Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.9.2.4
5.9.2.4 Optie voor overname herzieningsverplichtingen?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291306:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is hiervoor reeds eerder gepleit. Zie: D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 392, Van Zadelhoff, noot bij HR 28 juni 2000, nr. 35.465, BNB 2000/332 en B.G. van Zadelhoff, ‘Heffing volgens het ongewisse’, WFR 2009/1349.
D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 391.
Het voorgaande roept de vraag op waarom, gelet op de nauwe samenhang met het recht op btw-aftrek en de herziening daarvan door de leverancier en zijn afnemer, niet gekozen is voor de optie om bij de levering van oude gebouwen aan een belastingplichtige de herzieningsverplichtingen van de leverancier over te nemen.1 Een dergelijke overname van de herzieningsverplichtingen is ook aan de orde bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen (zie paragraaf 4.7). Hierdoor zal minder snel sprake zijn van een wanverhouding tussen het btw-belang van de leverancier (en zijn afnemer) en het btw-(aftrek en herzienings)risico van de afnemer bij het opteren voor een belaste levering. Bovendien heeft dit alternatief als voordeel ten opzichte van de belaste levering dat de herzieningsperiode van het gebouw niet wordt verlengd.2 Dit alternatief zal tot gevolg hebben dat sneller gekozen zal worden voor een belaste levering. Dat is gelet op de ratio van de optie van de belaste levering, het beginsel van de fiscale neutraliteit, wenselijk, omdat daardoor in meer gevallen cumulatie van btw wordt voorkomen.
Uit paragraaf 5.9.4 is af te leiden dat Denemarken reeds voor dit wenselijke alternatief heeft gekozen. Naar mijn mening valt te betwijfelen of voor deze praktijk een grondslag te vinden is in de Btw-richtlijn (zie paragraaf 8.5.4.8.1). De keuze voor btw-heffing over de levering van het oude gebouw op grond van art. 137 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn veronderstelt dat sprake is van een belaste levering van een gebouw aan de koper. Indien dit geleverde gebouw voor de toepassing van de herzieningsregels kwalificeert als een onroerend investeringsgoed, dan betekent dit dat de koper de btw-aftrek ter zake van deze levering moet herzien gedurende de door de lidstaat voorgeschreven herzieningsperiode voor onroerende goederen van minimaal 5 jaar en maximaal 20 jaar.3 Dit laat onverlet dat, zolang in de Btw-richtlijn het uitgangspunt wordt gehandhaafd dat de leveringen van oude gebouwen vrijgesteld is, het naar mijn mening wenselijk is om de optie voor de belaste levering van een oud gebouw in art. 137 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn te wijzigen in een optie voor de overname van de herzieningsverplichtingen met betrekking tot het geleverde oude gebouw.