbij deze afname op haar beurt wordt veroorzaakt door een geleidelijke bekendwording van de misleiding15 (en niet door een over het tijdvak van de misleiding afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een over dit tijdvak veranderende inhoud van de misleidende informatie). Dit is in beginsel namelijk het enige scenario waarin deze groep beleggers überhaupt recht heeft op schadevergoeding. Ik verwijs naar mijn bespreking van de procespositie van de tussentijdse verkopers hierboven sub 1.
De gedaagde zal bij forward casting op zijn beurt in beginsel inzetten op een zodanig verloop van de hypothetische koerslijn dat het bedrag van de gemodelleerde koersinflatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, en waarbij deze afname op haar beurt wordt veroorzaakt door een over het tijdvak van de misleiding afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een over dit tijdvak veranderende inhoud van de misleidende informatie (en niet door een geleidelijke bekendwording van de misleiding). In geval van forward casting is bij een dergelijk verloop van de hypothetische koerslijn de kans namelijk het grootst dat hij een zo klein mogelijke schadevergoeding hoeft te betalen. Dit om twee redenen (die overigens in elkaars verlengde liggen). In de eerste plaats geldt bij forward casting dat naarmate de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding meer afneemt, alle beleggers die tijdens het tijdvak van de misleiding een of meer aandelen hebben gekocht, een kleiner bedrag aan koersinflatie hebben betaald (voor de beleggers die het litigieuze aandeel later in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht, geldt dit overigens in sterkere mate dan voor de beleggers die het aandeel op een eerder tijdstip hebben gekocht), waardoor de feitelijk geleden koersschade per individuele belegger dus eveneens afneemt. Daar komt bij – en dat is denk ik de belangrijkste reden – dat naarmate de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding meer afneemt, dit bij forward casting betekent dat het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de officiële bekendwording van de misleiding eveneens afneemt. Nu breng ik even in herinnering dat in de situatie waarin deze afnemende koersinflatie wordt veroorzaakt door een over het tijdvak van de misleiding afnemende marktwaarde van de misleidende informatie en/of een over dit tijdvak veranderende inhoud van de misleidende informatie, de rechtens toerekenbare schade in beginsel is beperkt tot het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de officiële bekendwording van de misleiding.16 Dat betekent dus dat naarmate de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding meer afneemt, de rechtens toerekenbare schade dan eveneens afneemt.
b. De bewijswaardering van het door de beleggers bepleite hypothetische koersverloop en de procespositie van de gedaagde
Bij het construeren van de hypothetische koerslijn zullen (in het kader van de methodologie) bepaalde keuzes moeten worden gemaakt, en bepaalde aannames en/of veronderstellingen moeten worden gedaan. Deze keuzes en aannames/veronderstellingen (en de daaruit voortvloeiende onzekerheden) kunnen in het processuele debat een belangrijke rol spelen bij de bewijswaardering door de rechter van het door de beleggers bepleite hypothetische koersverloop.17 In deze subparagraaf bespreek ik een aantal relevante aspecten die in het kader van deze bewijswaardering ter discussie kunnen staan. Hierbij bespreek ik achtereenvolgens de bewijswaardering van het door de eisende beleggers bepleite hypothetische koersverloop bij gebruikmaking van back casting (sub 1), en de bewijswaardering van het hypothetische koersverloop bij gebruikmaking van forward casting (sub 2).
Ik heb hierbij nog twee opmerkingen vooraf. In de eerste plaats wijs ik erop dat de gedaagde aan de hierna te bespreken (voor de bewijswaardering relevante) discussiepunten verweren kan ontlenen ter betwisting van de door de beleggers gestelde (omvang van de) koersschade.18 In de tweede plaats merk ik op dat de eisen die aan het bewijs van de hypothetische koerslijn worden gesteld niet al te streng kunnen zijn.19 Het gaat hier immers om het bewijs van ‘feiten’ die zich in een (niet-bestaande) hypothetische situatie zouden hebben voorgedaan, en dergelijke feiten kunnen onmogelijk met honderd procent zekerheid worden vastgesteld.20 Daarom is algemeen aanvaard dat voldoende is dat dergelijke feiten met een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ komen vast te staan.21 Vertaald naar het hier bedoelde bewijsvraagstuk betekent dit mijns inziens dat voor de door de beleggers aannemelijk te maken hypothetische koerslijn als maatstaf kan worden gehanteerd het ‘redelijk te achten koersverloop’.22
1. De bewijswaardering van het bepleite hypothetische koersverloop bij gebruikmaking van back casting
Wanneer de eisende beleggers ervoor kiezen om bij het modelleren van de hypothetische koerslijn gebruik te maken van back casting, zullen in het kader van de bewijswaardering de volgende punten ter discussie staan:
i. In de eerste plaats zal de discussie zich richten op de (geschiktheid van de) methode van back casting als zodanig. Aan back casting kleven immers verschillende bezwaren die ervoor kunnen zorgen dat deze methode onder de gegeven omstandigheden ongeschikt is.23 Het construeren van de hypothetische koerslijn aan de hand van forward casting verdient dan wellicht de voorkeur.24
ii. In de tweede plaats zal de (uitkomst van de) event study ter discussie staan die is uitgevoerd om de residuele koersdaling te bepalen die intrad toen de misleiding naar buiten kwam.25,26 Bij het construeren van de hypothetische koerslijn met behulp van back casting legt de laatstgenoemde koersdaling immers het fundament voor (de omvang van) de over het tijdvak van de misleiding gemodelleerde koersinflatie (zie in dit verband ook reeds hierboven sub a). Weet de gedaagde de (omvang van de) door de beleggers gestelde koersdaling voldoende gemotiveerd te betwisten, dan zal de over het tijdvak van de misleiding gemodelleerde koersinflatie dus in beginsel kleiner zijn dan de koersinflatie zoals die volgt uit de door de beleggers aannemelijk gemaakte hypothetische koerslijn.27
iii. In de derde plaats zal de discussie gaan over de wijze waarop de over de event period geobserveerde residuele koersdaling moet worden getransformeerd naar een maatstaf voor de koersinflatie. Bij deze transformatie speelt in de praktijk namelijk vaak het probleem dat onduidelijk is of het geobserveerde abnormale rendement moet worden gerelateerd aan de beurskoers aan het begin van de event period, dan wel aan de beurskoers aan het eind van de event period.28 Deze onduidelijkheid hangt samen met het feit dat niet zelden onzeker is in welke volgorde de relevante gebeurtenissen zich tijdens de event period hebben voltrokken. Heeft eerst de bekendwording van de misleiding de koers beïnvloed, en hebben pas daarna macro-economische en/of sectorspecifieke ontwikkelingen hun weerslag gehad op de koers, of – andersom – hebben juist eerst de laatstgenoemde ontwikkelingen de koers beïnvloed en heeft pas daarna de bekendwording van de misleiding haar weerslag gehad op de koers?
iv. Verder zal het debat zich richten op de vraag welke back casting-techniek in het concrete geval het meest geschikt is om het verloop van de hypothetische koerslijn te modelleren, en welke veronderstellingen in dat verband al dan niet mogen worden gehanteerd. Drie technieken die men in de praktijk vaak tegenkomt zijn: (i) de constant dollar method, (ii) de constant percentage method, en (iii) de index method.29 Zoals uitgelegd in hoofdstuk 8, hangt de al dan niet geschiktheid van een bepaalde techniek af van de aard van de misleidende informatie en haar effect op de verwachte door de vennootschap (in de toekomst) te genereren netto-kasstromen30 (en daarmee van haar effect op de waarde van de onderneming).31
2. De bewijswaardering van het bepleite hypothetische koersverloop bij gebruikmaking van forward casting
Wordt bij het modelleren van de hypothetische koerslijn daarentegen gebruik gemaakt van forward casting, dan zullen in het kader van de bewijswaardering de volgende punten ter discussie staan:
i. In de eerste plaats zal de discussie zich richten op de (geschiktheid van de) methode van forward casting als zodanig. Het construeren van de hypothetische koerslijn met behulp van forward casting heeft immers een aantal nadelen die ervoor kunnen zorgen dat deze methode onder de gegeven omstandigheden ongeschikt is.32 Het construeren van de hypothetische koerslijn aan de hand van back casting verdient dan wellicht de voorkeur.
ii. In de tweede plaats zal de discussie gaan over de wijze waarop het koerseffect van de misleidende informatie wordt bepaald op het moment waarop de misleiding begon. Bij het construeren van de hypothetische koerslijn met behulp van forward casting legt dit koerseffect immers het fundament voor (de omvang van) de over het tijdvak van de misleiding gemodelleerde koersinflatie (zie in dit verband ook reeds hierboven sub a). Is bij het schatten van de koersinflatie op het moment waarop de misleiding begon gebruik gemaakt van een event study, dan zullen alle aannames en veronderstellingen die aan deze event study ten grondslag liggen, en alle keuzes die in dat verband zijn gemaakt, in het processuele debat ter discussie staan.33 Is bij het schatten van de koersinflatie daarentegen gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘earnings response coefficient’ (‘ERC’), dan zullen op hun beurt alle keuzes, aannames en veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de gehanteerde ERC-methode ter discussie staan.34,35 Kwesties die daarbij aan de orde kunnen komen, zijn onder meer de methodologie die is gevolgd om de desbetreffende ERC te schatten, en de wijze waarop de (hypothetische) earnings surprise is bepaald waarmee de markt bij afwezigheid van de misleiding zou zijn geconfronteerd. En voor zover de misleiding bestond uit verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen en/of omissies, en om die reden bij het schatten van de koersinflatie tevens gebruik is gemaakt van een zogenoemde ‘analyst forecast revision coefficient’ (‘AFRC’), zal ook de wijze waarop deze AFRC is geschat ter discussie staan.36 Weet de gedaagde in het kader van het hier bedoelde debat (de omvang van) het door de beleggers gestelde koerseffect van de misleidende informatie toen de misleiding begon voldoende gemotiveerd te betwisten, dan zal de over het tijdvak van de misleiding gemodelleerde koersinflatie in beginsel kleiner zijn dan de koersinflatie zoals die volgt uit de door de beleggers aannemelijk gemaakte hypothetische koerslijn.
iii. Verder zal het debat zich richten op de vraag welke forward casting-techniek in het concrete geval het meest geschikt is om het verloop van de hypothetische koerslijn te modelleren, en welke veronderstellingen in dat verband al dan niet mogen worden gehanteerd.37
c. ‘Battle of experts’ en het vaststellen van de koersinflatie aan de hand van de voorlichting door een onafhankelijke deskundige
Ik wijs erop dat de processtrategie van de gedaagde zich doorgaans niet zal beperken tot het betwisten van (de keuzes, veronderstellingen en methodologie die ten grondslag liggen aan) het door de beleggers bepleite hypothetische koersverloop.38 Meestal zal deze strategie er mede uit bestaan dat hij een eigen deskundigenbericht overlegt waaruit blijkt dat de koers zich in de hypothetische situatie zonder misleiding anders (in de ogen van de gedaagde uiteraard gunstiger)39 zou hebben ontwikkeld dan zoals bepleit door de (deskundige van de) beleggers.40 Het uiteindelijke resultaat is dan dat er twee (op het eerste gezicht niet ongeloofwaardig te achten) deskundigenberichten aan de rechter worden voorgelegd die beide tot een verschillende uitkomst leiden ten aanzien van het bedrag van de (over het tijdvak van de misleiding) gemodelleerde koersinflatie.41 Het processuele debat dreigt daarmee uit te draaien op een ware ‘battle of experts’. Om deze battle te kunnen beslechten, doet de rechter er verstandig aan om (al dan niet op verzoek van (één der) partijen) een onafhankelijke deskundige te benoemen (zie art. 194 Rv).42 Hiertoe is de rechter echter niet verplicht. Volgens vaste rechtspraak geldt immers dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is overgelaten of hij al dan niet deskundigenadvies wenst in te winnen.43 Bij dit oordeel komt hem een grote mate van vrijheid toe. Daar komt nog bij dat (volgens vaste rechtspraak geldt dat) de wijze van schadebegroting sterk met de feiten is verweven, en deze in zoverre in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst, waardoor de rechter ook vanuit dit oogpunt de nodige vrijheid heeft al dan niet een deskundige te benoemen.44
Gaat de rechter er vervolgens inderdaad toe over een onafhankelijke deskundige te benoemen, dan zal deze deskundige worden gevraagd het verloop van de hypothetische koerslijn zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Slaagt hij daarin (of althans, slaagt hij daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid), dan kan de rechter (het verloop van) de koersinflatie in beginsel vaststellen op het bedrag zoals dat volgt uit de aldus verkregen hypothetische koerslijn.45, 46 Al naar gelang het tijdstip van aankoop kan daarna voor iedere benadeelde belegger worden bepaald welk bedrag aan koersinflatie hij (te veel) heeft betaald. Hierbij teken ik aan dat in geval van elkaar tegensprekende (partij-)deskundigenberichten de rechter zijn beslissing om het deskundigenbericht van de door hem benoemde deskundige te volgen, slechts beperkt hoeft te motiveren.47 De rechter kan in principe volstaan met de motivering dat de conclusies en onderbouwing van (het deskundigenbericht van) de laatstgenoemde deskundige hem overtuigend voorkomen.48 Dit geldt in het bijzonder wanneer de motivering van deze deskundige vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van (één van de) partijen tegen de zienswijze van de door hem benoemde deskundige, als die bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting vormen van de juistheid van de zienswijze van de deskundige.49,50
Slaagt de door de rechter benoemde deskundige er daarentegen niet in om de hypothetische koerslijn met een redelijke mate van waarschijnlijkheid in kaart te brengen, dan komt de bevoegdheid van de rechter in beeld om over te gaan tot een schadebegroting ex aequo et bono.51 In dat geval volgt uit de rapportage van de deskundige immers dat (het verloop van) de koersinflatie niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, waardoor de rechter op grond van art. 6:97 BW de vrijheid heeft de (omvang van de) koersschade te schatten.52 Wel moet hierbij worden opgemerkt dat ook wanneer de koersschade wordt geschat, uiteraard onverkort geldt dat de rechter zijn beslissing zodanig moet motiveren dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden – daaronder begrepen de hogere rechter – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.53 Overigens zal de rechter zijn bevoegdheid om de schade te schatten doorgaans niet al te snel willen aanwenden. Hij zal zich pas vrij voelen de stellingen van partijen over het verloop van de koers in de hypothetische situatie zonder misleiding op basis van een eigen inschatting te beoordelen, als uit de rapportage van de onafhankelijke deskundige expliciet blijkt dat er in het dossier geen redelijke aanknopingspunten voor (het construeren van) de hypothetische koerslijn voorhanden zijn.54 Het enkele feit dat het deskundigenbericht op dit punt geen uitsluitsel biedt, hoeft dus geenszins te betekenen dat het (laten) opstellen ervan daarmee voor niets is geweest.