Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/7.3.2.c
7.3.2.c De positie van het administratiekantoor en de certificaathouders
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS601106:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 29 juni 2006, ARO 2006/124 (Koninklijke Volkers Wessels Stevin); OK 16 september 2004, ARO 2004/123 (Euretco); OK 5 februari 2004, ARO 2004/38 (Helvoet Holding); OK 22 mei 2003, ARO 2003/92 (Infotheek Groep); OK 17 april 2003, ARO 2003/82 (Staal Bank). Alleen in OK 12 februari 2004, ARO 2004/39 (Vredenstein) verschijnt het opgeroepen administratiekantoor niet in de procedure.
Volgens Van den Ingh (1991), p. 220, bestaat door het niet verschijnen in de procedure de kans dat het administratiekantoor, indien de certificaathouders aannemelijk maken dat zij door de passiviteit van het kantoor schade hebben geleden, aansprakelijk is voor de geleden schade. Van Dort (1991), p. 211, doet daarom de suggestie om in de administratievoorwaarden op te nemen dat het administratiekantoor de certificaathouders onmiddellijk inlicht zodra er tegen haar een uitkoopprocedure aanhangig wordt gemaakt. De certificaathouders kunnen dan zelf de afweging maken om zich in de procedure te voegen. Door wel te verschijnen krijgt het administratiekantoor de beschikking over de gedingstukken en kan het – indien het dit noodzakelijk acht – alsnog verweer voeren. Daarnaast kan het door te verschijnen ook invloed uitoefenen op de keuze voor de eventueel te benoemen deskundigen. Dit laatste geldt niet als het voeren van verweer, zodat het administratiekantoor niet het risico van een kostenveroordeling loopt, zie Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 8-9. In de praktijk stelt de OK partijen echter niet in de gelegenheid om zich uit te laten over de persoon van de deskundige (§ 9.2.4 sub a). Zie uitgebreid over de positie van het administratiekantoor in een uitkoopprocedure Van den Ingh (1991), p. 219-220.
Van den Ingh (1991), p. 192.
Volgens Van den Ingh is een administratiekantoor ook beschikkingsonbevoegd indien de statuten of administratievoorwaarden niet uitdrukkelijk een vervreemdingsverbod bevatten. Dit vloeit volgens hem voort uit de titel van beheer, krachten welke het administratiekantoor de aandelen houdt, Van den Ingh (1991), p. 194.
OK 15 juli 1999 (ro. 2.2), NJ 1999/742, JOR 1999/199 (Flexovit). Evenzo Van der Vlist (1985), p. 162; Van Dort (1991), p. 211; Van den Ingh (1991), p. 222; Van Vliet (1999), p. 48; Asser/Maeijer/ Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/682. Voor de gedwongen overdracht bij de geschillenregeling geldt hetzelfde. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel merkt de minister op dat het rechterlijke vonnis de administratievoorwaarden doorbreekt, waardoor het administratiekantoor bevoegd is de aandelen over te dragen. De certificaathouders worden in dat geval niet benadeeld volgens de minister, omdat zij de prijs van de aandelen ontvangen, zie Kamerstukken II 1984-1985, 18 905, nr. 3, p. 17. Hierover ook Bulten (2011), p. 222-225; Westbroek (1985b).
Dit geldt niet voor certificaten op naam die niet met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven, hierover Van den Ingh (1991), p. 180; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/667.
Olden/Wijers (2004), p. 816, noemen het terecht omslachtig om de certificaathouders op te roepen tot omruiling van hun certificaten. Bovendien is het volgens hen regel dat zich op een dergelijke oproep weinig tot geen certificaathouders melden.
Evenzo Van den Ingh (1991), p. 220. Anders: Van Vliet (1999), p. 48, die van mening is dat de certificering van rechtswege eindigt door het toewijzend arrest.
Aldus OK 4 februari 1993, NV 1993, p. 104 (Molenschot). Evenzo Maeijer onder NJ 1990/546; Slagter (1990a), p. 234; Van den Ingh (1991), p. 222; Van Vliet (1999), p. 47. Hetzelfde geldt ten aanzien van de geschillenregeling, zie Bulten (2011), p. 142; Kamerstukken II 1984-1985, 18 905 nr. 3, p. 17.
Evenzo Van den Ingh (1991), p. 222.
OK 16 mei 1991, NJ 1992/238 (Twijnstra Gudde).
De positie van het administratiekantoor in een uitkoopprocedure is in de literatuur en in de rechtspraak enigszins onderbelicht. Welke bevoegdheden heeft het administratiekantoor bijvoorbeeld als gedaagde in de procedure en wat moet het doen bij een veroordeling tot overdracht van de door hem gehouden aandelen?
Uit de rechtspraak blijkt dat een administratiekantoor, dat als gedaagde in een uitkoopprocedure is opgeroepen, in bijna alle gevallen in de procedure verschijnt en zich refereert naar het oordeel van de OK.1 Door te verschijnen en (vooralsnog) geen verweer te voeren, voldoet het administratiekantoor aan zijn fiduciaire taak jegens de certificaathouders, maar loopt zij geen risico om in de kosten van het geding te worden veroordeeld.2 Een voordeel voor de uitkoper is bovendien dat de mogelijkheid van verzet niet meer openstaat, doordat tenminste één gedaagde is verschenen (§ 10.5.1 sub c).
Bij een toewijzend arrest veroordeelt de OK het administratiekantoor om het onbezwaarde recht op de aandelen aan de uitkoper over te dragen. De administratievoorwaarden bevatten gebruikelijk een verbod tot vervreemding van de aandelen.3 Het administratiekantoor kan daarom in beginsel geen uitvoering geven aan het gerechtelijk bevel tot overdracht.4 De uitspraak van de OK doorbreekt echter de administratievoorwaarden en rechtvaardigt het handelen van het administratiekantoor buiten zijn doelstelling.5
Toch kan het administratiekantoor de aandelen vaak niet onbezwaard overdragen, omdat deze in de meeste gevallen ingevolge art. 3:259 BW zijn bezwaard met een wettelijk pandrecht ten behoeve van de gezamenlijke certificaathouders.6
De consignatieprocedure als bedoeld in art. 2:92a/201a lid 8 en art. 2:359c lid 9 BW biedt de oplossing. Door het consigneren van de uitkoopprijs gaat het recht op de aandelen onbezwaard over op de uitkoper en komt het gezamenlijke pandrecht te rusten op het recht op uitkering uit de consignatiekas (zie uitgebreid over consignatie § 10.4). Een andere mogelijkheid is dat het administratiekantoor in overleg met de certificaathouders overgaat tot decertificering en de aandelen vervolgens overdraagt aan de uitkoper.7 De certificering eindigt naar mijn mening met de vrijwillige overdracht van de aandelen of met het consigneren van de uitkoopprijs.8
Het administratiekantoor is, op grond van haar contractuele rechtsverhouding met de certificaathouders, gehouden aan hen de ontvangen prijs voor de uitgekochte aandelen door te betalen.9 Deze rechtsverhouding is ondanks de beëindiging van de certificering blijven bestaan en eindigt met de doorbetaling van de uitkoopprijs.10 De OK acht het niet op haar weg liggen om te bepalen op welke wijze het administratiekantoor de ontvangen prijs aan de certificaathouders ten goede laat komen.11 Met betrekking tot de geconsigneerde gelden kunnen problemen ontstaan, omdat de beheerder van de consignatiekas niet zonder meer over gaat tot uitbetaling hiervan aan de certificaathouders of aan het administratiekantoor (§ 10.4.2 sub d).
Tot slot bestaat op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW de mogelijkheid dat de vordering tot uitkoop ziet op de certificaten en niet op de onderliggende aandelen. In dat geval tast de uitkoopprocedure de certificering niet aan en is er naar mijn mening geen rol weggelegd voor het administratiekantoor.
De rol van een certificaathouder is in beginsel beperkt indien de uitkoopprocedure enkel betrekking heeft de aandelen. Hoewel hij als economisch rechthebbende op de aandelen wel degelijk de gevolgen van de gedwongen overdracht ondervindt, kan hij geen verweer voeren omdat hij geen gedaagde is. Toch staat hij niet geheel buiten de procedure, hij kan namelijk op de voet van art. 217 Rv als belanghebbende in de procedure tussenkomen.