Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/2.1.2
2.1.2 Het ontwerp 1824 en de wet 1825
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS458816:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.H.A. Lokin & W.J. Zwalve, Hoofdstukken uit de Europese codificatiegeschiedenis, WoltersNoordhof/Egbert Forsten Groningen 1992, p. 286.
Het ontwerp dateert van 21 oktober 1824 en de uiteindelijke tekst is in 1825 wet geworden (zie ook Blommestein, p30). Dit BW kent verschillende boeken die allen beginnen met artikel 1, dus conform de nummering van het huidige BW. Het vierde boek is genaamd 'Van bewijs en verjaring', de eerste titel daarvan heet 'van bewijs in het algemeen' en de tweede titel 'van schriftelijk bewijs'. In die tweede titel staan de geciteerde art. 19 en 24. De eerste titel van boek 4 is gepubliceerd in Stb 1825, nr. 32, de tweede titel is gepubliceerd in Stb 1825, nr. 33.
J.J.F. Noordziek, Geschiedenis der beraadslagingen gevoerd in de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het ontwerp van Burgerlijk Wetboek onder toezigt der Commissie voor de huishoudelijke aangelegenheden der Tweede Kamer, Zittingjaar 1824-1825, Den Haag, Martinus Nijhoff 1878, p. 713. Op p. 723-724 van genoemd boek is bij de antwoorden op de aanmerkingen der Afdelingen het volgende te vinden: 'V. Men heeft in eenige Afdeelingen het als eene hardheid aangemerkt, dat men bewijsstukken in den boezem van zijne wederpartij kan zoeken.A. Men heeft deze bepaling als hoogst zedelijk en billijk beschouwd, omdat dezelve strekt tot ontdekking der waarheid. Indien toch eene der partijen een stuk in haar bezit heeft, waaruit de wederpartij haar regt of de voldoening eener verbindtenis kan bewijzen, dan moet dat stuk gehouden worden, wat het gebruik daarvan betreft, aan beide partijen gemeen te zijn; en daaruit volgt dat de wet op zeer goede gronden het te berde brengen van zoodanige stukken kan bevelen. Indien de regel kon doorgaan, dat niemand kan worden genoodzaakt om een stuk te zijnen nadeele te berde te brengen, dan zoude ook het heilzaam middel, om op feiten en artikelen te hooren, moeten vervallen, omdat ook in dat geval de partij genoodzaakt wordt tegen haar zelve te getuigen. Overigens is de redactie van dit lid, door het inroepen van des regters tusschenkomst, in den geest ééner Afdeeling, veranderd geworden.'.
Van Blommestein, p. 31.
Cursivering door Van Blommestein.
De heersende opvatting in de Kamer na 1820 bleef dat de nog steeds geldende Code Civil moest worden vervangen, zodat het wetgevingswerk werd voortgezet.1 In het ontwerp-BW van 1824 werden twee inzage-artikelen voorgesteld en wel art. 19 en 24 die als volgt luidden.2
Art. 19. In eiken stand van het geding, kan de eene partij van de andere vorderen, dat dezelve onder eede die stukken overlegge, welke onder hare berusting zijn en de zaak in geschil betreffen.
Indien het, in de loop van een geding, uitgemaakt is, dat eene der partijen een blijkbaar belang heeft bij de overlegging van eenen titel, welke in bezit van eenen derde is, zal deze, op bevel des regters, gehouden zijn om van dat stuk inzage te geven, en een afschrift, of uittreksel daarvan te laten nemen, naar den vorm, welke bij het wetboek van burgerlijke regtspleging is voorgeschreven.
Art. 24. Wanneer een en dezelfde titel tusschen verscheidene personen gemeen is, kan men vorderen, dat dezelve op eene derde plaats worde in bewaring gegeven.
In de aantekeningen van Daam Fockema zoals vermeld in Noordziek3 is over art. 19 het volgende te vinden:
`Hier zijn eenige wetsbepalingen betrekkelijk den eisch: de edende; doch de laatste alinea is mij al te onbepaald voorgekomen. Het regt van te vorderen de overlegging van alle stukken, welke onder partij berustende zijn en de zaak in geschil betreffen, en zulks onder eede, kan een gemoedelijk mensch in groote verlegenheid brengen, en eenen kwaadwilligen pleiter teveel steunen. Ik zoude althans noodig achten, dat de vordering vergezeld ga van eene oppervlakkige aanduiding van de soort der gevorderde bescheiden, en de regter de bevoegdheid hebbe, om die vordering naar bevind van zaken te matigen, voor zoo verre de bescheiden niet gemeenschappelijk zijn, of zoodanige, waarop deze partij zelve zich regtstreeks of van ter zijde beroept. Het zouden misschien ook niet ongepast zijn te bepalen:
le dat elk belanghebbende bevoegd is te vorderen, dat een gemeenschappelijk bescheid in bewaring van eenen openbaren ambtenaar worde gesteld; voorbehoudens dat de regter in bijzondere gevallen kan bevelen, indien het een meer algemeen stuk betreft, dat de bezitter een uittreksel daarvan, vergeleken in den vereischten vorm, ten koste van den eischer afgeve, met verklaring dat het oorspronkelijke onder hem berustende is; ... r dat elk die aantoont eenig belang te hebben, in eigen naam, of als erfgenaam, of bijzonder regtverkrijger, in zekere acte in de registers van eenen publieken ambtenaar opgenomen, bevoegd is daarvan afschriften of uittreksels te vragen ten zijnen koste.'
De artikelen zoals uiteindelijk geplaatst in Stb 1825, no. 33 luidden als volgt.
Art. 19 In eiken stand van het geding, kan de eene partij aan den regter verzoeken dat de wederpartij worde bevolen, om onder eede die stukken over te leggen, welke onder hare berusting zijn en de zaak in geschil betreffen.
Indien het, in den loop van een geding, uitgemaakt is, dat eene der partijen een blijkbaar belang heeft bij de overlegging van eenen titel, welke in het bezit van eenen derde is, zal deze, op bevel des regters, gehouden zijn om van dat stuk inzage te geven, en een afschrift, of uittreksel daarvan te laten nemen, naar den vorm, welke bij het wetboek van burgerlijke regtspleging is voorgeschreven.
Art. 24. Wanneer een en dezelfde titel tusschen verscheidene personen gemeen is, kan men vorderen, dat dezelve op eene derde plaats worde in bewaring gegeven.
Een opvallend verschil tussen art. 3344 van het ontwerp 1820 en art. 24 van de wet van 1825 is dat het eerste spreekt over `regt van eigendom of mede-eigendom op een geschrift' terwijl art. 24 spreekt over 'een ... titel tusschen verscheidene personen gemeen'. Volgens Van Blommestein4 is met deze andere woorden ook een inhoudelijke wijziging beoogd, in die zin dat de vraag wie de eigenaar van het stuk is, met de regeling van art. 24 van geen belang is. Ter motivering wijst hij op het volgende antwoord van de regering, gegeven bij art. 19: 'Indien toch eene der partijen een stuk in haar bezit heeft waaruit de wederpartij haar recht of de voldoening eener verbintenis kan bewijzen, dan moet dat stuk gehouden worden, wat het gebruik daarvan betreft aan beide partijen gemeen te zijn.'5
Het lijkt mij dat uit deze woorden inderdaad de conclusie mag worden getrokken dat met 'gemeen' op deze plaats niet 'gemeenschappelijke eigendom' wordt bedoeld. Vertaald naar hedendaagse opvattingen lijkt hier bedoeld te zijn 'bewijsrechtelijk van belang is'.