Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.4.1
8.4.1 Inleiding
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652528:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 oktober 1998 (r.o. 3.3), NJ 1999/83 (Van Gasteren/Beemster e.a.).
Overigens kan de aard van de procedure zich hiertegen verzetten, zie HR 1 oktober 1999 (r.o. 3.5), NJ 1999/738 (Lavos/Alifriqui).
HR 10 september 1999 (r.o. 3.3), NJ 1999/735 (Stichting Motorsport Wijchen/Gemeente Wijchen). Zie ook HR 18 september 1992 (r.o. 3.3), NJ 1992/747 (Keizer/Van Andel).
Beukers 1994, p. 38; Snijders, Klaassen & Meijer 2017/60, met verwijzingen; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/140 e.v., met verwijzingen.
Gras 1994, p. 271.
Beukers 1994, p. 5.
Veenstra 2010, p. 256-257.
Veegens 1972, p. 53. Zie ook Veenstra 2003, p. 223; Veenstra 2010, p. 237-239; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/148.
Veegens 1972, p. 32 spreekt van ‘die gedeelten van de inhoud van het vonnis waarin de rechter aan bepaalde feiten bepaalde rechtsgevolgen heeft verbonden’.
Art. 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Hoewel art. 236 Rv is geschreven voor de dagvaardingsprocedure, leent het artikel zich ook voor analoge toepassing op beschikkingen op verzoekschrift,1 waaronder dus enquêtebeschikkingen.2 Ook beschikkingen kunnen gezag van gewijsde hebben in een latere dagvaardingsprocedure, waaronder in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure.3
In de context van de enquêteprocedure kan mogelijk aan drie beslissingen van de Ondernemingskamer gezag van gewijsde toekomen in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure: het oordeel wanbeleid, het oordeel op het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW en de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen en eindvoorzieningen.
Voor gezag van gewijsde is steeds vereist dat (i) partijen hier een beroep op doen,4 (ii), de bindende kracht wordt ingeroepen in een ander geding, (iii) de uitspraak waar gezag van gewijsde aan wordt ontleend in kracht van gewijsde is gegaan, (iv) de eerdere beslissing de partijen betreft die ook in de nieuwe procedure tegenover elkaar staan, en (v) de beslissing waarvan de bindende kracht wordt ingeroepen een dragende beslissing is aangaande de rechtsbetrekking in geschil.5
Ik neem hierna veronderstellenderwijs aan dat aan de eerste twee vereisten voor gezag van gewijsde wordt voldaan in de opvolgende aansprakelijkheidsprocedure. Over het derde vereiste merk ik slechts op dat tegen de beschikking van de Ondernemingskamer geen gewoon rechtsmiddel (meer) mag openstaan voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde.6 Tegen enquêtebeschikkingen staat op de voet van art. 426 lid 1 Rv enkel beroep in cassatie open gedurende een termijn van drie maanden na de datum van de beschikking. Na afloop van deze termijn of na de beschikking in cassatie treedt de beschikking van de Ondernemingskamer in kracht van gewijsde, tenzij de Hoge Raad de zaak terugverwijst naar de Ondernemingskamer. Het vierde en vijfde vereiste voor gezag van gewijsde bespreek ik hierna afzonderlijk voor het oordeel wanbeleid (par. 8.4.2), het oordeel op het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek (par. 8.4.3) en de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen en eindvoorzieningen (par. 8.4.4). In par. 8.4.5 bespreek ik tot slot de mogelijkheden voor strategische procesvoering met het oog op het gezag van gewijsde.
Het gezag van gewijsde moet overigens worden onderscheiden van de bewijskracht van een rechterlijke uitspraak (par. 8.5). Het gezag van gewijsde heeft kortweg tot gevolg dat het niet mogelijk is met een tweede procedure opnieuw hetzelfde geschilpunt als in de eerste procedure aan de orde te stellen.7 Als gezag van gewijsde kan worden aangenomen, kan de betrokkene een in de enquêteprocedure gevoerd en door de Ondernemingskamer verworpen verweer bovendien niet opnieuw voeren in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure.8
Gezag van gewijsde is inherent aan alle procesrechtelijke en materieelrechtelijke beslissingen die noodzakelijk zijn ter bepaling van de concrete rechtsverhoudingen van partijen en het dictum dragen.9 Het gezag van gewijsde betreft het oordeel over de rechtsverhouding van partijen (het ‘declaratief’), dat doorgaans deel uitmaakt van de rechtsoverwegingen van een vonnis of beschikking.10 Heeft een enquêtebeschikking geen gezag van gewijsde, dan kan zij in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure nog wel bewijskracht hebben.