Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.6.1
5.5.6.1 Inleiding
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576392:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Snijders 2007a, p. 89.
HvJ EG 27 juni 2000, gevoegde zaken C-240/98 t/m C-244/98 (Océano), Jur. 2000, p.1-4941, NJ 2000, 730.
HvJ EG 21 november 2002, zaak C-473/00 (Cofidis), Jur. 2002, p.1-10875, NJ 2003, 703 m.nt. MRM.
HvJ EG 26 oktober 2006, zaak C-168/05 (Mostaza Claro), Jur. 2006, p. 1-10421, NJ 2007, 201 m.nt. MRM.
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 (PbEG 1993, L 095/29).
HvJ EG 11 mei 2000, zaak C-38/98 (Renault/Maxicar), Jur. 2000, p. 1-2973, NJ 2003, 627 m.nt. PV.
HvJ EG 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m C-298/04 (Manfredi), Jur. 2006, p.1-6619.
HvJ EG 4 oktober 2007, zaak C-429/05 (Rampion), Jur. 2007, p. 1-8017, NJ 2008, 37 m.nt. MRM.
Deze regel wordt door Snijders aangeduid als de 'één-op-één regel'. Zie Snijders 2008, p. 541-552.
De vraag is wel gesteld of de leer Van Schijndel ten aanzien van de aanvulling van rechtsgronden niet is aangetast door de latere rechtspraak van het HvJ EG.1 Met name kan gedacht worden aan Océano,2 Cofidis3 en Mostaza Claro4Deze arresten hebben alle betrekking op richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.5 Deze richtlijn is voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht niet van direct belang, maar het antwoord op de vraag of de lijdelijkheidsleer van Van Schijndel nog geldt, speelt bij de arresten die betrekking hebben op genoemde richtlijn wel een rol. Tevens dient bij de vraag of de leer Van Schijndel ten aanzien van de aanvulling van rechtsgronden niet is aangetast door de latere rechtspraak van het HvJ EG nog rekening te worden gehouden met Renault,6 Manfred7en Rampion.8
Ik onderzoek in deze paragraaf (§ 5.5.6) de vraag of, conform de leer Van Schijndel, de nationale regels voor ambtshalve aanvulling van feitelijke gronden en rechtsgronden (zie mijn korte bespreking van de artikelen 24 en 25 Rv in § 5.5.2) ook in Europeesrechtelijke zaken — in het bijzonder zaken waarbij de artikelen 81 EG of 82 EG een rol spelen — nog steeds van toepassing zijn. Ik doe dat aan de hand van een bespreking van mogelijke uitzonderingen op de hoofdregel dat nationale regels voor ambtshalve aanvulling van gronden in zaken die door Nederlands recht beheerst worden in beginsel ook van toepassing zijn op zaken die beheerst worden door Europees recht.9