Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.3:5.4.3 De verhouding van het opportuniteitsbeginsel tot het klachtvereiste
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.3
5.4.3 De verhouding van het opportuniteitsbeginsel tot het klachtvereiste
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946117:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met voorgaande beschouwingen zijn de achtergrond en toepassing van het opportuniteitsbeginsel in de Nederlandse strafrechtspleging in kaart gebracht. Dit maakt het mogelijk om te bezien hoe het klachtvereiste zich verhoudt tot (de toepassing van) dit beginsel. Zowel bij het aanwijzen van klachtdelicten als bij de opportuniteitstoets spelen het algemeen belang en de waardering van (deel)belangen een rol. Om die reden wordt hierna eerst aandacht besteed aan de overeenkomsten en verschillen in de toets die de wetgever en het openbaar ministerie aanleggen bij respectievelijk het aanwijzen van klachtdelicten en het toepassen van het opportuniteitsbeginsel. Daaropvolgend gaat aandacht uit naar de vraag welke gevolgen een klacht(vereiste) heeft voor de beslissingsruimte die het opportuniteitsbeginsel met zich brengt voor het openbaar ministerie bij het nemen van een vervolgingsbeslissing.
5.4.3.1 Het onderscheid tussen de toets die de wetgever en het openbaar ministerie aanleggen5.4.3.2 De opportuniteitstoets bij reguliere delicten en klachtdelicten