Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/2.1.3
2.1.3 De artikelen 1932 en 1937 BW-1830
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS452758:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de hemummeringen in die tijd F.J. Femhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken, prfs 2004, p. 8, o.a. noten 7 en 8 en p. 12, o.a. noot 26. In het van genoemde schrijver in de serie Recht en Praktijk uitgekomen boek met dezelfde titel is dit vermeld op p. 8 en p. 10.
Th.B. Ten Kate, Het request-civiel, J.B. Wolters/Groningen 1962, p. 147 e.v. en 273 e.v. Zie ook Cassatie in burgerlijke zaken, D.J. Vegens, derde druk bewerkt door E. Korthals Altes en H.A. Groen, Tjeenk Willink Zwolle 1989, p. 108. In die Ordonnantie (de Code Louis) was titel XXXV, bestaande uit 42 artikelen aan het request civiel gewijd. Art. 12 luidde als volgt: Si les lettres en forme de requête civile contre les arrêts ou jugements en dernier ressort, ... sont fondées sur pièces fausses ou sur pièces nouvellement recouvrées qui etoient retenues ou détournées par le fait de la partie adverse, le temps d'obtenir et faire signifier les lettres ou requêtes, ne courra que du jour que la fausseté oá les pièces auront été découvertes, ...'. Art. 34 luidde als volgt: Ne seront regues autres ouvertures de requêtes civiles, á l'égard des majeurs, que le dol personnel, si la procédure par nous ordonnée n' a point été suivie; s'il a été prononcé sur choses non demandées ou non contestée; ... 11 ya aura pareillement ouverture de requête civile, ou s'il y a des pièces décisives nouvellement recouvrées et retenues par le fait de la partie.'.
Gepubliceerd in Stb. 1828, nr. 25, als achtste titel. Art. 1 luidt, voor zover van belang: De vonnissen op tegenspraak in het laatste ressort gewezen, ... kunnen herroepen worden, ... om de volgende redenen: ...8°. Indien men na het vonnis stukken van een belissenden (typefout in het Staatsblad) aard nader in handen heeft bekomen, welke door toedoen van de wederpartij waren achter gehouden.
Het betreft hier het Ontwerp en memorie van toelichting 'Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering' uitgegeven onder toezicht van A.A. De Pinto in twee delen (Den Haag 1865-1867). Zie over dit nimmer ingediende ontwerp uitgebreider C.H. van Rhee, Ons tegenwoordig sukkelproces. Nederlandse opvattingen over de toekomst van het burgerlijk procesrecht rond 1920, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 2000, p. 331-346.
Niemand hoeft bewijs tegen zich zelf aan te dragen (ook nemo tenetur edere contre se of nemo tenetur armare adversarium contra se).
Aldus Ligtenberg op p. 68-69.
Tussen 1825 en 1830 is er nog een aantal wijzingen aangebracht in de al vastgestelde tekst van het BW. De in 1825 vastgestelde teksten van art. 19 en 24 zijn echter ongeschonden gebleven, behalve dan dat in art. 19 de verwijzing naar het 'wetboek van burgerlijke rechtspleging' is veranderd in een verwijzing naar het 'wetboek van burgerlijke regtsvordering'.
Het BW lag voor invoering gereed, en bij KB van 5 juli 1830, Stb no. 41 werd de invoering van (onder andere) het BW bepaald op het moment van de klokslag van middernacht tussen de laatste dag van januari 1831 en de eerste dag van februari 1831. Kort daarvoor was nog wel bij wet van 16 mei 1829, Stb 1829, no. 33 in art. 1 lid 7 bepaald dat ieder wetboek van het Koninkrijk (dus ook het BW) in een doorlopende reeks van artikelen zou worden vervat.1 Door de uitvoering van deze wet werd het vastgestelde art. 19 vernummerd tot art. 1932 BW en art. 24 werd vernummerd tot art. 1937 BW. De betreffende artikelen luidden als volgt.
Art. 1932 1. In eiken stand van het geding kan de eene partij aan den regter verzoeken, dat de wederpartij worde bevolen, om onder eede die stukken over te leggen, welke onder hare berusting zijn, en de zaak in geschil betreffen.
2. Indien het, in den loop van een geding, uitgemaakt is, dat eene der partijen een blijkbaar belang heeft bij de overlegging van eenen titel, welke in het bezit van eenen derde is, zal deze, op bevel des regters, gehouden zijn om van dat stuk inzage te geven, en een afschrift of uittreksel daarvan te laten nemen, naar den vorm, welke bij het wetboek van burgerlijke regtsvordering is voorgeschreven.
Art. 1937 Wanneer een en dezelfde titel tusschen verscheidene personen gemeen is, kan men vorderen, dat dezelve op eene derde plaats worde in bewaring gegeven.
Opvallend in de tekst van art. 1932 BW is dat er eigenlijk nauwelijks een beperking in te vinden is in die zin dat elke partij die blijkbaar een belang heeft bij de overlegging van een titel die een derde bezit, die overlegging kan afdwingen. Een beperkingen is wel te vinden in de woorden `... in den loop van een geding', waaruit blijkt dat er wel al een procedure aanhangig moet zijn (geweest).
Interessant bij deze bepaling in het BW, is de formele bepaling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat een vonnis kan worden herroepen indien de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.2 Ten Kate schrijft dat deze grond voor herroeping uit de Ordonnantie 1667 stamt.3 Zij is, aldus Ten Kate, in weinig gewijzigde vorm via de Code de Procédure Civile terechtgekomen in de wet van 29 maart 1828.4 Gelet op de ruime wijze waarmee het inzagerecht in art. 1932 van het BW van 1830 en in art. 19 van het BW van 1825 was verwoord, ligt het voor de hand om te concluderen dat ook de herroepingsgrond in die tijd met zich bracht dat een procespartij bewijs tegen zich zelf diende aan te dragen. De herroepingsgrond zou daarmee als het ware de `postprocessuele' pendant vormen van de regeling van het inzagerecht in het toenmalige materiële burgerlijk recht. Het stond in elk geval de wetgever van het materiële recht voor ogen om een regeling te maken die diende in te houden een van rechtswege bestaande verplichting van een partij om voor of tijdens de procedure inzage te verschaffen.
De in 1825 vastgestelde tekst van het request civielartikel werd zonder commentaar bij wet van 10 mei 1837 overgenomen in art. 382 Rv en is niet gewijzigd tot 1 januari 2002, terwijl de op 1 januari 2002 in werking getreden wijziging van dit onderdeel van de herroepingsbepaling slechts redactioneel van aard is geweest. Dit betekent dat aan de hand van een historische uitleg de herroepingsgrond in art. 382 onder c Rv een ruim toepassingsgebied zou moeten hebben. Deze historie is, zo blijkt uit wat Ten Kate verder over deze herroepingsgrond schrijft, uit het oog verloren. Hij vermeldt namelijk dat in 1865 in de memorie van toelichting.5 bij dit artikel stellig is verdedigd, dat deze bepaling, gelet op de regel `nemo contra se edere cogitur',6 slechts stukken kan bedoelen die aan beide partijen gemeen zijn. Die regel zou, aldus de toelichting, algemeen gelden in het Nederlandse recht. Juist uit par. 2.1.1 en uit deze paragraaf blijkt echter dat in de ontwerpen die aan het BW van 1838 vooraf gingen, een zeer ruim recht op inzage werd neergelegd, waarbij de regel `nemo contra se edere cogitur' juist niet gold. Het lijkt er dan ook op dat de wijze waarop hier in 1865 bij een ontwerp van een Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een en ander is verdedigd, in strijd is met de historische grondslag van het request civiel. Ik wijs er hierbij ook op dat de ruime formulering van het recht op inzage in art. 19 en 24 van het BW van 1825 en in art. 1932 van dat van 1830 beter past bij het ruim geformuleerde sub 8 in het toenmalige request civielartikel dan de beperkte opvatting zoals vermeld in de toelichting van 1865.
De wetgever is niet lang bij de ruime opvatting van het recht op inzage gebleven. Al in de volgende versie van het (ontwerp) Burgerlijk Wetboek kwam een recht als hiervoor in het tweede lid verwoord, niet meer voor (zie hierna in par. 2.1.4) omdat
`... men steeds onder alle wetgevingen huiverig is geweest, om de bewijsmiddelen e domo adversarii op te zoeken, vermits de aanlegger verplicht is zijnen eisch op zich zelf te staven, en hij, bij gebreke van schriftelijk of testimoniaal bewijs, zijn toevlucht kan nemen tot den beslissenden eed, terwijl wat een derde betreft, deze wel als getuige, in een aan hem vreemd belang kan worden gehoord, doch niet behoort te worden blootgesteld om stukken, registers of papieren te berde te moeten brengen, welker openbaarmaking hem hinderlijk of onaangenaam zoude kunnen zijn. Om die reden heeft men de voorzeide wetsbepaling beperkt tot de stukken, die aan de partijen gemeen zijn.'7
Bij Koninklijk Besluit van 5 januari 1831, Stb no. 1 werd het invoeringsbesluit van 5 juli 1830, Stb no. 41 `opgeschorst, tot dat daaromtrent nader door Ons zal zijn beschikt' in verband met de 'uitgebarsten opstand in de zuidelijke gewesten'.